Verslag van reserve-eerste luitenant J.H.C. Valckenier Kips
HOOFDREGELINGSBUREAU
REGELINGSBUREAU LANDMACHT
Afdeeling I C.
-------
Nr. 1722.
Onderwerp:
Krijgsgeschiedenis.
---
's-Gravenhage, 11 Augustus 1941.
Willem Lodewijklaan 1.
Ik zal het op prijs stellen, een zoo gedetailleerd mogelijk verslag van U te mogen ontvangen nopens hetgeen U met Uw Peloton heeft beleefd op den Grebbeberg. Hoewel ik in groote trekken een overzicht over het gebeurde heb, is het gewenscht voor het zoo juist mogelijk beschrijven van de krijgsgeschiedenis, indien over de ervaringen van de Pelotonscommandanten wordt beschikt.
Hierdoor wordt het mogelijk, mededeelingen van derden tot hun juiste proporties terug te brengen.
Zoo meldt bijvoorbeeld de Commandant van I-24 R.I. (een reserve kapitein) dat na het overschrijden van het viaduct bij Rhenen, - ongeveer 19.00 – 19.30 uur - zijn aandacht getrokken werd door een vlucht wielrijders (huzaren) van de Grebbeberg. Hij zou met zijn luitenant-adjudant en een paar man deze met het pistool hebben tegengehouden. Er was een luitenant bij met een dubbele naam, die hem ontschoten is, aan wien hij zou hebben gelast, zijn menschen te verzamelen, zijn rechter flankdekking te vormen en zijn oorspronkelijke opdracht uit te voeren.
Aangezien bedoelde reserve kapitein vermoedelijk het op bevel teruggaan verwart met vlucht, verneem ik in Uw verslag gaarne, of U de bedoelde luitenant was; hoe zich een en ander heeft afgespeeld.
Ook verneem ik gaarne, wat U ter plaatse omtrent den algemeenen toestand heeft waargenomen; welk contact U met andere troepen had, wat zich daarna met Uw Peloton achter de spoorbaan heeft afgespeeld.
Heeft U destijds iets bemerkt van den stoot, welke een Duitsche afdeeling kort na het invallen van de duisternis deed langs den kunstweg, welke afdeeling de groote verwarring heeft gesticht, die bij het viaduct heerschte en welke afdeeling zich genesteld heeft in (den rug van de Stoplijn) in de omgeving van de fabriek de Stoomhamer, tegenover het viaduct gelegen.
Wat heeft U in Uw omgeving van andere onderdeelen waargenomen; kunt U namen noemen van officieren, met wie U contact heeft gehad en wat ook van bijzonder belang is, kunt U met zekerheid der tijdstippen noemen, waarop bepaalde gebeurtenissen zich hebben afgespeeld?
Zoo mogelijk verneem ik tevens gaarne de namen en adressen van Uwe ondercommandanten.
Den Generaal-Majoor,
o.l. de Luitenant-Kolonel van den Generalen Staf,
(get.) V.E. Nierstrasz.
Aan
Reserve 1e Luitenant J.H.C. Valckenier Kips
Coehoornsingel 54
Zutphen
==========================================================================
J.H.C. Valckenier Kips
1e Luitenant Huzaren buiten dienst
Coehoornsingel 54
Z U T P H E N.
----------------------------
Zutphen 23 September 1941.
In antwoord op Uw schrijven d.d. 11 Augustus 1941, Afdeeling 1 C. No. 1722, onderwerp krijgsgeschiedenis, heb ik hiermede de eer Uwe HoogEdelGestrenge onder aanbieding van eede aan te bieden, een zoo nauwkeurig mogelijk verslag, van hetgeen ik met de mijnen in de oorlogsdagen beleefd heb.
Zooals U bekend, lag het eskadron voor het uitbreken van den oorlog te Winssen. Op Donderdag 9 Mei 1940 ongeveer 22 uur, kwamen de eerste alarmeerende berichten binnen. Volgens te voren opgestelde bevelen, werden daarop de orders van Staf Brigade B uitgevoerd in casu verhoogde en volledige strijdvaardigheid, springladingen en versperringen aanleggen, etc.
