Den nacht van 9 op 10 Mei 1940 hebben de Kapitein BRANDT en ik doorgebracht op het regimentsbureau Jeugdherberg om op alle gebeurlijkheden voorbereid te zijn.
In den vroegen morgen, nadat den geheelen nacht vliegtuigen waren overgevlogen, werd het bericht ontvangen van graad van strijdvaardigheid 4.
Onmiddellijk daarop werden maatregelen getroffen, dat de stelling volledig kon worden bezet.
In den regimentscommandopost werd onmiddellijk telefonisch contact opgenomen met de onderdeelen en werd aan commandopost IVe Divisie bericht gegeven van het bezetten van de volledige bezetting van de stelling.
Op 11 Mei werd de commandopost verplaatst van schuilplaats 1, naar schuilplaats 3, welke laatste eerst alleen voor legering van officieren bestemd was, omdat de eerstgenoemde schuilplaats zeer ongunstig gelegen was ten aanzien van een eventueele overval door parachutetroepen uit de boschrand achter de oude Grindweg.
Later bleek deze maatregel zeer juist te zijn geweest, in verband met de vijandelijke artilleriebeschieting op de commandopost, waardoor zware scherven juist voor schuilplaats 1 zijn ingeslagen, welke een gedeelte van de daarvoor gelegen scherfvrije keuken heeft doen instorten.
In den nacht van Zaterdag op Zondag vond een artillerieduel plaats, waaraan van eigen zijde deelnam de achter onze commandopost geplaatste 10 veld.
Intusschen werden verschillende berichten van de bataljons ontvangen terwijl ook verschillende malen zelf telefonisch gegevens gevraagd werden betreffende eigen toestand en vijand.
Zondagmiddag vond een artilleriebeschieting door de 10 veld plaats.
Toen ik mij, na deze beschieting door de schuilloopgraaf verplaatste, schoot de vijandelijke artillerie op de stellingen, waarschijnlijk met de bedoeling de 10 veld buiten gevecht te stellen.
Een voltreffer sloeg in tusschen de schuilloopgraaf en de Oude Grindweg. Eenige scherven kwamen in mijn nabijheid terecht, waardoor mijn polshorloge beschadigd werd, zoodat mij verder omtrent de juiste tijdstippen niets bekend is.
Tijdens deze artilleriebeschieting ben ik in schuilplaats 2 gebleven, vooral omdat een gedeelte van de loopgraaf loodrecht op de aanvalsrichting van de tegenpartij lag.
Gedurende dezen dag kwam het bericht van de IVe Divisie over een tegenaanval van enkele bataljons onder commando van Luitenant-Kolonel LAND welke tegenaanval in den loop van den volgenden morgen bij het ochtendgloren zou plaats hebben.
In den avond kwam in de regimentscommandopost een officier van een van deze bataljons, naar ik meen van de Jagers.
Dit Bataljon was gelegerd langs de Grindweg.
Deze officier vroeg inlichtingen omtrent de aanvalsrichting en de opstellingen van de eigen partij.
Na het vertrek van dezen officier heeft weer een Duitsche artilleriebeschieting plaats gevonden, waarschijnlijk met de bedoeling de opstellingen van de 10 veld buiten gevecht te stellen. Enkele treffers zijn daarbij op den Grindweg ingeslagen, want enkele oogenblikken later werden verschillende gewonden in onzen commandopost binnen gedragen en daar verbonden.
Verwarrend werkte, vooral bij duisternis het dagelijks afwisselende gebruik van wachtwoord en herkenningsteeken, zoodat de soldaten vooral bij duisternis onmiddellijk met de wapens klaar stonden en het alleen door krachtig ingrijpen mogelijk was veel ongelukken te voorkomen.
Zoo gebeurde het, dat Zondag tegen middernacht een korporaal-ziekendrager in de regimentscommandopost werd binnengebracht, die een schotwond gekregen had dichtbij de hartstreek. Deze was door den bataljonsarts van III-19 R.I. gezonden naar de commandopost met een bericht. Bij de regimentscommandopost riep iemand - in het donker kon hij niet zien of het een soldaat was - hem toe, dat hij het woord moest zeggen. Hij heeft dit gezegd, waarop onmiddellijk werd geschoten, onder mededeeling dat dit het wachtwoord niet was.
Degene, die geschoten had, verdween onmiddellijk daarop in de duisternis. In de regimentscommandopost heeft de korporaal verteld wat hem overkomen was. Het wachtwoord was blijkens de ontvangen bevelen juist. Later bleek, dat een Bataljon, hetwelk zich langs den Grindweg verplaatste ook een ander wachtwoord had, naar ik meen: "slotgracht".
