Verslag van reserve-adjudant-onderofficier J. Mooijweer
Amersfoort, 1 Maart 1941.
Ter voldoening aan het gestelde, vervat in Uw schrijven van 10 Januari 1941, No 1212, heb ik de eer U Hoogedelgestrenge in volgorde een zoo getrouw mogelijk verslag aan te bieden omtrent de belevenissen tijdens de oorlogsdagen van 9-15 Mei 1940.
[In het brondocument onderaan deze pagina is tevens een situatieschets opgenomen]
9 Mei 1940.
--------------
Onze Compagnie (1-III-19 R.I.), waarbij ik als sectiecommandant was ingedeeld bij de LINKERVOORSECTIE, verkeerde in den 2den graad van strijdvaardigheid.
Ze stond onder bevel van den reserve-kapitein P.G. Westhoff en was gehuisvest in verspreid gelegen woningen en hofsteden, aan en nabij den Achterbergschestraatweg te Achterberg (Gemeente Rhenen).
De ongemakken van het ijshakken op de somtijds barre ijsvlakte aan de Davidsgrift, hadden plaats gemaakt voor mooie lentedagen en deden de ellende van den achter ons liggenden winter met zijn sneeuwjachten snel vergeten.
Zij, die dien winter het dichtst bij 't vuur zaten, hadden thans de bivakmutsen, de dassen en oorbeschermers al weer geruimen tijd opgeborgen.
Mijn sectie, gespeend van die gulle liefdadigheid, was er nochtans gezond bij gebleven, ondanks het feit, dat ze in de kou had gestaan.
Dat de manschappen nu gehard waren en tegen een stootje konden stemde me tot groote vreugde.
Overigens herinner ik mij geen enkel voorval, dat waard is aan de vergetelheid ontrukt te worden.
Mochten er al geweest zijn, dan waren ze verdrongen door gebeurtenissen van de dagen, die op den 9den Mei volgden.
Onbewust van wat er stond te gebeuren, begaf ik mij omstreeks 11 uur te ruste in mijn kwartier ten huize van den Heer M. Koster, Meesterbakker, wonende aan den Achterbergschestraatweg 195.
10 Mei 1940.
--------------
Ik had nog maar kort geslapen, of een sergeant van de compagnie wekte me, door luid te roepen, dat het "ALARM" was. Zoodra hij merkte, dat ik het licht aanknipte en hij me voor het open raam zag verschijnen, riep hij, dat ik direct bij den kapitein moest komen. Het zal toen ongeveer kwart voor een zijn geweest. Hij gunde mij geen tijd, dat ik hem over den aard van het alarm ondervroeg. Hij had wel haast en denkelijk opdracht er nog meer te wekken, want onmiddellijk daarop was hij verdwenen.
Snel aangekleed en mijn fiets uit de schuur gehaald, was het werk van een oogenblik. De onzekerheid maande me trouwens tot spoed aan. Nauwelijks was er een kwartier verloopen, of ik was bij de woning, waar het Compagniesbureau gevestigd was. Om het huis en op den weg heerschte groote bedrijvigheid. Bureau-, koks- en treinpersoneel laadden voertuigen op, of gaven munitie uit, voor zoover ik dat tenminste in de duisternis kon beoordeelen.
Op het bureau waren de officieren, de sergeant-majoor en eenige onderofficieren verzameld. Ik meldde mij bij den kapitein en wachtte in spanning af, wat er aan de hand kon zijn.
Aanvankelijk sprak niemand en allen schenen diep vervuld met hun eigen gedachten. Dat verraste me eenigszins, omdat er doorgaans altijd wel eens een woord of een blik van verstandhouding werd gewisseld.
Na een kort poosje verbrak de kapitein de stilte en zei tegen me, dat toestand "drie" zou intreden. "Ik kan eerst wel met U afhandelen, Adjudant".
"Laten we eens kijken": "Als U nu tegen half vijf met een korporaal naar Heinekamp gaat, dan zou ik wel willen, dat jullie beiden door middel van de veldtelefoon de verbinding tot stand brengt tusschen mijn Commandopost en dien van het Bataljon."
De Vrijdag was doorgaans bij Koster een dag van vroeg opstaan en hard werken, teneinde op tijd de verre klanten te kunnen bedienen.
Mijn slaapvertrek lag voor een gedeelte boven de bakkerij.