Op 10 Mei 1940 pl.m. 3.30 uur, werden de eerste Duitsche vliegtuigen gehoord. Om pl.m. 6 uur werd bericht ontvangen, dat Nederland met Duitschland in oorlog was (groote hoeveelheden, honderden vliegtuigen, waren toen reeds overgevlogen, krachtig afweergeschut was gehoord en het eskadron was gealarmeerd), om pl.m. 7 uur, werd volgens de orders van Commandant Brigade B. afgemarcheerd naar Leeuwen. Om pl.m. 7.15 uur werd op de weg Winssen-Leeuwen ter hoogte van Deest de Luitenant der Huzaren Crommelin ontmoet, ordonnans officier van den Staf Brigade B, die het bevel overbracht, dat de Eskadrons-commandant met trein zich moest melden bij de Staf te Leeuwen ter beveiliging, terwijl het overige deel van het eskadron zich moest melden te Wijchen bij Commando Groep Maas en Waal voor het ontvangen van nadere bevelen.
De rest van het eskadron, was niet op sterkte, 3 pelotons ter sterkte van 2 pelotons, daar verscheidene kaderleden en manschappen ontbraken, die opdracht hadden, bruggen te vernielen en wegen af te sluiten, van welke opdrachten zij nog niet waren teruggekeerd.
Naar Wijchen kon de kortste weg niet gevolgd worden, tengevolge van het zooeven genoemde vernielen van bruggen en wegen. Derhalve werd genomen de weg over Winssen, Ewijk, Beuningen, Neerbosch en daarna in Zuidwestelijke richting naar Wijchen. Te Wijchen werd opdracht ontvangen van Commandogroep Maas-Waal, zich te melden bij Commandant I-26-R.I. te Over-Asselt. Er werd medegedeeld, dat het Eskadron troepen bij Heumen moest versterken, teneinde den overgang over het Maas-Waal kanaal, van den vijand aldaar te beletten.
Te Wijchen ontvingen wij een schriftelijk bevel van Commandant Brigade B., waarin ondermeer werd bericht, dat Nederland met Duitschland in oorlog was, wie onze bondgenooten waren en dat de brug bij Heumen niet vernield was.
Tijdens de marsch van Wijchen naar Over-Asselt moest van de toch reeds geringe sterkte, 1 peloton worden afgestaan, teneinde gevecht te leveren tegen parachutisten. Dit peloton sloot echter gelukkig weer snel aan, ingevolge bevel van Commandant I-26-R.I.
Te Over-Asselt, ontvingen wij de opdracht de te Heumen strijdende troepen te versterken en de brug te hernemen (!).
Bij aankomst te Heumen bleek dit dorp volledig geëvacueerd te zijn, troepen van eigen partij werden niet waargenomen, uitgezonderd één korporaal en 2 soldaten der Infanterie, die ons Oranjebanden uitdeelden, ter onderscheiding van den vijand. Zij wisten niet, wie en waar hun Commandant was en brachten ons van den Westrand van het dorp, waar de rijwielen werden achtergelaten, naar den Oostrand.
Het terrein tusschen het Maas-Waal kanaal en het dorp lag onder vuur, weshalve besloten werd, met 3 patrouilles te trachten contact met de eigen partij in de kazematten en de stellingen te verkrijgen en daarna een aanval op de brug te doen. Ik zelf ging met 2 groepen van mijn peloton langs den Noordelijken weg, de wachtmeester Snier met 1 groep langs den middelsten weg, de wachtmeester Dijkstra met 1 groep langs den Zuidelijken weg. Alles vanuit een café aan den Oostelijken uitgang van het dorp op het knooppunt van deze 3 wegen, alwaar ook de Commando-post gevormd werd. - Het bleek ons al ras, dat men ons den toestand wel een weinig rooskleurig had geschilderd. Immers men had ons medegedeeld, dat de brug slechts bezet was door een twintigtal vijanden en dat er geen artillerie in de nabijheid was. - Met mijn beide groepen naar voren gaande, ontdekte ik Noord van mij enkele in uniform gekleede personen, die echter geen Oranjeband om den linker-arm droegen. Ik gaf daarop beide groepen bevel, zoo krachtig mogelijk voorwaarts te blijven gaan, terwijl ik daarbij den Commandant van den linker (Noordelijke) groep, wachtmeester T. Koopmans, opdracht gaf, tevens naar het Noorden oplettend te blijven. Ik zelf begaf mij met mijn ordonnans, huzaar H.A. Buffinga, naar de door mij waargenomen personen.
