Verslag van luitenant-kolonel S.H. Smits en kapitein J.M.A.L. Brandt

afschrift.

G E H E I M.

Voormalig 19 R.I.

V E R S L A G,
ingevolge den brief van den Territoriaal Bevelhebber Overijssel d.d. 8 Juni 1940,
Sectie I, nr. 13 G, Onderwerp: Gevechtsberichten.

= = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = =


Opgemaakt tezamen door Commandant 19 R.I. en den Kapitein-Adjudant
19 R.I. respectievelijk Luitenant-Kolonel S.H. SMITS en Kapitein J.M.A.L. BRANDT.

- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -

Wij stellen voorop dat het niet meer mogelijk is gevechtsberichten op te maken bedoeld in het Voorschrift Velddienst Deel I punt 63, al dan niet gereconstrueerd, met bijvoeging van afschriften der ontvangen en gegeven bevelen (c.q. gereconstrueerd).
Het was noodzakelijk alle op de periode 10 / 15 Mei 1940 betrekking hebbende papieren te doen verbranden.
Wij zullen ons er dus toe bepalen tot het opmaken van een Verslag, hierbij getrouwelijk vermeldende den loop der gebeurtenissen in zooeven genoemde periode, voor zoover wij ons deze nog herinneren.


= = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = =

In den avond van 9 Mei 1940 pl.m. 23.00 uur werd van Commandant IVe Divisie ontvangen het telefonisch bevel, dat alle maatregelen voortvloeiende uit graad van strijdvaardigheid 3 op 10 Mei 1940 5.00 uur behoorden te zijn voltooid.
Om pl.m. 4.30 uur van dezen 10den Mei werd "graad van strijdvaardigheid 4" ontvangen.
De commandopost 19 R.I. was bereids door een officier bezet (de noodige meldingen van deze bezetting zijn gegeven); alle verbindingen waren tot stand gebracht en was deze commandopost circa 5.00 uur volledig bezet.
Tientallen Duitsche vliegtuigen vlogen in verschillende richtingen heen en weer en ontvingen wij van Commandant I-19 R.I. het eerste bericht van het ontvangen van vuur door een laagvliegend toestel circa 4.30 uur afgegeven.
Telefonisch ontvingen wij ook het bericht van Commandant IVe Divisie dat Nederland zich in staat van oorlog bevond met Duitschland.
Het bezetten van de stelling en commandopost van de onderdeelen van 19 R.I. (min II-19 R.I. divisiereserve), de verplaatsing van de treinen en dergelijken zijn ons gemeld en berichtten wij een en ander den Commandant IVe Divisie.
Den 10den Mei ging zonder bijzonderheden voorbij totdat circa 16.30 uur het vliegtuig, - dat de 10e Batterij Luchtdoelartillerie bombardeerde op zijn terugweg - den commandopost 19 R.I. met mitrailleurvuur bestookte zonder resultaat.
De getroffen voorbereidingen werden verbeterd.
De verbindingen (telefonisch) met Commandant IVe Divisie, de nevenregimenten 8 R.I. en 10 R.I. alsmede met de beide voorbataljons en den uitkijkpost van commandopost 19 R.I. en dergelijken functioneerden goed.
Door een persoonlijke inspectietocht langs het regiment kreeg Commandant 19 R.I. een bevredigende indruk.
Uiteraard echter diende dag en nacht te worden gearbeid door ieder om de vele werkzaamheden en onverwachtsche bezigheden te verrichten bijvoorbeeld de munitie werd niet aangevoerd, doch diende te worden afgehaald door het regiment.
- het wegruimen van rustkamers,
- het afbouwen met spoed van de nog niet gereed zijnde veldkeuken,
- een uitgebreide bewaking van de volkomen onbeschermde (geen draadversperringen) liggende commandopost 19 R.I., bestaande uit 4 (vier) onderkomens,
- de moeilijkheid het personeel van deze commandopost (ruim 100 man), dat in deze 4 onderkomens geen plaats kon vinden, toch een eenigermate scherfvrij onderdak te verschaffen (Wij teekenen hierbij aan, dat de commandopost 19 R.I. buiten onze bemoeienis door Stafkwartier IVe Divisie zou worden gebouwd).
enz. enz.