Voor het bereiden van het deeg werd een kneedmachine gebruikt, die door een motor werd gedreven. Het drijfwerk van dien motor mondde voor een gedeelte uit in de hoek van mijn slaapkamer en was - uit een oogpunt van veiligheid - besloten in een houten kist.
De motor was een uitstekende wekker, omdat hij bij het aanzetten zoo'n oorverdoovend geraas maakte.
Gevaar voor verslapen was er onder die omstandigheden nooit.
Ik spreidde aan het voeteneind van mijn bed een oud kleedingstuk uit en ging gekleed en geschoeid op 't bed liggen.
Plotseling werd ik door geraas wakker. Deze keer was het de motor niet die me wakker maakte. Nu kwam het geronk van een andere kant dan uit de hoek van 't vertrek.
Ik vloog overeind en ging naar het open raam, om te zien, waar dat geluid toch vandaan mocht komen. Wat ik zag was indrukwekkend en tevens boeiend.
Statig trokken er van Oost naar West eenige vliegtuigen over, terwijl er geschoten werd. Dat moest ongetwijfeld het afweergeschut zijn, dat nog niet zoo lang geleden in het Grebbegebied was aangekomen.
Op den weg stonden eenige menschen, waaronder de bakker en zijn knecht in sprakelooze verbazing naar het schouwspel in de lucht te staren.
De springende projectielen vormden een krans van zwarte rookwolkjes om de overtrekkende toestellen, die onverstoorbaar hun weg door het luchtruim vervolgden.
Geen oogenblik dacht ik aan bittere ernst. Hardnekkig veronderstelde ik, dat het een ALARMOEFENING gold. Thans nu ik zooveel beter weet, vraag ik me af, hoe dat idee bij mij post kon vatten.
Maar alle factoren waren aanwezig, om mij die suggestie bij te brengen. Vooreerst was daar de volstrekte rust; geen spoor van opwinding.
Het spijt me, dat ik nu niet wat meer de details te voorschijn kan roepen in mijn herinnering. Nu ik niet beter wist, verheugde ik mij over het feit, dat onze weermacht met het nieuwe afweergeschut zoo goed voor den dag kwam. Van het afweergeschut en de bijbehoorende munitie wist ik niets.
Het vervulde mij met oprechte trots, toen ik het afweergeschut voor het eerst zag opgesteld achter het kerkhof, aan den weg van Rhenen naar Achterberg.
Bij die gelegenheid slaakte ik de verzuchting, dat we zoo weinig van dat mooie geschut wisten. Nu moest ik er maar naar raden.
Dat er naast "scherpe" patronen "losse" bestaan voor het geweer M 95, was me vanzelfsprekend bekend. Bij de manoeuvres werden "pétards" aangewend, om het kanonvuur na te bootsen.
Van die veronderstelling uitgaande, meende ik, dat er naast scherpe "lichtspoormunitie" 's nachts, losse "rookspoormunitie" overdag toegepast werd.
Nu de korporaal bereids ter plaatse aangekomen was, mocht ik mijn tijd niet verbeuzelen met veronderstellingen en bespiegelingen.
Schielijk hing ik de uitrusting om. Ik dacht er niet aan iets te gebruiken. Het was toch maar een OEFENING?
In de grootste gemoedsrust trok ik met hem langs de Hooge Steeg naar den Commandopost bij Heinekamp. Twee manschappen van den verbindingsdienst sloten het toestel aan en vervolgens riep ik den commandopost van Majoor Weber op.
Aan de andere kant van de draad werd mijn oproep wellicht met ongeduld verbeid, want direct ontving ik bevel de compagnie onverwijld te waarschuwen.
Ik zond den korporaal op weg; hij behoefde niet ver te gaan, reeds in de kromming van den weg zag ik de compagnie naderen.
Onderwijl was het motorgeronk van de overtrekkende escaders niet van de lucht en het afweergeschut van ons gaf behoorlijk partij.
Links van den Grebbeberg zag ik opeens een groote vuurzuil aan de lucht, afkomstig van een in brand geschoten vliegtuig.
Een ander toestel zocht in de richting van de veenplassen bij Veenendaal den grond.
Eerst nu drong de werkelijkheid tot me door en mijn twijfel verdween voorgoed, toen een van de huisgenooten van de familie Heinekamp me vertelde, dat de persdienst onrustbarende berichten gaf over den algemeenen toestand.