Op pl.m. 30 meter van deze lieden genaderd, hebben wij hen aangeroepen, teneinde te weten te komen wie en wat ze waren. Ik kon niet meer uit hen krijgen, dan dat zij Nederlandsche Artilleristen waren, die bezig waren terug te trekken. Zij zeiden mij, dat nog iets meer Noordelijker een tweetal zware mitrailleurs had gelegen, die eveneens teruggetrokken waren. Intusschen hadden wij een zeer hinderlijk vuur ontvangen van achter een boerderij, gelegen tusschen het kanaal en Heumen, klaarblijkelijk was daar dus reeds de vijand. Wij hebben ons daarop weer naar mijn groepen begeven, die intusschen flink waren opgeschoten. Na korten tijd echter begon het vijandelijke vuur dusdanig toe te nemen, dat verdergaan een volkomen onmogelijkheid was. Ik stuurde daarop dit bericht naar achter en kreeg mededeeling, met mijn groepen terug te komen. Bij de Commando-post aangekomen, bleken daar de groepen Snier en Dijkstra reeds mede aanwezig te zijn; ook zij hadden niet verder naar voren kunnen gaan.
Vervolgens werd aan den Oostelijke uitgang van het dorp, nabij deze Commando-post, een stevige versperring gemaakt. Ongeveer tegelijkertijd kwam een nieuw bevel: "stand houden en den vijand beletten Heumen te bereiken. Eventueel vertragend gevecht voeren en versperringen aanbrengen, waarbij Wijchen pas te 18.00 uur mocht worden bereikt." De pelotons werden aan den Oostkant van Heumen in verdediging gebracht en een uitkijkpost in een huis aan den Oostrand gevormd. Van hieruit werden aan de overzijde van het kanaal branden waargenomen en werd geconstateerd, dat de spoorbrug bij Mook vernield was. Te ongeveer 13.00 uur hield het vijandelijke artillerie vuur op en werden soldaten waargenomen, aan den Westoever van het Maas-Waal kanaal. Een verkenningspatrouille werd uitgezonden onder wachtmeester Hermsen en even later nog twee, één onder mijzelven, waarbij ik de opdracht kreeg zoover mogelijk tegen het kanaal te verkennen en in ieder geval waar te nemen of de zooeven vermelde soldaten, eigen partij of vijand waren. Zeer korten tijd later, kwam de Oostrand van het dorp onder Artillerie-vuur, waarbij in de onmiddellijke nabijheid van mijn patrouille een granaat ontsprong, hetgeen tot gevolge had, dat de huzaren, Matser, zwaar- en Faber lichtgewond werden en nog enkele huzaren zeer licht. Wij hadden evenwel aan onze opdracht kunnen voldoen en wisten, dat de waargenomen troepen op den Westelijken oever vijandelijke waren. De gewonden werden mede teruggenomen.
Te 14.00 uur werden de pelotons uit Heumen teruggenomen, daar dit dorp thans onder artillerie-vuur kwam te liggen.
In de nabijheid van Over-Asselt sloot zich een samenraapsel van een dertigtal infanteristen, min of meer onder leiding van een Kapitein en eenige officieren bij ons aan. Eenigen tijd later, kwamen de pelotons een oogenblik onder vuur, waarschijnlijk van vijandelijke parachutisten in een bosch in de nabijheid van Over-Asselt.
De Wachtmeester Stertjan en de huzaar mitrailleurschutter van mijn peloton De Munnik, dekten hier op voorbeeldige wijze den terugtocht. Vervolgens marcheerden wij over Wijchen naar Batenburg, waar wij ons terug meldden bij Commandant I-26-R.I. en vandaar verder over Apeltern en Altforst naar Leeuwen, waar wij ons te ongeveer 24.00 uur terug meldden bij mijn Eskadrons Commandant.
Ik moge hier met uitzonderlijken lof vermelden, den Luitenant Mr. J.A.G. Baron de Vos van Steenwijk, die door rust en besluitvaardigheid op zijn o.h. een buitengewoon gunstigen invloed uitoefende.