Op zeker moment op 11 mei begon eigen artillerie in de onmiddellijke nabijheid van commandopost 19 R.I. te vuren. Het bleek ons dat een Batterij 10 Veld op zeer korten afstand achter deze commandopost stelling had ingenomen.
Ook de Duitsche artillerie begon zich langzamerhand te doen hooren richting De Grebbeberg en richting Veenendaal en konden wij zien aan rookwolken dat meerdere boerderijen, huizen en dergelijken in brand stonden. Wij ontvingen berichten van gesignaleerde Duitsche patrouilles op motorrijwielen aan de Oostzijde van de inundatie, alsmede het vaststellen van vijandelijke uitkijkposten op de Zuidwestelijke kerktoren van Wageningen, op een watertoren richting Ede, op de schoorsteenpijpen van de kunstzijdefabriek te Ede, zoomede in arbeiderswoningen tegenover vak I-19 R.I. Artillerievuur is op meerdere van deze punten aangevraagd waarvan zoo mogelijk gevolg zou worden gegeven.
In den loop van dien dag ontvingen wij van Commandant IVe Divisie het bericht, dat de lichte troepen waren teruggetrokken achter de stelling; in den avond van dien dag van Commandant 8 R.I. de mededeeling, dat de weerstandbiedende voorposten in vak 8 R.I. waren teruggegaan en de vijand op het moment van deze berichtgeving was genaderd tot circa 400 meter voor de hoofdweerstandsstrook.
Uit een telefonisch gesprek met Commandant III-19 R.I. bleek, dat deze hierin aanleiding had gevonden, de waarschuwende voorposten in zijn vak - ter sterkte van drie groepen - terug te nemen van over de inundatie, zich hierbij op het standpunt stellend dat zij hun taak hadden volbracht.
De nacht van 11 op 12 Mei 1940 ging voorbij met patrouillegangen; berichten nopens het dalen van parachutisten in de bosschen van Rhenen werden ontvangen, alsmede op ongeregelde tijden artilleriebeschieting.
Het inundatiepeil zakte aanmerkelijk, doch kwam na bericht aan Commandant IVe Divisie weer iets omhoog.
Voorts werd van Commandant IVe Divisie in den loop van den 12 Mei 1940 het bevel ontvangen waarbij onder andere het voorpostenbataljon van 8 R.I. (III-8 R.I.) en II-19 R.I. een tegenaanval zouden verrichten, teneinde door II-19 R.I. de voorpostenstrook in vak 8 R.I. weder te doen bezetten. In verband hiermede zouden de waarschuwende voorposten van III-19 R.I. weder worden uitgezet; waar mogelijk zouden de automatische wapens van 19 R.I. dezen tegenaanval steunen. Uit het overleg dat hierbij is gehouden, bleek dat door de beide voorbataljons dezen aanval kon worden gesteund en zijn daartoe de noodige aanwijzingen gegeven.
Op welke wijze deze aanval is geëindigd is ons niet bekend geworden; wel bemerkten wij dat naar gelang de dag van 12 Mei en de nacht van 12 op 13 Mei vorderden het vijandelijk artillerievuur steeds in hevigheid toenam, waardoor successievelijk de telefonische verbindingen defect geraakten. Dan weer was het verband met commandopost IVe Divisie verbroken, dan weer met III-19 R.I. of I-19 R.I. De Verbindingsafdeeling Staf 19 R.I. herstelde zoo spoedig mogelijk en werd het verband onderhouden door patrouilles van de regimentsrijwielpatrouille, de motorordonnansen en zoo noodig door het uitzenden van officieren voor het overbrengen en verkrijgen van inlichtingen.
Op 12 Mei 1940 pl.m. 18.30 uur bereikte ons het bericht van III-19 R.I., dat II-8 R.I. van Kruiponder was teruggedrongen. Voorts te pl.m. 19.00 uur dat de opstellingen van de rechter voorcompagnie III-19 R.I. onder Duitsch artillerievuur lagen. De troepen van II-8 R.I. (nevenregiment) trokken terug van Kruiponder.