Vader zat aan de radio te luisteren en nu eens werd er gewag gemaakt van het bezetten van vliegvelden en dan weer van het landen van valschermtroepen op plaatsen en punten, van vitaal belang voor de landsverdediging.
De Compagnie was inmiddels in de voor haar bestemde sector aangekomen.
Om geen tijd verloren te laten gaan maakte ik mij meester van mijn sectie. Hieronder volgen de namen in groepsverband:
| GOLFBREKER. | ||
| Dienstplichtig sergeant Goossen. Dienstplichtige Ten Voorde. Dienstplichtige Beukeveld. Dienstplichtige Bisschop. Dienstplichtige Van Beek. Dienstplichtige Ensink. Dienstplichtige Oeben. Dienstplichtig korporaal Kuikman. |
Dienstplichtig sergeant Lunenberg. Dienstplichtige Vaartjes. Dienstplichtige Veneman, A.H. Dienstplichtige Van Voorst. Dienstplichtige Warmelink. Dienstplichtige Ekkelkamp. Dienstplichtige Van Dalfsen. Dienstplichtige Kogelman. Dienstplichtig korporaal Oldebruijl. |
Dienstplichtig sergeant Bruinewold. Dienstplichtige Cox. Dienstplichtige Husen. Dienstplichtige Nije-Bijvank. Dienstplichtige Reimert. Dienstplichtige Schuurman. Dienstplichtige Stopel. Dienstplichtige Kolk. Dienstplichtige Waanders. Dienstplichtig korporaal Jansen. |
Van de overige dienstplichtigen was Beuving ziek thuis; Verheijen en Veneman F vervulden de functie van uitkijkposten bij III-19 R.I. en Bonthuis was werkzaam bij het munitie-depot.
De groepscommandanten verzamelde ik om mij heen en gaf hun opdracht de geweren en pistolen te laden en de bajonetten op te zetten.
Daarna werd er met veiligheidsmaatregelen afgemarcheerd - dat lesje kenden ze uitstekend -, en, gebruik makende van de kruiploopgraven, bereikten ze, zonder eenig incident, langs den kortsten weg, de voor hen bestemde groepsversterkingen.
Bedoelde versterkingen vormden een driehoek, waarvan de "GOLFBREKER", pal liggende aan de rand van de inundatie, de tophoek en de groepen van Goossen en Bruinewold, respectievelijk de linker- en rechterbasishoeken uitmaakten.
Zooals hierboven reeds vermeld, stond de groep van de Golfbreker onder commando van sergeant Lunenberg, een verstandig en pittig kereltje, dat zich flink gedragen heeft gedurende de oorlogsdagen en blijk gaf van een groot verantwoordelijkheidsgevoel voor zijn ondergeschikten.
Bij mijn rondgang langs de versterkingen viel het mij op, dat het WATERPEIL van het inundatiegebied niet meer die hoogte had als gewoonlijk. Het was mogelijk, dat de krachtige zonnestralen hun invloed op de groote watervlakte lieten gelden; ontegenzeggelijk was het een feit, dat de vegetatie meer te voorschijn kwam dan voordien.
Door het langdurig verblijf in het stellinggebied waren we allen buitengewoon vertrouwd geraakt met ieder terreinvoorwerp; niets ontging meer aan onze opmerkzaamheid en we waren in het terrein als kind thuis.
De ruim 2 kilometer breede watervlakte was een geruststellende factor voor onze stellingen.
Niettemin betreurde ik het gemis van een veldkijker zeer.
Kader en manschappen waren overigens diep onder den indruk van de pas ingetreden oorlogstoestand. Geruchten waren schering en inslag. Telkens en telkens doken ze in allerlei vormen op.
Om hun het "zware redeneeren" te beletten, achtte ik aanhoudende bezigheid de beste remedie.
Veel nuttige bezigheden wachtten er op afwerking, zooals het beter stellen van vuurschilden, het aanbrengen van verhoogingen voor de standplaats van den schutter en nog zooveel, dat een permanent verblijf zou vergemakkelijken.
Een ordonnans meldde, dat er niet op Fransche, noch op Engelsche vliegtuigen geschoten mocht worden. Op mijn beurt gaf ik hem de boodschap mee, dat we in goede orde in onze groepsversterkingen aangekomen waren.
Tegen een uur in den namiddag verschenen er burgers, getooid met een witte band om den arm, die de bevolking aanspoorden hun vee naar de eerste verzamelplaats te geleiden, gelegen aan het kruispunt van wegen: Friesche Steeg/Weteringsteeg.