Dit bataljon behoorde tot een andere divisie.
Maandagmorgen kwam een bevel, dat ingaande 8.00 uur het wachtwoord: "slotgracht" was! Dit wachtwoord was blijkbaar de vorige avond reeds bij het bataljon, dat een tegenaanval zou doen, uitgegeven.
Een dergelijke situatie werkte natuurlijk zeer verwarrend.
In den voornacht van Zondag op Maandag terwijl Kapitein Brandt en ik, bij de telefoon waakten, kwam een telefonisch bericht binnen van III-19 R.I. De Kapitein Brandt heeft toen een gesprek gevoerd met den Luitenant-adjudant van dat Bataljon. Wat deze zeide heb ik niet gehoord, maar wel heb ik gehoord, dat de Kapitein Brandt zei, dat III-19 R.I. het nog een paar uurtjes moest uithouden dan zou het wat lichter zijn en zou tevens de tegenaanval plaats hebben.
Deze zou oorspronkelijk plaats hebben te 5.00 uur.
Het zal toen 3.00 uur geweest zijn. Kapitein Brandt en ik hebben toen den toestand besproken, omdat wij uit dit telefoongesprek noodzakelijk moesten opmaken, dat de toestand bij III-19 R.I. precair geworden was.
In den loop van den volgenden morgen kwam een van de officieren van de IVe Divisie in de commandopost om naar den algemeenen toestand te informeeren. Deze heeft toen nog telefonisch gesproken met den luitenant-adjudant van III-19 R.I. om te informeeren naar de aanvallende bataljons onder commando van Luitenant-Kolonel Land.
Later kreeg ik opdracht om voor hem de IVe Divisie op te bellen. Deze verbinding is niet tot stand gekomen, zoodat vermoed werd, dat zij toen reeds verbroken was.
Deze verbinding is voorzoover mij bekend is later ook niet meer tot stand gekomen.
Gevraagd naar den toestand van 8 R.I. vertelde deze officier dat hiervan niets meer gehoord was.
De verbinding tusschen IVe Divisie en de regimentscommandopost 8 R.I. was verbroken zoodat vermoed werd, dat deze commandopost omsingeld was en het overgebleven deel van 8 R.I. opgenomen was in een ander onderdeel.
's Middags, naar mijn meening ongeveer omstreeks 12.30 uur heeft Kapitein BRANDT III-19 R.I. opgebeld en heeft toen gesproken met den luitenant-adjudant.
Wat deze gezegd heeft is mij niet bekend, maar wel is mij bekend, dat de Kapitein BRANDT onmiddellijk na dit telefoongesprek gezegd heeft, dat III-19 R.I. het niet langer kon houden.
Daarna is de geheele situatie onder de oogen gezien, waarbij het volgende naar voren kwam.
De gegevens van 8 R.I. waren verontrustend, III-19 R.I. kon het niet langer houden; in dit geval zou de regimentscommandopost 19 R.I. volkomen in de lucht hangen, omdat I-19 R.I. meer in Noordelijke richting gelegen was.
Na een bespreking tusschen Commandant 19 R.I. en den kapitein-adjudant gaf de laatste ongeveer 13.00 uur opdracht de regimentscommandopost te verlaten, omdat deze zou worden verplaatst in verband met den toestand. Ik kreeg opdracht alle geheime papieren, welke niet medegevoerd konden worden [te verbranden?].
Ik heb op zekeren afstand gehoord, dat de Kapitein BRANDT aan den Commandant regimentspatrouille opdracht gaf aan Commandant I-19 R.I. mede te deelen, dat de regimentscommandopost werd verplaatst. Ook is getracht dit bericht telefonisch door te geven aan III-19 R.I., welke verbinding niet tot stand is gekomen, evenals die met de IVe Divisie. Daarna heeft de regimentsstaf zich verplaatst naar de kunstweg ELST - Veenendaal en vandaar in de richting Elst.
Toen Commandant 19 R.I., Kapitein BRANDT en ik op het kruispunt kunstweg Elst - Veenendaal - Franscheweg de situatie bespraken, stopte in onze onmiddellijke nabijheid een trekker van een pag.onderdeel. We zagen, dat de Majoor WEBER, Commandant III-19 R.I. hieruit stapte. Deze bewoog zich strompelend over den weg in onze richting en viel struikelend om den hals van den Kapitein BRANDT met de uitroep: "BRANDT, nu is alles afgeloopen", tenminste woorden van deze strekking. Hieruit trokken wij onmiddellijk de conclusie, dat de toestand van III-19 R.I. zeer precair was, vooral omdat de Majoor physiek uitgeschakeld moest worden. De Kapitein BRANDT heeft met hem gesproken en hem eenigszins gekalmeerd.