Duidelijk hoorbaar was het vijandelijk vuur op de Grebbeberg (vak 8 R.I.) - meerdere mannen die waren teruggetrokken, meldden zich bij commandopost 19 R.I. en werden - in dezen was telefonisch overleg gepleegd - doorgezonden naar Rhenen.
In de uren van 12 op 13 Mei bereikte ons het bevel van Commandant IVe Divisie nopens een tegenaanval onder commando van den luitenant-kolonel Land met 4 bataljons te weten 29 R.I. (min III), I-20 R.I. en II-24 R.I. op 13 Mei 1940 4.30 uur. De gereedstelling van deze troepen zou plaats vinden in algemeenen zin in vak III-19 R.I.
13 Mei 1940 pl.m. 0.00 uur bevond zich reeds een bataljon gelegerd op den Grintweg nabij commandopost 19 R.I. en bleek ons dat "het [wacht]woord" bij dit bataljon een ander was dan het toen bij IVe Divisie geldende. Gevolgen zijn in den donkeren nacht dan ook niet uitgebleven.
In dezen nacht ontvingen wij van III-19 R.I. bij herhaling berichten, dat daar de positie steeds onaangenamer werd, aanvangende met de mededeeling dat het nevenvak II-8 R.I. was teruggetrokken (droeg op een officierspatrouille uit te zenden voor het zoeken naar verband), de Duitsche stoottroepen èn via Kruiponder èn vanaf de Grebbeberg in dit vak trokken en beschermd door de duisternis steeds meer vak III-19 R.I. binnendruppelden.
Het bevel is gegeven de ondersteuningssectiën front "Zuid" te doen maken langs de Frieschesteeg; I-19 R.I. - dat, men kan zeggen "in Abrahams schoot" zat - kreeg opdracht twee secties onder bevel van een kapitein ter beschikking van Commandant III-19 R.I. te stellen. Wijl dit telefonisch niet te regelen was (defect) werd de 1e luitenant Rakhorst - Commandant Verbindingsafdeeling Staf 19 R.I. en dus aan Commandant I-19 R.I. bekend - opgedragen mondeling dit bevel over te brengen. Ter voorkoming van misverstand werd het over te brengen mondeling bevel puntsgewijze op een stuk papier geschreven als leiddraad. Op welke zonderlinge wijze deze officier op commandopost I-19 R.I. werd bejegend en na veel tijdverlies aan de order werd gevolg gegeven is te lezen in het verslag van den commandant van dit bataljon.
Voorts werd ontvangen - tijdens een hevig artillerievuur - de telefonische mededeeling van IVe Divisie, dat de kleedingvoorraden te Zeist werden opgeruimd en 19 R.I. zijn deel moest ontvangen. Gezien de omstandigheden is uiteraard het in ontvangst nemen van deze voorraden geweigerd.
Het is ook in dezen nacht, dat twee treffers op den commandopost neerkwamen; één op het keukentje en één op een onderkomen, echter zonder slachtoffers,
dat meerdere gewonden in het onderkomen binnenstrompelden op zoek naar medische hulp,
dat ter bescherming tegen artillerievuur soms meer dan 20 man in het onderkomen samenpersten, gezonden en gewonden, terwijl intusschen de dokter de gewonden hielp en het bevel over het regiment voortgang vond,
dat te circa 2.30 uur van III-19 R.I. de mededeeling werd ontvangen, dat het bataljon het niet meer kon houden. De Duitsche stoottroepen druppelden steeds meer door, overal zag en voelde men daar vijand en zaten zij reeds - zoo werd gemeld - rondom commandant III-19 R.I.
De Kapitein-Adjudant herhaalde toen de gegeven order: Houd stand, al is het tot den laatsten man, houd vol want over een uur komt er hulp en steun van die vier bataljons, die toch in vak III-19 R.I. zullen worden opgesteld voor den tegenaanval.