Om 3 uur vertrok de bevolking. Dat was voor ons allen een aangrijpend moment en het ontroerde ons, dat we de menschen, waarmee we 9 maanden lief en leed gedeeld hadden, moesten zien vertrekken.
Met geweld moesten ze zich losscheuren van hunne schamele bezittingen.
Wat hadden we ons niet "eigen" gemaakt. De kennismaking was aanvankelijk wat stroef, maar allengs had de stugheid plaats gemaakt voor een beter begrijpen. De kinderen werden doorgaans nooit vergeten en menige onverschillige polderjongen uit mijn sectie gaf graag een stukje chocolade of een leeg "sigarettendeusje" weg.
Nu gingen de kleine "Janna" en "Hennikjan" ons verlaten en, telkens omkijkende, zeulden ze aan moeders rokken voort, die op haar beurt een kinderwagen voortreed, opgetast met een stapel beddegoed, of onmisbare kleeren, in de richting Achterberg-Rhenen.
Van Laar drukte me de hand en met bewogen stem verzocht hij me zorg te willen dragen, niet alleen voor huis en erf, maar ook voor het achtergebleven pluimvee. Ook stond er nog een "melkkalf" in 't hok en lagen er twee "keuen" in de schuur.
"Als de oorlog van langen duur mocht zijn, Adjudant, en het voer raakt op, dan moet U maar zien, wat U met het kleinvee doet".
"Het beste is dan maar afslachten".
"Er staat nog wel een beetje lijnkoekenmeel en wat mais voor de kippen in de schuur, maar dat is slechts voor een paar dagen."
Ik beloofde hem, dat we, allen zonder uitzondering, zijn have en goed zouden bewaken en verzorgen, voorzoover ons daartoe de gelegenheid geboden werd.
De bewoners van het stellinggebied waren nu langzamerhand weggetrokken.
Bij de Golfbreker woonde het gezin Teunissen, waarvan de vrouw des huizes ziekelijk en slecht ter been was. Het kostte voor haar beide zoons groote moeite haar op een geschikte wijze te vervoeren. Aan een auto was nu niet zoo gemakkelijk te komen.
Van mijn kant drong ik op groote spoed aan, want zoolang ze de groepsversterking aan de Friesche Steeg niet gepasseerd waren, kon de verkeersweg niet afgesloten worden.
Nu ze ten lange leste niet verschenen, hakte ik de knoop door en sloot door middel van prikkeldraad den weg af.
Eenmaal met dien arbeid klaar, wachtte nog een inspannend werkje.
De familie Teunissen had, ten einde raad, besloten moeder maar in een kruiwagen te vervoeren. Voor ons was nu de taak weggelegd het transport zonder kleerscheuren over de hindernis te helpen, wat na eenig overleg en met vereende krachten wonderwel gelukte.
Een ordonnans deelde mee, dat het eten op komst was. De kapitein had mij uitgenoodigd het middagmaal te gebruiken ten huize van Heinekamp, waar ook de beide andere officieren van de compagnie zouden komen. Gedurende de maaltijd werden de bijzonderheden van den dag uitgewisseld en maatregelen voor den nacht besproken en het "WOORD" uitgegeven.
Bij mijn terugkeer in de stelling trof ik eenige manschappen van de 2de Verlichtingsafdeeling aan, die de apparaten opstelden en in orde brachten voor het invallen van de duisternis.
Nog voor de schemering inviel, deelde ik persoonlijk de groepscommandanten en manschappen het woord mee en stelde hen op de hoogte met het aantal en de sterkte van de patrouilles, die uitgezonden zouden worden.
Ik drukte hun nog eens ernstig op het hart de terreinvoorwerpen in hunne omgeving bij dag goed in hun geheugen te prenten, teneinde ze des nachts niet voor spoken aan te zien en vooral gedurende den nacht op het gedrag van weide- en watervogels te letten. Monden dicht en ooren open was verder het parool.
Wanneer de posten- en patrouilledienst verzekerd was, stelde ik er prijs op, dat de overige mannen in de groep gebruik zouden maken van de geboden nachtrust, om hunne krachten te sparen voor oogenblikken, wanneer er meer van hen gevergd zou kunnen worden. Dat laatste was echter aan doovemansooren gezegd; daarvoor waren de spanningen over de gebeurtenissen ook veel te groot. Sommigen hadden geen behoefte aan rust noch eten.