Toen we uit Elst wegtrokken om door de bosschen naar Amerongen te gaan, kreeg ik van den Kapitein BRANDT opdracht den Majoor WEBER op mijn rijwiel te vervoeren. Dit bleek door het lichaamsgewicht onmogelijk, zoodat daarna de motorordonnans GEERDINK, J opdracht kreeg den Majoor naar Amerongen te brengen.
Toen we bij Amerongen op den weg Amerongen - Elst terecht kwamen zijn Kapitein BRANDT en ik teruggegaan in de richting Elst. Bij de eerste huizen in Elst vroeg Kapitein BRANDT aan een sergeant-majoor die uit tegenovergestelde richting kwam, hoe de toestand in Elst was. Deze zeide toen, dat er in Elst niets meer zat. Onmiddellijk daarna reed de regimentsauto ons achter op, waarvan de chauffeur ons zeide, dat Kapitein BRANDT zich bij Commandant 19 R.I. moest melden te Amerongen. Teruggekomen in Amerongen zagen we aan den ingang van het dorp den Luitenant-Kolonel SMITS, Commandant 19 R.I. met Kolonel van Loon, Commandant IVe Divisie en Kolonel Nijland, Commandant Brigade B.
Hier ontvingen we van Commandant 19 R.I. bevel terug te gaan naar Elst. In Elst aangekomen troffen we daar enkele officieren van de IVe Divisie aan met enkele troepenonderdeelen op het kruispunt kunstweg Amerongen - Elst = Elst - Veenendaal (hotel Rustoord). Daarna hebben we stelling genomen in de tuintjes achter de huizen aan den kunstweg Elst - Veenendaal. Nadat we hier eenigen tijd gebleven zijn, in welke tusschentijd in de tuintjes een begin werd gemaakt met het opwerpen van een dekking, werd de opdracht ontvangen terug te trekken naar Amerongen. In Amerongen werd het bevel ontvangen terug te trekken naar COTHEN. Toen we daar aangekomen waren, moesten we verder naar HONSWIJK.
In het fort aangekomen hebben de reserve 1e Luitenant ROOSE en ik de situatie van het fort opgenomen, daar de Kapitein BRANDT in verband met de bespreking met een officier van IIe Legerkorps nog niet aangekomen was. Van de ligging en bestemming van het fort hebben we niet veel begrepen, vooral ook, omdat geen kaarten aanwezig waren. De officier van de Torpedisten, die het fort moest overgeven aan Commandant 19 R.I. kon ons evenmin inlichtingen verstrekken, daar hij enkele dagen tevoren het fort had moeten bezetten. In den loop van den dag kwam de Kolonel NIJLAND met zijn Chef van den Staf in het fort, die mij vroeg, welk onderdeel in het fort gelegerd was. Toen ik daarop antwoordde, dat het overgebleven personeel van enkele onderdeelen van 19 R.I. aanwezig was, zei hij tegen mij dat het niet de bedoeling was en waarschijnlijk berustte op een vergissing. De Chef van den Staf toonde daarop een kaart van fort HONSWIJK en omgeving, waarop gearceerd was aangegeven, dat het fort en naaste omgeving bezet moest worden door de Brigade B. 's Middags kwam 11 G.B. onder commando van Kapitein BOERS in het fort aan. In den loop van den middag kwamen de reserve 1e Luitenant van DEVENTER met de motorordonnansen MEIJER en GEERDINK JOHANNINK, allen van Staf 19 R.I., terug van IVe Divisie met de mondelinge mededeeling, dat de Opperbevelhebber der Land- en Zeestrijdkrachten de capitulatie had aangeboden. Om zekerheid te krijgen zond Commandant 19 R.I., den Majoor WEBER met 2 officieren, namelijk de reserve 1e Luitenant van Deventer en Roose naar Commandant IVe Divisie om deze mededeeling schriftelijk te mogen ontvangen. Deze officieren zijn niet teruggekeerd.
De tijd van afwachting en onzekerheid, welke we daarna in het fort hebben doorgebracht werkte zeer demoraliseerend. Het bleek dat 11 G.B. de wapenen op de binnenplaats van het fort reeds had neergelegd. Toen daarna Commandant 19 R.I. informeerde, bleek, dat 11 G.B. het bericht van de capitulatie ontvangen had van Commandant Brigade B. Hierna heeft ook 19 R.I. voor zoover in het fort aanwezig de wapenen neergelegd en zijn wij in krijgsgevangenschap weggevoerd.
Achterberg, 9 Juli 1940.
de reserve 1e Luitenant
(get.) Ch. van Kammen.