In den nanacht van 12 op 13 Mei kwam nog even voor het inwinnen van inlichtingen op den commandopost 19 R.I. de bij den tegenaanval gevallen kapitein BUWALDA.

Nadat de vier bataljons hunne opstellingen hadden ingenomen, gaven wij Commandant III-19 R.I. opdracht zijne oorspronkelijke opstelling weder in te nemen, alsmede de twee sectiën van I-19 R.I. weder terug te zenden naar I-19 R.I. (Er schijnt een misverstand bij de ontvangst van dit bevel te zijn geweest, doch teekenen aan, dat de schuilnamen zijn gebruikt). En bleek ons dat de reeds hierboven aangeduide tegenaanval niet te 4.30 uur doch te 9.00 uur is aangevangen.

 

In den loop van den morgen van 13 Mei kwam op commandopost 19 R.I. een officier van Stafkwartier IVe Divisie. Dezen officier is gevraagd hoe de toestand was in het rechter nevenvak (8 R.I.) en waarmede sinds lang het telefonisch verband was verbroken. Antwoord: 8 R.I. heeft zooveel verliezen geleden, dat het wordt teruggenomen en opgenomen in een ander regiment (11 R.I.).
En vervolgens: hoe het dan met den Overste HENNINK - men kent elkaar - was afgeloopen. Antwoord: Deze is met zijn geheele staf gesneuveld.

Van III-19 R.I. ontvingen wij in den loop van den ochtend - dus dien van 13 Mei - de gevraagde inlichtingen nopens het verloop van den tegenaanval.

Circa 11.30 uur ontvingen wij inlichtingen van het terugvloeien van deze bataljons ondermeer: "Ik ben zelf even buiten gaan kijken en zie groote grijze groepen in overhaaste vlucht teruggaan, heele stukken van III-19 R.I. worden meegezogen". In dit telefonisch gesprek met III-19 R.I. werd dezerzijds aangegeven alles te trachten om dit wegzuigen te voorkomen en de stelling vast te houden.
Tenslotte werd van III-19 R.I. te pl.m. 12.30 uur van 13 Mei de mededeeling ontvangen dat de stelling niet meer te houden was wijl alles werd weggezogen door deze terugtrekkende bataljons.

Overwegende dat 8 R.I. was teruggenomen en opgenomen in een ander regiment,
dat III-19 R.I. werd teruggezogen in Noordelijke richting door de teruggeworpen bataljons,
is te pl.m. 13.00 uur besloten de door niets beschermde commandopost 19 R.I. te verplaatsen langs den Grintweg in de richting Veenendaal.
Opdracht werd gegeven het personeel te verzamelen, het archief te verbranden en voorts:
a. één officier met enkele groepen: beveiliging in front,
b. Commandant 19e Compagnie Pag.: met één stuk in den rug te dekken (ons bereikte een bericht, dat pantserwagens waren gesignaleerd),
c. Den sergeant KEMMING - Commandant regimentsrijwielpatrouille - ontving opdracht met de halve regimentspatrouille te gaan naar Commandant I-19 R.I. en te melden: "De regimentscommandopost verplaatst zich langs den Grintweg in de richting Veenendaal".
(Wij teekenen hierbij aan dat ondanks herhaaldelijk trachten alle telefonisch verband met IVe Divisie, I- en III-19 R.I., 8 en 10 R.I. weer eens verbroken was).
Het is jammer, dat dit bericht - zooals ons ter oore kwam - dat goed herhaald werd - is overgebracht als: "Het regiment trekt terug", althans in woorden van dergelijke strekking. Jammer, vandaar dat wij op deze plaats meenen goed te doen mede te deelen, dat ondermeer de regimentspatrouille steeds alle belangrijke opdrachten als: overbrengen van berichten, het afpatrouilleeren van het bedekt terrein op zoek naar gemelde parachutisten en dergelijken met groote plichtsopvatting heeft volbracht.
Maar nog meer is het te betreuren en voor ons nog steeds onbegrijpelijk, dat Commandant I-19 R.I. aan dit toch zoo belangrijk - maar in verminkten vorm ontvangen, zoo onvolledig bericht - en bovendien mondeling overgebracht - door den sergeant KEMMING (zie het geval van den 1e Luitenant RAKHORST) - zonder meer uitvoering heeft gegeven.