----------
Op den 11en Mei werd gemarcheerd van Leeuwen naar Amerongen en aldaar gelegerd. Voor de krijgsgeschiedenis kwam hierbij niets van belang voor. Op den 12en Mei werd te 15.00 uur bericht ontvangen, dat ons eskadron zich onmiddellijk moest begeven richting Elst en Rhenen om te verkennen. Intusschen had zich mijn derde groep ook weer bij mij gemeld, zoodat mijn peloton, behoudens de 2 gewonden te Heumen, weer geheel compleet was.
Mijn peloton kreeg de opdracht, de voorhoede en beveiliging van het eskadron op zijn marsch te zijn.
Langs den kunstweg werd naar Rhenen gemarcheerd waarbij Elst vrij van vijand bleek te zijn. Ongeveer bij kilometerpaal 10 werd ik staande gehouden door den Kapitein Puffius, die mij gelastte het eskadron in te wachten.
De eskadronscommandant deelde daarna mede, dat op den Grebbeberg tusschen Rijnoever en straatweg een aanval te voet zou worden gedaan om enkele vijandelijke ver naar voren doorgedrongen patrouilles te verdrijven. Nadat wij in Rhenen waren aangekomen, bleek aldaar bij den eersten aanblik een groote verwarring te heerschen.
De Majoor der Infanterie Van der Ploeg, aan een der voeten gewond, deelde mede, dat in het bosch een veertigtal parachutisten zouden zitten als apen in de boomen en dat wij het beste zouden doen met hand in hand en rechtopgaande deze "kerels" te verdrijven.
Daar wij echter reeds bij Heumen over 20 of 30 "kerels" hadden hooren spreken werd deze mededeeling vrij sceptisch ontvangen. Uit de mededeeling van Majoor Van der Ploeg bleek verder, dat een vrij groot aantal beenwonden waren gemeld, later werd mij deze mededeeling bevestigd door den dokter Ravenswaaij en Bijlsma van 4 R.H. Het eskadron ging daarop voorwaarts in goede orde tot over het viaduct, terwijl wij in het opmarcheeren verschillende infanteristen op den terugweg ontmoetten. Op een gegeven oogenblik kwamen van de Grebbeberg in richting Rhenen twee artillerie-voorwagens zonder stukrijders aangerend. Direct achter ons werd door deze infanteristen geroepen: "schieten, schieten!!", waarop wij antwoordden: "niet schieten!". Er werd evenwel in het wilde weg op de 8 paarden losgeknald, zoodat ze in hun ren werden gestuit en eenige dieren zwaar gewond ter aarde stortten. In blinde woede over een dergelijk schandelijk optreden, renden eenigen onzer naar deze paarden, spanden ze uit en bracht de niet- en lichtgewonde dieren in "veiligheid" achter een paar huizen.
Wij marcheerden daarop verder tot ter hoogte van Ouwehands Dierenpark, alwaar ik van mijn peloton nogmaals de opstelling controleerde. Wij bevonden ons nog steeds aan de Noordzijde op den weg, aan de zuidzijde van den weg op gelijke hoogte bevond zich het 2e en 3e peloton.
De commando-groep en het eerste peloton bevonden zich, doordat wij door de paarden en terugtrekkende infanterie eenige malen waren opgehouden, eenigermate voorwaarts, doch zij waren voor ons nog zichtbaar: ik schat de afstand niet grooter dan pl.m. 200 meter. Op het oogenblik, dat ik voorwaarts wilde gaan, teneinde de door de Eskadrons Commandant bevolen pelotonsopstelling uit te voeren, kwamen uit het bosch ter weerszijde van den weg benden infanterie rennen in ongeordend verband, met verwilderde gezichten en onder het slaken van kreten: "vlucht-vlucht, Duitsche pantserwagens!" Ik doorzag onmiddellijk het in deze vlucht schuilend groote gevaar en brulde mijn peloton toe, schreeuwde ook naar de overzijde van den weg, "wat er ook gebeurt, blijf liggen!!" Ik greep daarop een in de nabijheid staand rijwiel en wrong mij tusschen de vluchtenden door in de richting van het viaduct. Ongeveer op deze hoogte stond een nog al forsch gebouwde Kapitein der Infanterie, die mij de ongehoorde vraag dorst te stellen of ik vluchtte, waarop ik dit in krasse bewoordingen tegensprak. Ik heb daarop mijn rijwiel tegen den grond geworpen, ging naast hem staan midden op den weg; trok mijn pistool en loste eenige schoten ter waarschuwing in de lucht, terwijl ik hem verzocht desgelijks te doen.
