Verslag van Kornet P. van der Maesen de Sombreff
Nijmegen, 7 Februari 1941.
Hier volgt het door U Hoogedelgestrengen gevraagde verslag van alles, wat ik persoonlijk met mijn peloton beleefd heb in de oorlogsdagen van 10 - 15 Mei.
10 Mei.
Als Commandant 3de peloton van 2-4 R.H. bezette ik na te 3.00 uur gealarmeerd te zijn, te ongeveer 6.40 uur de stelling, die ons peloton als midden-voorpeloton was aangewezen.
Deze stelling was gelegen aan de harde weg Ede-Arnhem, ter hoogte van Schweizerhöhe en bestond uit twee opstellingen van lichte mitrailleurs; de eerste mitrailleur stond 150 meter vanaf het kruispunt kunstwegen bij Schweizerhöhe aan de rechterkant van de weg; de tweede stond in een bos bij kilometerpaal 7, rechts van de weg, met het doel vuur te brengen op een pantserwagen-hindernis, die 30 meter Oostelijk in de kunstweg moest worden aangelegd. Tevens stond er op voornoemd kruispunt een stuk 4.7. [Pag.]
Dit stuk stond bij mijn aankomst ter plaatse reeds in stelling. Ik stelde mijn handpaarden op in het bos, dichtbij Hotel Westend, en liet er 6 paardenhouders achter.
De andere mannen gingen naar de stelling, voerden de nodige opruimingen in het schootsvak van de mitrailleurs uit, en werkten aan het graven van bovengenoemde tankval, die nog over heel de breedte van de weg moest worden uitgegraven. Men had ons vroeger meegedeeld, dat in geval van oorlog 100 arbeiders deze tankval zouden komen graven. Doch deze kwamen nu niet, zodat wij het zelf probeerden te doen. Het resultaat was, dat hij op geen stukken na klaar kwam.
Terwijl ik daar bezig was zag ik opeens een aantal van mijn paarden de weg oversteken in wilde galop. De paardenhouders vertelden, dat de dieren door een luchtgevecht vlak boven hun hoofd waren opgeschrikt en zich hadden losgerukt. Er waren er 17 vandoor. Hiervan werden er 7 opgevangen, waarvan er een door prikkeldraad gelopen was, en zo een diepe beenwond had opgelopen. Enige kilometers in de richting Arnhem werd nog een schimmeltje aangetroffen en teruggebracht.
Wachtmeester Katuin trachtte nog met een auto de paarden in Arnhem op te halen (met toestemming van den Ritmeester Van der Voort van Zijp), maar hij werd krijgsgevangen gemaakt.
Ongeveer 12.00 uur trokken wij op bevel van den Escadronscommandant Ritmeester Van der Voort van Zijp terug op Ede, alwaar wij een nieuwe stelling innamen, namelijk aan de kunstweg Ede - De Klomp, bij kilometerpaal 7. Ik bezette met mijn peloton een lijn, lopende vanaf kilometerpaal 7 200 meter in Zuidelijke richting. Ik kreeg de opdracht daar in stelling te blijven totdat ik bevel kreeg terug te trekken.
Intussen kwamen veel troepen langs de kunstweg, terugtrekkend op De Klomp. Op een gegeven moment kwam een 50-tal mannen, die van verre veel leken op een aantal tuchthuisboeven in gesloten colonne aanmarcheren. Zij waren ongewapend, gekleed in stalkleding, hadden kaalgeschoren hoofden en deels geen schoenen. Wij begrepen niet wat het kon zijn, doch vuurden niet, omdat de pelotons aan de linkerkant van de weg niet vuurden. Later vertelde men, dat het ontvluchte Polen waren. Het bevreemdde, dat zij daar zonder geleide marcheerden.
Na enige tijd merkte ik niets meer van eigen troepen, behalve een vechtwagen van de K.R.A., die nog op de weg stond. Tenslotte kwam tegen 18.00 uur een wachtmeester van ons escadron het bevel van "zo snel mogelijke terugtocht" brengen. Op deze terugtocht passeerden wij de "Polen", die ik Duits hoorde spreken en zich haastten achter de linie te komen.
Tegen het donker bereikten wij de Klomp, en bereikten met de andere pelotons te 22.00 uur Leersum, waar het escadron bivakkeerde in een bos Kaartblad Rhenen West Vt. 57-44 bij Graftombe. De paarden werden afgezadeld.
11 Mei.
Te 12.45 uur marcheerde het escadron te paard af naar Driebergen, om daar de streek te zuiveren van parachutisten. Tijdens onze mars langs de hoofdweg moesten wij herhaaldelijk dekking zoeken tegen vliegtuigen, die ons verder geen kwaad deden. In Driebergen was niets van parachutisten te bespeuren. Wij werden pelotonsgewijze bij burgers ingekwartierd. De nacht verliep rustig.