Terugtrekkende met de ruim 100 man sterke commandopost 19 R.I. langs den Grintweg was men twee keer verplicht in de bosschen te dekken wegens vliegergevaar van Duitsche zijde; het was niet mogelijk het open terrein over te steken richting Veenendaal wegens een derde overval, alsmede het groot aantal terugtrekkende troepen en voertuigen, die met en zonder commandant in chaos zich bewogen langs den kunstweg en in de bosschen naar Elst.
Het personeel van commandopost 19 R.I. werd in ongeregelde orde meegezogen naar Elst en is besloten dan ook eerst halt te houden bij het snijpunt kunstweg Veenendaal/Elst - Franscheweg, teneinde op dit punt een gelegenheid te verkrijgen ieder te verzamelen.
Vanaf dit punt begaf de Kapitein-Adjudant zich per motor naar commandopost IVe Divisie aan den Stokweg teneinde Commandant IVe Divisie nopens de gebeurtenissen in te lichten. Voor Rustoord te Elst - dus een 300 meter verder - trof hij daar echter aan meerdere officieren van Staf IVe Divisie, ondermeer den Chef van den Staf. Deze deelde hem mede, dat men commandopost IVe Divisie overhaast had moeten verlaten en dat thans drie lijnen van weerstand met de terugtrekkende troepen zouden worden gevormd, front Oost, ondermeer als eerste lijn: te Elst van Hotel Rustoord naar snijpunt kunstweg naar Veenendaal met Franscheweg. Van den Chef van den Staf IVe Divisie ontving Commandant 19 R.I. opdracht deze eerste lijn van weerstand te verlengen in de richting Veenendaal met alle troepen en dergelijken welke men maar kon tegenhouden.

Het is op dit punt
dat Commandant III-19 R.I. in zeer deplorabelen toestand uit een aankomende trekker te voorschijn kwam en met de woorden: "'t Is vreeselijk, 't is vreeselijk!" den Kapitein-Adjudant om den hals viel en daarmede accentueerde de bij herhaling telefonisch gemelde toestand van III-19 R.I.,
dat de waarschuwing inkwam, dat twee militairen in een huis bezig waren zich reeds in burger te verkleeden. Zij zijn te voorschijn gehaald, weliswaar in uniform (1 sergeant en 1 korporaal) doch keurig gewasschen, geschoren en gepoetst en gaven op te behooren tot Staf I-19 R.I. Onder geleide zijn zij per dienstauto vervoerd naar Stafkwartier IVe Divisie, Kasteel Zuylestein, Amerongen.
De soldaten afkomstig van alle mogelijke onderdeelen, met en zonder commandanten, zonder wapens en dergelijken, werden door ons tegengehouden, zoo goed mogelijk verdeeld en aanwijzingen voortvloeiende uit de ontvangen opdracht verstrekt en vingen aan zich ter verdediging in te richten. Nadat echter een drietal Duitsche granaten in de onmiddellijke omgeving waren gevallen, was er geen houden meer aan en zette de terugtrekkende beweging opnieuw in.