Een paar seconden na mijn aankomst bij den Kapitein, stelde zich aan zijn rechterzijde op de Cornet Dudok van Heel en vanuit en vanachter de omliggende huizen kwamen nog eenigen te voorschijn, waaronder een wachtmeester der artillerie gewapend met een karabijn, die desgelijks probeerden de vluchtenden terug te doen gaan. Intusschen was het geen gemakkelijke taak deze van schrik bevangenen tot omkeeren te dwingen. Reeds hadden sommige hun wapens weggeworpen, terwijl anderen nog meerdere deelen hunner uitrusting hadden verloren. Zeer schoorvoetend en aarzelend werd tenslotte gehoor gegeven aan onze bevelen, waarbij het zeer weinig gescheeld heeft, of wij hadden inderdaad eenige menschen ter plaatse neergeschoten. Terugkomende bij mijn peloton vond ik dit in de grootste kalmte en geordendheid, zooals ik hun gelast had. Wederom zijn wij daarop een eindweegs opgemarcheerd waarbij nog vermeld moet worden, dat wij vanaf het begin van onzen opmarsch, dus reeds vóór dat de Infanterie vluchtte, gehinderd werden door een, zij het licht, storend artillerie-vuur. Tijdens den opmarsch stuitten wij op onregelmatig verspreid liggende infanteristen, waarvan enkele zich trachtten te verbergen in een aan de Zuidzijde van den weg liggenden ondiepen greppel, welke aldaar klaarblijkelijk voor het leggen van een kabel was gegraven. Van eenige commando-voering was bij deze lieden niets te bespeuren en zij schoten bij het geringste gerucht in het wilde weg naar alle richtingen. Klaarblijkelijk waren ook deze volkomen over hun zenuwen. Hierdoor ook laten zich de vele beenwonden verklaren!
Ik besloot toen à cheval van den weg een bruggenhoofd te formeeren, mede omdat ik reeds in de verte het eerste peloton en de commando-groep zag terugkeeren in een paar korte geordende snelle sprongen.
Bij mij aangekomen, deelde de reeds eerder genoemde Luitenant Baron de Vos van Steenwijk mij mede, dat het inderdaad de bedoeling van den Eskadrons Commandant was een bruggenhoofd te formeeren ter plaatse waar wij ons bevonden, waarop hij zich met zijn peloton en de commando-groep bij ons aansloot.
Even later kwam de Eskadrons Commandant zelf terug en heeft de opdracht, waarvan de uitvoering reeds een begin had gevonden, nader geregeld. Hij heeft toen het Commando overgegeven aan Luitenant Baron de Vos van Steenwijk en heeft zich begeven naar Commando-post IVe Divisie, om nadere bevelen.
Toen wij korten tijd gelegen hadden, in de formatie als hierboven bedoeld, kwam bij ons de Kapitein der Marechaussee Gelderman, die ons gelastte met de pelotons naar voren te gaan. Wij weigerden evenwel hieraan gevolg te geven, omdat ten eerste ons uitdrukkelijk bevel van onzen Eskadrons Commandant ter plaatse te blijven hiermede in tegenstelling was en ten tweede omdat ons de bevoegdheden van dezen Kapitein volkomen onbekend waren. Tegen het vallen van den avond kwam de Eskadrons Commandant terug en deelde mede de nieuwe opdracht te hebben ontvangen aan de Westzijde van het viaduct een stelling te formeeren. Sprongsgewijze is daarop het eskadron terug gegaan in de grootste orde, hetgeen voor onze huzaren pleit, daar de ons omringende troepen infanterie een geheel ander beeld te zien gaven en ons zeer belemmerden. Aan de Westzijde van het viaduct gekomen, kreeg ik de opdracht één groep achter te laten, welke groep het viaduct direct onder vuur moest kunnen nemen, een tweede groep meer Noordwaarts in de aldaar gereed gemaakte loopgraven stelling te doen nemen en de derde groep ongeveer front Noord te doen uitbuigen, daar klaarblijkelijk de Noordelijke vleugel geheel onaangeleund was.