Ofschoon het in en nabij de linker-voorsectie rustig was, lieten onze batterijen, opgesteld bij de Koerheuvel, Watertoren en Grebbe, zich duchtig gelden, vooral toen de duisternis ingevallen was, donderde het geschut geweldig.
In Westelijke richting verlichtte een vuurgloed den hemel. Het was een mooie aanleiding tot veronderstellingen. De een meende, dat Amersfoort in brand stond, weer een ander, dat Soesterberg aan de vlammen prijs gegeven was.
Waar een gerucht vandaan komt is moeilijk te achterhalen, maar het was er weer en de verhalen gingen er als koek in.
"Men zegt, dat de spoorbaan bij Ede door onze troepen opgeblazen is en dat er een vijandelijke pantsertrein verongelukt is".
"Daarom trekt onze artillerie ook zoo van leer in de richting Ede".
Het doodencijfer bij dien ramp was natuurlijk buitengewoon groot.
Maar aan alles komt een eind, zoo ook tenslotte aan den eersten oorlogsnacht.
11 Mei 1940.
--------------
Bij het krieken van den dag maakte ik opnieuw een ronde langs de groepsversterkingen. Een nacht vol onbestemde geluiden en dwaze geruchten was voorbij; de manschappen in de groep waren opgelucht, nu ze elkaar weer bij het daglicht in het gelaat konden zien.
Gedurende de 9 maanden van stellingarbeid waren er wel eens oogenblikken, waarop de ijver ver beneden het "nulpunt" was gedaald.
Onder het een of andere voorwendsel poogde deze of gene me wel eens om de tuin te leiden, door er tusschen uit te knijpen, of een interessant verhaal op te hangen.
De grootste "lijntrekkers" van toen gedroegen zich nu zoo tam en bereidwillig, dat ik er aanvankelijk geen verklaring voor kon vinden.
Dat bleek mij veel later, toen ik in een aan mij gerichten brief de oplossing verkreeg.
Ik had hen namelijk zoo dikwijls gewaarschuwd, om niet zoo oppervlakkig en lichtzinnig de hun opgedragen werkzaamheden op te vatten, doch wat meer gepasten ernst te betrachten, nu het in de wereld rondom overal onrustig was.
Ik hield hun dan bij die gelegenheid voor, dat ze hard aan hunne stellingen moesten werken, tot heil voor hun eigen veiligheid. Thans begrepen ze.
Ongemerkt ging de voormiddag om. Een ordonnans bracht eens een berichtje, of van het munitie-depôt ontvingen we patronen en handgranaten, maar over 't algemeen was er heel weinig aan de hand.
Met de nevenafdeelingen van de zware mitrailleurs had ik ruimschoots gelegenheid contact te onderhouden en van gedachten te wisselen.
De voornaamste gebeurtenissen van den namiddag waren, dat een gedeelte van Wageningen in brand stond.
Het was me niet naar den zin, dat de golfbreker verstoken was van een ruim uitzicht aan de rechterkant, in de richting van de "Kruiponder".
Ik had mijn bezwaren ten dien opzichte wel eens aan mijn Compagniescommandant meegedeeld, maar zoolang de oorlogstoestand nog niet was ingetreden, kon ik op geen succes hopen.
De boerderij en opstallen van Boonzaaijer vormden namelijk een ernstig beletsel voor een goed uitzicht. Thans werd ook deze boerderij in brand gestoken.
Het leek me een gewaagde onderneming, omdat het niet denkbeeldig zou zijn, dat de hooi- en stroomijten een geschikt rookgordijn voor den vijand bood.
Gelukkig ging alles zonder noemenswaardige rookontwikkeling tegen den grond. De droogte had een handje meegeholpen.
De artillerie van den vijand begint zich nu ook langzamerhand te roeren, doch last ondervinden we er nog niet van. Naar de richting te oordeelen, moeten de stukken opgesteld zijn in de lijn Wageningen-Bennekom.
Een beetje weemoedig denken de mannen aan de op komst zijnde Pinksterdagen.
Ik laat de manschappen, die tijdelijk niets omhanden hebben maar een brief schrijven aan hun verwanten. Of de brief "over" zal komen, moet worden afgewacht.
Een gedeelte is de vermoeienis te machtig en ligt in de onderkomens te slapen, weer anderen scheren en wasschen zich.