12 Mei.
Te 4.00 uur reveille, te 6.00 uur trok het verzamelde escadron naar Leersum. Aldaar werden de paarden vastgezet, de pelotons aangevuld en omgetoverd in wielrijders. Wij vertrokken dan per fiets naar Driebergen. Vandaar gingen wij terug over Leersum naar Rhenen, waar wij tegen de avond aankwamen. Er zou een aanval gedaan worden op Kruiponder: Kaartblad Rhenen Oost Vt. 171-443. Hiertoe werd het escadron verdekt opgesteld in enige boerderijen, terwijl de Pelotonscommandanten met ordonnansen onder leiding van de Ritmeester het voorterrein gingen verkennen en contact gingen opnemen met eigen troepen. Wij vonden de Commandopost van een kapitein van het 8 R.I. ik meen dat hij Wiersma of Dijkstra heette [Wiersinga], die ons van de toestand op de hoogte stelde en ons het terrein toonde. Ook maakte hij ons vertrouwd met het geluid der naderende artillerie-projectielen. Deze Commandant maakte een zeer kalme en moedige indruk. Hierop besloot de Ritmeester de aanval te wagen, hoewel een wagen met handgranaten en een sectie zware mitrailleurs niet was meegekomen.
Dit ging echter niet door, omdat juist toen drie ordonnansen onder leiding van de paardenarts Peeters ons het bevel brachten [om] terug te gaan op Berg en Dal Vt. 167-443, omdat er artillerievuur op dit terrein gelegd zou worden. Nadat dit bericht was doorgegeven aan den Infanteriekapitein trok het escadron terug. Het zal ongeveer 23.00 uur geweest zijn, toen wij op de aangegeven plaats aankwamen.
13 Mei.
Nadat wij bij Berg en Dal enige tijd hadden gerust, begaf het escadron zich naar de kunstweg, die in Noordelijke richting loopt ten Oosten van de oude Watertoren Vt. 167-441.
Hier werd een aanval op de spoorbaan georganiseerd, die te 3.00 uur zou plaats hebben. Ik was ondersteuningspeloton, en zou ter plaatse blijven. Doch spoedig kwamen de voorpelotons terug, omdat zij in het voorterrein allen eigen troepen hadden aangetroffen, en omdat zij de spoorweg wegens versperringen toch niet konden oversteken.
Al zeer spoedig hierop volgde een hevig artillerie-bombardement, waardoor wij verliezen leden. Vlak bij de watertoren vonden wij lege loopgraven, waarin het escadron dekking zocht.
Nadat het Escadron nog enige tijd in stelling had gelegen in de bosrand Noord van Vreewijk, kwam het bevel tot de terugtocht.
Er werd een versperring opgericht op de kunstweg Rhenen-Elst ongeveer bij kilometerpaal 105. Mijn peloton werd aangewezen om vuur te brengen op deze versperring. Zeer veel eigen troepen trokken inmiddels in dikwijls zeer onordelijke toestand terug. Artilleristen joegen weer terug naar Rhenen om hun stukken uit de stellingen terug te halen. Ook voer er een kanonneerboot, ik meen "Frya" [Freyr] stroomaf.
Nadat alle troepen waren teruggetrokken sloot ik bij het escadron aan. In Elst hadden wij even rust, en trachtten van 23.00-24.00 uur te slapen, wat niet goed ging, daar de Duitse artillerie snel naderde. Op de driesprong Kunstwegen Vt. 164-443 stonden een stuk 6 veld en 4.7, die vuur brachten op de versperring.
14 Mei.
Zo vielen de projectielen spoedig zeer dichtbij, zodat wij daar niet konden blijven. Het escadron marcheerde af naar Leersum, waar van 2.00-4.00 uur gerust werd.
Te 4.00 uur afmars naar Utrecht. Verder naar IJsselstein. Aldaar de capitulatie.
Over het algemeen hebben mijn mannen zich zeer goed gehouden, en betreurden zij het niet behoorlijk te hebben kunnen vechten. Er waren er drie van de wielrijderspatrouille die de 12de bij mijn peloton gevoegd waren, die ik in de hachelijkste uren niet heb gezien.
Contact met den vijand heeft mijn peloton niet gehad.
Mij geheel te Uwer beschikking houdend tot opheldering van eventuele belangrijke details, verklaar ik dit alles naar beste weten bericht te hebben,
(get.) P. van der Maesen de Sombreff
Kornet der Huzaren.
AAN
Den Luitenant-Kolonel van den Generalen Staf
V.E. Nierstrasz.
Mijn ondercommandanten waren:
Wachtmeester Katuin - Gelderloozepad 68, Medemblik.
Wachtmeester Marijs - Westduinweg 101, Den Haag.
Wachtmeester Vos — Groeneweg C.88, Nieuwe Tonge.
|