De Infanterie-onderdeelen, welke hier hadden moeten liggen waren namelijk nergens te bespeuren. Na korten tijd meldde zich Luitenant de Vos van Steenwijk met een groep ter versterking van mijn Noordelijke (linker) vleugel. Ook meldde zich bij mij een Cadet Vaandrig, die zich met een zware mitrailleur en pl.m. 15 manschappen onder mijne bevelen moest stellen en opdracht had deze mitrailleur zoodanig op te stellen, dat het viaduct kon worden bestreken. Met mijn pistool in de vuist heb ik dezen jongen "held" wiens naam mij helaas ontschoten is, moeten dwingen de mitrailleur in stelling te brengen en daarbij 2 man achter te laten, terwijl de rest van dit fraai geheel - de Commandant inkluis - niet in staat was iets te verrichten. Hierbij was aanwezig een infanterist Wolf genaamd, wien deze Cadet Vaandrig herhaaldelijk om raad vroeg. De overige manschappen en hun Commandant konden slechts dekking zoeken achter huizen. Reeds te voren had de Eskadrons Commandant bij wijze van versperring een Spaansche ruiter op het viaduct laten opstellen en verzamelden zich aan de Oostzijde van het Viaduct hoe langer hoe meer troepen die in koor het wachtwoord "mijngas" riepen. Deze vergrootten nog slechts de algeheele verwarring. Ten slotte kreeg ik van den Kapitein Gelderman eerder genoemd, die zeide een geheime opdracht te hebben, bevel met de zware- en mijn lichte mitrailleurs het vuur te openen op het viaduct. Hij zelf vuurde eveneens met een zware mitrailleur op het viaduct, welk wapen opgesteld was nabij den kunstweg Rhenen-Wageningen, terwijl hij mij had medegedeeld, dat ook aan de Zuid-zijde van het Viaduct eenige mitrailleurs dezelfde opdracht hadden ontvangen. De troepen aan de Oostzijde van het viaduct vuurden terug, terwijl het vijandelijk mitrailleurvuur, steeds heviger werd en de verwarring grooter. Eenige huizen in de nabijheid van het viaduct brandden reeds. In de thans volslagen heerschende duisternis werden de verwarringen steeds grooter.
De Eskadrons Commandant was intusschen weer naar de Divisie Commandant gegaan, teneinde hem de toestand in Rhenen duidelijk te maken. Meer in het bijzonder om Zeer Hoogedelgestrenge te zeggen, dat hem gebleken was, dat de Noordelijke vleugel der stelling geheel ongedekt was. Later zou blijken, dat de Divisie Commandant het noodig oordeelde 4 R.H. op deze opengevallen plaatsen in te zetten. Toen de afwezigheid van den Eskadrons Commandant vrij lang duurde en wij ons ongerust begonnen te maken, besloten de Luitenant de Vos van Steenwijk en ik, dat ook ik naar den Divisie Commandant zou gaan om hem te zeggen, dat alsnog onze Noordelijke vleugel geheel ongedekt was en hiervoor hulp aan te vragen. Aldus geschiedde en in den vroegen morgen van 13 Mei kwam onze Eskadrons Commandant met de lang verbeide hulp in den vorm van onderdeelen van 4 R.H., die Noord van den kunstweg ingezet werden.
Zeer korten tijd later begon de vijand een artillerie-bombardement op Rhenen, dat voortdurend in hevigheid toenam. Toen een huis, waarin ik mij ter waarneming bevond, door een ontspringend projectiel instortte, ben ik eenige mijner manschappen kwijt geraakt. Met de overigen en ondermeer de wachtmeesters Dubie en Roodenburg, de korporaals Knies en Verkerk [Streefkerk?], die niet tot mijn peloton behoorden, heb ik daarop een huis bezet, gelegen Zuid van den weg, onmiddellijk West van het viaduct, waar aanvankelijk het 1e peloton had gelegen, dat evenwel door den Eskadrons Commandant als ondersteuningspeloton was teruggenomen. Aldaar trof ik den 1e Luitenant van 4 R.H. Hollert, die één stuk pag bij zich had en een 10-tal manschappen. Intusschen hadden wij verzameld, een 8-tal lichte mitrailleurs der infanterie (onomklapbare kolfbodem). Verder vond ik ook een zeer groote hoeveelheid trommels mitrailleur-munitie, terwijl aan de Noord zijde van den weg een zware mitrailleur der Marechaussee stond en een tweede stuk door ons eveneens werd medegenomen.