Tegen 7 uur ga ik naar den Commandopost en ontvang de orders voor den nacht. De kapitein vergunt me den nacht door te brengen in de boerderij van den landbouwer Lodder, gelegen op het kruispunt aan Friesche- en Weteringsteeg.
Na terugkeer in het sectieverband, heb ik de groepscommandanten hiervan verwittigd en verder alle voorzorgsmaatregelen voor den nacht genomen.
Sergeant Goossen zal mij in geval van onraad dadelijk laten roepen.
Patrouilles behoeven niet meer worden uitgezonden, doch Goossen stelt een luisterpost op bij de hekversperring.
Wanneer alles goed verzekerd is, zoek ik een geschikte slaapgelegenheid in de woning van Lodder.
12 Mei 1940.
--------------
Geen enkele gebeurtenis van belang heeft zich in en bij de groepsversterkingen voorgedaan. De vermoeidheid, door het aanhoudend waken, is bij allen te bespeuren en de slaap doet zijn rechten gelden.
De voormiddag gaat met beurtelings waken en slapen om.
Maar 's middags wordt het anders.
Telkens verschijnt er boven onze stellingen een vijandelijk vliegtuig; herhaaldelijk komt het boven onze versterkingen neuzen.
Veel goeds voorspelt dat niet. Risico mag ik niet nemen en stuur ordonnansen naar de golfbreker en de groep Bruinewold, met opdracht: de gedragingen van het vliegtuig in 't oog te houden en voorshands niet buiten de versterkingen te komen dan in uiterste noodzaak. Ik vrees namelijk gericht artillerievuur. Mijn voorgevoel schijnt me niet te bedriegen, want eerst nu begint het spel goed.
Voor en achter de stelling van Goossen slaan projectielen in. Elders schijnt dat in gelijke mate het geval te zijn, want het geschut dondert overal.
De manschappen zoeken instinctief de onderkomens op. Een scherf valt ritselend naast me, langs het talud, in de loopgang; het metaal is nog heet, doch niet zóó, dat ik het uit de hand moet laten vallen.
Ook onze artillerie roert zich.
Duidelijk zien we in de richting van de "Hooilanden" de projectielen inslaan. In het veld bewegen zich gestalten.
Ik wil er meer van weten en laat daarom wat opgaand hout aan de oostkant van de stelling wegkappen.
De afstand is te groot, om te onderscheiden, of het vriend of vijand is.
Lang behoef ik niet in onzekerheid te verkeeren, wanneer een soldaat, heelemaal overstuur, bij mij in de stelling komt. Wapens heeft hij niet meer bij zich en zijn handen zijn bebloed en bemodderd.
Huilende roept hij uit, dat zijn kameraden en hij zoowel van voren als van achteren beschoten werden. Ik neem hem mee in de woning van Van Laar en tracht hem tot bedaren te brengen, door hem wat te drinken te geven.
"Ik woon in Achterberg en ben in de omgeving goed bekend".
"Het is mij gelukt uit "die Hel" te ontkomen, maar mijn kameraden, dáár, komen er niet meer uit".
Op mijn vraag tot welk regiment hij behoort, antwoordt hij: "Ik ben van het achtste".
Ik vind het een zeer onaangename geschiedenis, want aan de groep is dat alles niet ontgaan en het maakt een ontmoedigende indruk.
Door al die snel opeenvolgende gebeurtenissen heb ik alle begrip voor tijd verloren.
Hoe laat het was, weet ik niet meer nauwkeurig, maar 's avonds - het kan ook evengoed des nachts zijn geweest - komt er bevel, dat we terug moeten trekken op het kruispunt: Friesche Steeg/Weteringsteeg.
De zware mitrailleurs trekken eveneens weg naar bedoeld kruispunt.
Daar hebben we den geheelen nacht gelegen in afwachting van nadere bevelen.
13 Mei 1940.
--------------
Het wordt een wachten zonder eind. Daarbij komt nog, dat we niets kunnen uitvoeren, omdat de toestand te onoverzichtelijk is geworden. Naar mijne meening zal het tegen 4 uur in den nacht zijn, als er bevel komt terug te trekken langs de weteringsteeg in Noord-Westelijke richting. Vóór mij uit gaat de compagnie van den kapitein Vahl en de 2de sectie van onze compagnie sluit zich bij mij aan.