Na een omweg langs Franscheweg op den weg Elst-Amerongen komend, is de Kapitein-Adjudant vervolgens weer naar Elst gegaan, met de beide luitenants-toegevoegd van den regimentsstaf en hoorde aldaar dat geheel Elst was verlaten (hij zag trouwens op dat oogenblik niemand meer).
Vervolgens vonden Commandant 19 R.I. en hij elkaar weer en bleek dat Commandant IVe Divisie, die zich aan den rand van Amerongen bevond, den last had verstrekt de eerste lijn bij Elst (zie hierboven) weder te doen bezetten.
Uit den chaos van terugtrekkende infanterie, artillerie, treinen en dergelijken, welke zich bevonden op den weg Elst-Amerongen zijn daarna - teneinde deze Divisieorder - althans voor 19 R.I. uit te voeren - verzameld, deelen van dit regiment en behoorende tot Staf II-, III-19 R.I.
Voorts merken wij op, dat een Duitsch gevechtstoestel op geringe hoogte over dezen weg vloog, doorvloog, nog eens kwam kijken en weg vloog. Had dit toestel anders gehandeld, de gevolgen in dezen chaos waren niet te overzien geweest. De stelling bij Elst werd door 19 R.I. weder ingenomen.
Daarna, pl.m. 17.00 uur werd ontvangen de order van Commandant IVe Divisie: Commandant 19 R.I. komt voor het ontvangen van nadere orders op Stafkwartier IVe Divisie. Het 19e R.I. kan intusschen afmarcheeren naar Amerongen.
Op Stafkwartier IVe Divisie ontvingen wij het bevel met 19 R.I. af te marcheeren naar Cothen en aldaar een opnamestelling voor de terugtrekkende troepen in te richten.
Op den 13 Mei 1940 pl.m. 23.00 uur was 19 R.I. te Cothen gearriveerd. Bij ons melden zich twee officieren van Stafkwartier IIe Legerkorps en werd opdracht ontvangen onmiddellijk door te gaan naar het land van Tul en 't Waal, met name het fort Honswijk. Aldus geschiedde en de oververmoeide troep marcheerde in den nacht van 13 op 14 Mei door. Aankomst op het fort Honswijk 14 Mei pl.m. 5.00 uur.

De Kapitein-Adjudant ontving opdracht het verkeer in den duisteren nacht van alle terugtrekkende troepen, treinen en dergelijken te regelen tezamen met de reeds genoemde officieren van Stafkwartier IIe Legerkorps over het smalle brugje en bij het kruispunt van wegen bij den Oostelijke ingang van het dorp en arriveerde hij op 14 Mei pl.m. 6.30 uur evenzoo op het fort Honswijk.

Op het fort Honswijk bleek:
a. 11 G.B. kwam ook op het fort, zoodat pl.m. 1200 man sterkte aldaar diende te logeeren,
b. geen telefonische aansluiting was tot stand gebracht. Wel waren drie telefoontoestellen aanwezig, doch geen aansluiting op het rijksnet,
c. de verpleging was niet geregeld,
d. niemand was aanwezig om op eenigerlei wijze inlichtingen en gegevens te verschaffen,
e. het fort was nog "in staat van vrede",
f. geen "opdracht", noch de legering van overige troepen was bekend, enz.

Van een mijner officieren vernam ik, dat Commandant Brigade B - Kolonel Nijland - in een persoonlijk onderhoud met Commandant 11 G.B. zich er over had uitgelaten, dat slechts 11 G.B. op het fort Honswijk behoorde te legeren en het 19e R.I. "ergens anders".
Toen op den 14 Mei circa 10.00 uur een der officieren van Stafkwartier IVe Divisie verscheen, is dit - evenals de overige "nooden" - uitvoerig met hem besproken. Ook hij had dit reeds van Commandant Brigade B vernomen, zou het onmiddellijk met Commandant IVe Divisie bespreken en met spoed bericht zenden. Op dit nadere bericht is den geheelen dag gewacht en werd er nog steeds op gewacht toen 19 R.I. + 11 G.B. des avonds pl.m. 20.30 uur - dus na de capitulatie - in krijgsgevangenschap werden afgevoerd.
Maatregelen werden getroffen voor voeding, luchtgevaar en dergelijken.

