Verslag van reserve-eerste luitenant H. Lindeman
HOOFDREGELINGSBUREAU
REGELINGSBUREAU LANDMACHT
Afdeeling I C.
-------
Nr. 2165 / '41.
Onderwerp:
Krijgsgeschiedenis.
---
's-Gravenhage, 6 November 1941.
Willem Lodewijklaan 1.
Ik verzoek U, mij een verslag te doen toekomen van de wederwaardigheden van Uwer Sectie tijdens de oorlogsdagen in 1940, in het bijzonder van 12 Mei en verder.
Een en ander is noodig in verband met een juiste beschrijving der krijgsgeschiedenis.
Den Generaal-Majoor,
o.l. de Luitenant-Kolonel van den Generalen Staf,
(get.) V.E. Nierstrasz.
Aan
Reserve 1e Luitenant H. Lindeman
Kinderdijkstraat 22-II
Amsterdam-Zuid
==========================================================================
19e Compagnie Mortieren
(2e Sectie, ingedeeld bij I-19 R.I. tevens 3e Sectie.)
Onderwerp:
Krijgsgeschiedenis.
Amsterdam, 10 November 1941
In antwoord op Uw schrijven Nr. 2165 van 6 dezer doe ik U onderstaand een verslag toekomen van de wederwaardigheden der onder mijn commando staande sectie gedurende de oorlogsdagen van 10 t/m 14 Mei 1940:
Mijn sectie, welke ingedeeld was bij I-19 R.I., was de 2e Sectie der 19e Compagnie Mortieren en had op 10 Mei 1940, vroeg in den morgen, haar stelling betrokken aan de Middelbuurtsche weg nabij Veenendaal en heeft in de periode van 10 t/m 13 Mei éénmaal een vuur afgegeven op een punt aan de overzijde der inundatie, namelijk waar het Maanderdijkje uitkomt op de Bisschop Davidsgrift, alwaar zich een vijandelijke patrouille zou hebben bevonden. Voorts waren wij op een afstand getuige van eenige artillerieduels en zijn eenige granaten in de nabijheid van de stelling mijner sectie ontploft. In den loop van den 12en en 13en Mei constateerde ik een duidelijk waarneembare daling van het inundatiepeil, vanuit mijn uitkijkpost. In den loop van den 13en Mei werd een Stuka-aanval ondernomen op een punt in de richting van Rhenen, eenige kilometers van mijn stelling verwijderd.
In den morgen van den 13en Mei ontving ik bericht mijn sectie tot verlaten der stelling gereed te maken, daar de vijand een doorbraak in de Grebbelinie geforceerd zou hebben en een tegenaanval van eenige bataljons onzerzijds mislukt zou zijn, waardoor onze positie gevaar liep. In den namiddag, het zal tusschen 15 en 16 uur geweest zijn, kwam het bevel tot verlaten der stellingen. Het geheele bataljon trok terug in de richting Veenendaal langs de Middelbuurtsche straatweg. Gedurende deze terugtocht voegde zich bij mijn sectie de andere sectie Mortieren, welke eveneens bij I-19 R.I. ingedeeld was en onder commando van een sergeant stond (de 3e sectie 19e Compagnie Mortieren). In Veenendaal aangekomen kreeg ik van den commandant der compagnie, in wiens vak ik mijn stelling had, opdracht om stelling te nemen bij een complex huizen in de nabijheid van het station Veenendaal en met beide secties vuren uit te brengen op het bataljonsmunitiedepot van I-19 R.I., op 2 kilometer afstand gelegen aan den spoorweg Veenendaal-Rhenen en op de compagnies-munitie- en voedselbergplaats gelegen in de Middelbuurt, in de omgeving van de stelling, welke ik had moeten verlaten, op ruim 1 kilometer afstand, met het doel deze zoo mogelijk te vernietigen. Deze vuren moeten ongeveer tusschen 17 en 18 uur afgegeven zijn.
Nadat eenigen tijd verloopen was met het verbeteren der opstellingen kreeg ik van een artillerieofficier eener batterij, welke zich achter mijn opstelling bevond, aanwijzing om een andere positie te kiezen, daar ik mij met beide secties mortieren temidden van munitiebergplaatsen bleek te bevinden, waartoe de omgelegen woonhuizen blijkbaar waren ingericht. Hiervan moest ik kennis geven aan den commandant bij wiens onderdeel ik ingedeeld was. Ik zond daartoe eenige manschappen uit, maar deze bleken niet in contact te kunnen komen met de bewuste compagnie van I-19 R.I., daar deze zich niet meer op de mij aangewezen plaats bleek te bevinden. Toen heb ik zelf gepoogd contact te krijgen, maar ik trof geen militairen van I-19 R.I. meer aan. Blijkbaar had dit bataljon een andere opstelling ingenomen zonder daarvan aan mij kennis te geven. Ik besloot daarom met beide secties op te trekken langs binnenwegen evenwijdig aan den straatweg Veenendaal-Elst in de hoop de verloren verbinding met I-19 R.I. weer te kunnen herstellen. Halverwege Veenendaal-Elst stuitte ik op onderdeelen van III-19 R.I., welke uit hun stellingen nabij Achterberg waren teruggetrokken. In de hier aanwezige bosschen werden we eenige malen door laagvliegende vijandelijke vliegtuigen met mitrailleurs beschoten. Tezamen met eenige groepen van III-19 R.I. ben ik tijdens het vallen van den avond door de bosschen getrokken in de richting van den hoofdweg Rhenen-Amerongen, waarop naar verluidt zich de regimentsstaf van 19 R.I. moest bevinden, waarbij ik mij wenschte aan te sluiten. Ik marcheerde met de 3e sectie mortieren; mijn eigen sectie, de 2e, marcheerde voor mij uit. Het was geheel donker geworden, toen we op den straatweg Rhenen-Amerongen, nabij Amerongen uitkwamen. Deze weg was vol terugtrekkende troepen, artillerie, wielrijders en infanterie. Van een zich op het kruispunt, waarop wij op den hoofdweg uitkwamen, bevindenden officier kreeg ik opdracht om via Doorn en Neerlangbroek naar Cothen te marcheeren, alwaar zich het 19e Regiment Infanterie verzamelen moest. De geheele nacht heb ik doorgemarcheerd en circa 3 uur 's nachts kwam ik te Cothen aan. Daar bevond zich de regimentsstaf en van den kapitein-adjudant vernam ik, dat ik naar fort Honswijk doormarcheeren moest. Een groot gedeelte der troepen werd per transportwagen of rijwiel vervoerd, maar daar mijn secties mortier- en munitiekarren meetrokken en tevens eenige wagens door paarden getrokken, beladen met munitie en noodrantsoenen, meevoerden, moesten wij den geheelen afstand naar Honswijk te voet afleggen. Via Wijk bij Duurstede en langs den rivierdijk kwam ik met de 3e sectie van de 19e Compagnie Mortieren om ongeveer 8 uur in den morgen van den 14en Mei in fort Honswijk aan. Mijn eigen sectie, de 2e, was eenigen tijd eerder gearriveerd. Beide secties hadden geen verliezen. Hetgeen den 14en Mei tot aan de capitulatie in fort Honswijk geschiedde, mag ik wel als bekend veronderstellen. Wat betreft de onder mijn commando staande sectie hebben zich dien dag geen bijzonderheden voorgedaan.
De Reserve 1e Luitenant
(get.) H. LINDEMAN.
Aan:
Hoofd Regelingsbureau Landmacht
Afdeeling Ic
's Gravenhage
|