Ik meld mij met deze sectie bij kapitein Vahl en zeg, dat ik mij onder zijn commando stel.
Een flink eind zijn we de Weteringsteeg ingetrokken, met afwisselend halt houden en doormarcheeren.
Wie het bevel daartoe geeft, weet ik niet, maar ineens moeten we weer terugtrekken en de plaatsen in de verlaten stellingen innemen.
Ook dat is van korten duur, want nu moeten we weer stelling nemen bij het kruispunt aan de Friesche-/Weteringsteeg.
Mijn kapitein komt zelf ter plaatse en draagt me op met de sectie over een afstand van 300 meter, front Oost, ingravingen te verrichten. Terstond wordt hiertoe overgegaan en het werk vordert geregeld. De arbeid wordt na eenigen tijd onderbroken bij de komst van versterkingstroepen.
Ik verneem van een der bevelvoerende officieren, dat ze ons komen versterken en daartoe uit Druten zijn gekomen. Hij vraagt me, waar hij zijn manschappen het beste in kan zetten. Terstond voel ik, dat ze in het terrein niet zoo bekend zijn als wij, en daarom stel ik hem voor met een gedeelte van zijn manschappen de werkzaamheden van mijn sectie over te nemen en vervolgens gezamenlijk naar de door ons verlaten stellingen terug te keeren.
Aanhoudend komen er meer versterkingstroepen en om en bij de stellingen wordt het een doelloos heen en weer geloop.
In de schuilplaatsen van de zware mitrailleurs groept een 20-tal mannen samen en staan in een beperkte ruimte naar een niet gesprongen projectiel te kijken.
Ik donder hun toe de schuilplaatsen onmiddellijk te verlaten en hun taak op te vatten, waarvoor ze hier gekomen zijn. Mijn groepen hebben intusschen hun plaatsen weer in de versterkingen ingenomen.
Een luitenant van een sectie zware mitrailleurs vraagt mij, waar hij zijn sectie met succes het beste op kan stellen.
Ik adviseer hem bij de afgebrande boerderij van Boonzaaijer post te vatten, daartoe langs de kruiploopgraven naar voren te gaan en eerst met den sergeant Lunenberg, groepscommandant van de golfbreker, overleg te plegen.
De luitenant volgt mijn advies op en vertrekt in de door mij aangeduide richting. Een zijner manschappen wordt in de kruiploopgraven gedood.
Het is ongeveer een uur in den namiddag. Een sergeant meldt me, dat ik terugtrekken moet. Ik antwoord hem, dat ik alleen terugtrek op schriftelijk bevel en druk hem op zijn gemoed dit letterlijk over te brengen.
Tegen half twee keert de luitenant van de sectie zware mitrailleurs bij mij in de stelling Goossen terug.
Hij vraagt me zorg te willen dragen voor den gevallene uit zijn afdeeling. Ik weiger daaraan gevolg te geven.
De luitenant deelt me verder mee, dat hij van zijn kapitein opdracht heeft terug te trekken, waaraan hij uitvoering geeft tegen kwart over twee.
Ik verken verder de omgeving en constateer, dat vele stellingen verlaten moeten zijn. Inmiddels trekt de groep van sergeant Lunenberg uit de Golfbreker langs de kruiploopgraven terug naar de groep Goossen. Nu alles aan de rechterflank verdwenen schijnt te zijn, wordt het voor mijn sectie tijd mijn positie te beraden.
De sergeant Lunenberg verklaart mij - en dat was ook de zienswijze van den luitenant, dat de vijand in grooten getale kwam opzetten uit de richting van de Kruiponder.
Deze berichten waren voor mij het sein, om eveneens terug te trekken, teneinde geen kans te loopen het verband met de terugtrekkende compagnie te verliezen door eene eventueele omsingeling.
Ik heb den sergeant Lunenberg opdracht gegeven zich van het juiste uur te vergewissen en daarvan aanteekening te houden. De sergeant Goossen was hierbij aanwezig.
Precies half drie zijn we teruggetrokken, dwars door het begroeide terrein in de richting van de Weteringsteeg en zijn deze in Noord-Westelijke richting gevolgd. Ook nu weer ging de compagnie van den kapitein Vahl vóór mij uit.
Links van den weg lag een dood paard en rechts van den weg waren uit de boomen takken afgerukt door het artillerievuur, dat ons op de terugtocht bestookte en goed scheen ingeschoten. Gevulde patroontrommels lagen langs den weg en in de sloot.