Te circa 15.30 uur meldde zich bij ons de sergeant-majoor-instructeur VOS van 4 M.C. Deze deelde mede, dat de 4 M.C. - zooals wij van hem hoorden, legerende in een boerderij niet ver van het fort Honswijk - zich zonder slag of stoot aan de Duitschers had overgegeven. Hij had van den Duitschen commandant ter plaatse opdracht ontvangen naar het fort te gaan en mede te deelen, dat dit zich voor 16.00 uur diende over te geven, wijl anders het fort zwaar zou worden gebombardeerd.
Uiteraard werd aan dit "ultimatum" niet voldaan, doch besloten - van betrokken officier van Stafkwartier IVe Divisie was nog niets vernomen - een officier per auto uit te zenden naar Commandant IVe Divisie. Hij kreeg schriftelijke berichten mede omtrent:
a. het gebeurde met de 4 M.C.
b. vraag omtrent de definitieve opstelling 19 R.I.
c. aanvraag met spoed om munitie, lichtpatronen, telefonische verbinding en dergelijken (was een herhaalde aanvraag),
d. maatregelen met spoed voor verpleging (was een herhaalde aanvraag).

Circa 17.00 uur meldden zich achtereenvolgens Commandant I-19 R.I. en luitenant-adjudant I-19 R.I. met verzoek of I-19 R.I. - en dus ook zij - te IJsselstein konden blijven, omdat 19 R.I. toch aldaar zou worden verzameld.
Dit werd in afwachting van de order tot verplaatsing welke wij met reden mochten verwachten, goedgekeurd. (Tot onze verwondering kwamen wij in krijgsgevangenschap in Duitschland tot de ontdekking dat zich meerdere deelen van I-19 R.I. eveneens in krijgsgevangenschap bevonden, onder andere drie kapiteins, compagniescommandanten).

Circa 17.30 uur meldde zich terug de uitgezonden officier, echter met zich brengend het bericht - door hem persoonlijk van Commandant IVe Divisie ontvangen - "Nederland capituleert, de wapens moeten worden neergelegd". Antwoord op geen onzer gevraagde berichten ontvingen wij.
Ter controle werd per keerende per auto uitgezonden naar Commandant IVe Divisie de Majoor W.F. WEBER met opdracht:
a. Is het ontvangen bericht van capitulatie en het neerleggen van de wapens juist?
b. Wat is de definitieve opstellingsplaats van 19 R.I.?

Met wachten verstreek de tijd; pl.m. 20.00 uur zagen wij een parlementair naar de Duitsche linie rijden, welke zich toen op pl.m. 3 kilometer afstand bevond.
11 G.B. trof alle maatregelen tot het neerleggen van de wapens.
Wijl de uitgezonden hoofdofficier nog niet was teruggekeerd en het uiteraard niet langer mogelijk was te wachten, wonnen wij - ter controleering - van de toch zoo belangrijke order der capitulatie inlichtingen in bij Commandant 11 G.B. en werd vernomen dat hij deze persoonlijk van Commandant Brigade B had ontvangen en werd besloten ook tot uitvoering van den order over te gaan.

Te circa 20.30 uur - dus ongeveer 4 uur na het ontvangen van den order der capitulatie en het neerleggen van de wapens - kwam een Duitsche afdeeling op het fort en werden wij in krijgsgevangenschap in Duitschland - in tegenstelling met het overgroote deel van het Nederlandsche leger - afgevoerd en waaruit wij 11 Juni jongstleden zijn teruggekeerd.
In deze krijgsgevangenschap ontmoetten wij meerdere officieren - ondermeer Luitenant-Kolonel Hennink - die ons "officieel" als gesneuveld waren aangegeven.
Ook het vaandel van 19 R.I. werd door deze Duitsche afdeeling medegenomen.

Wij mogen niet nalaten hierbij aan te teekenen, dat het optreden van de Duitsche weermacht, die wij hier ontmoetten uiterst correct en met zeer veel medegevoel omtrent "de omstandigheden waaronder het gevangen nemen plaats vond" was.


de Luitenant-Kolonel,
Commandant voormalig 19 R.I.
get. SMITS,

de Kapitein-Adjudant,
voormalig 19 R.I
get. J. BRANDT.

Download brondocument in PDF-formaat Brondocument
(PDF, 11.18 MB)