Plotseling sloeg er voor mij op 10 passen een projectiel midden in den weg en doodde eenige manschappen, die voor mij uitliepen.
Ik meen, dat het er een vijftal waren van de Compagnie van kapitein Vahl. [J. Brakke, J. Gottemaker, D.J. Guchelaar, G. Nijland en J. Smit]
Eenige manschappen van mijn sectie, die met groote afstanden van elkaar marcheerden, zijn opgelost tusschen andere groepen en verloren het verband. Ze zijn later in vijandelijke handen gevallen en in krijgsgevangenschap naar Duitschland weggevoerd.
Met de overige manschappen kreeg ik contact met de rest van de compagnie en gezamenlijk zijn we toen doorgemarcheerd naar den weg Elst-Amerongen, dicht bij Veenendaal.
In een boschcomplex - bij de schietbanen, hebben we ons zoo goed en zoo kwaad het ging, ingegraven tot de duisternis ons kwam overvallen.
Naar schatting waren daar vereenigd plus minus 350 officieren, onderofficieren en manschappen.
Aan een verder doortrekken naar Amerongen waren groote moeilijkheden verbonden, want het "gerucht" ging, dat Amerongen reeds door den vijand bezet was.
Mijn compagniescommandant draagt me op gedurende den nacht den weg af te sluiten met twee lichte mitrailleurs en met de manschappen, die mij verder ten dienste staan eene beveiliging in te stellen ten behoeve van het rustende gedeelte. Ik beschik over plus minus 50 man, waaronder een groep van 10 man, afkomstig van het 29 R.I. waarbij een adjudant-onderofficier. Dan is er nog een tiental manschappen, onder commando van een sergeant-majoor-instructeur uit Ede.
Met den vinger aan de trekker hebben we 's nachts de dingen afgewacht, die mochten komen. Een vuurgloed verlichtte den hemel boven Rhenen.
Het is drie uur in den ochtend, als de omtrekken van de boomen in de Prattenburgsche bosschen zichtbaar worden.
14 Mei 1940.
--------------
Om half vier in den morgen werden de compagnieën verzameld, en begunstigd door het dichte bladerdak van de boomen en een lichte nevel, zetten we onze terugtocht voort langs het kasteel Prattenburg, Amerongen, Amerongsche Berg in de richting van de straatweg Woudenberg-Zeist.
De vermoeidheid van de troep was oorzaak, dat er traag werd opgeschoten.
Op ongeveer 4 kilometer van Zeist hebben de Officieren - na rijp beraad - het noodig geoordeeld kader en manschappen op het onhoudbare van hun positie te wijzen en het maar beter geoordeeld de wapens neer te leggen en ons aan den vijand over te geven, die bereids Zeist binnengetrokken was.
Vervolgens hebben we ons van onze wapens ontdaan. Intusschen werd aan den sergeant-majoor-instructeur, in dit verslag reeds genoemd, opdracht gegeven zich naar Zeist te begeven en aldaar contact te zoeken met de Duitsche bezettingstroepen. Dit gelukte inderdaad en na eenigen tijd verschenen een of meer Duitsche Officieren en minderen en stelden zich in verbinding met onze Officieren. De door ons getroffen maatregelen schenen in goede aarde te zijn gevallen en op prijs gesteld.
In den namiddag trokken we Zeist binnen onder gewapend geleide van eenige gegradueerden van de Duitsche weermacht.
Vóór het gemeentehuis van Zeist werd halt gehouden en op dat terrein, afgebakend met touwen, werd ons eenige bewegingsvrijheid vergund. Door de zorg van het gemeentebestuur van Zeist werd ons een broodmaaltijd verstrekt.
Later in den avond vernamen we de capitulatie.
Nog denzelfden avond zijn we onder hetzelfde gewapende geleide afgemarcheerd naar het Stationsgebouw van de Zeister-Spoorweg Maatschappij en brachten den nacht door in de wachtkamers.
15 Mei 1940.
--------------
In den loop van den dag zijn we met ongeveer 155 Officieren, onderofficieren en manschappen ondergebracht in een wijkgebouw bij de Gereformeerde Kerk aan de Gerolaan; een ander deel in een gebouw aan de Schaarweide.
J. Mooijweer.
Reserve adjudant-onderofficier.
Daltonstraat 43.
|