Na eenigen tijd kwam ook aldaar aan Kapitein der Marechaussee Gelderman eerder genoemd. Besloten werd de werkzaamheden als volgt te verdeelen. De Luitenant Hollert zou, met zijn stuk pag en zijn manschappen, de linker vleugel van de daar gegraven loopgraaf bezetten, terwijl ik mij zou opstellen in een iets meer Zuidwaarts gelegen kippenschuur en tevens de 2 zware mitrailleurs zou laten bedienen.
Het bleek, dat de Houtfabriek de Stoomhamer, recht tegenover ons aan de Oostzijde van het viaduct, bezet was door een vrij groot aantal Duitschers, waarvan echter de sterkte niet juist kon worden opgenomen, daar zij zich zeer goed gedekt hielden.
Tot ongeveer 14.00 uur hoorde ik Zuid van mij een levendig karabijn- en mitrailleur-vuur, naar ik meende afkomstig van het peloton van den Cornet Dudok van Heel. Verbinding met hem heb ik evenwel niet kunnen krijgen, daar een vrij groot stuk open terrein, dat onder vuur lag, moest worden overgestoken, terwijl het artillerievuur vrijwel niet in hevigheid verminderde. Te voren had zich bij mij gemeld de wachtmeester Vermeulen, die zijn onderdeel was kwijtgeraakt. (1-4-R.H.) Kort na zijn aankomst, werd de korporaal Knies achter den eerder genoemden Noord van den kunstweg staanden mitrailleur neergeschoten, terwijl ook het stuk pag van Luitenant Hollert onder vuur stond. Buitendien raakte mijn tweede zware mitrailleur onklaar en te pl.m. 14.00 uur zag ik, dat ten eerste vijandelijke afdeelingen over den Zuid van het station gelegen spoorwegovergang trokken, klaarblijkelijk niet gehinderd door vuur van onze troepen.
Pl.m. 14.30 uur eenige van hen bezetten het station in onze onmiddellijke nabijheid, doch waren moeilijk onder schot te krijgen. Ten tweede zag ik, dat Noord van mij in de grootste orde een terugtrekkende beweging gaande was. Ik kon deze afdeelingen (van 4 R.H.) evenwel niet bereiken, daar ook de kunstweg nog steeds onder vuur stond. Ongeveer 14.00 uur hoorde ik zwaar geronk van vliegtuigen, die verscheidene bommen in onze onmiddellijke omgeving uitgooiden.
Daar ik evenwel geen bevel tot terugtrekken had ontvangen en meende te kunnen blijven standhouden, hoewel volkomen onaangeleund, zond ik mijn tweede ordonnans naar achteren. (Mijn eerste had ik onmiddellijk na aankomst ter plaatse gezonden, deze keerde evenwel niet terug.)
Ik liet deze tweede ordonnans ten eerste zoo mogelijk versterking en ten tweede om munitie vragen. In den loop van den middag, zag ik daarop den Kapitein Gelderman verdwijnen in een pagtrekker, even later zond ik een derde ordonnans om munitie te vragen, nog later een vierde. Geen dezer ordonnancen keerden echter terug en ook de verbinding met den Luitenant Hollert werd niet meer uitvoerbaar. Ten slotte hoorde ik ook uit zijn richting niet meer schieten. Evenwel had het er den schijn van, dat de vijand Noord van ons was doorgebroken, daar ook reeds vanuit huizen in Rhenen werd geschoten, vlakbij en even ten Noorden van ons, op de schuur, waarin wij ons bevonden, zoodanig, dat de houtsplinters uit de deuren vlogen.
Daar ook thans mijn munitie vrijwel geheel was uitgeput, (wij hadden ieder slechts nog ongeveer één houder en eenige karabijnen waren gloeiend geschoten en onbruikbaar geworden; voor de lichte mitrailleur hadden wij in het geheel geen munitie meer) en daar de vijand steeds meer zichtbaar begon op te dringen, vanuit de houtzagerij èn van den Zuid van het station gelegen spoorwegovergang èn vanuit het station, daar wij ten slotte ook vanuit het Zuiden werden beschoten, (ook aan de Zuidzijde vlogen splinters uit de daar aanwezige deur van de schuur) besloot ik, daar ik niet anders kòn, terug te trekken. Sprongsgewijze zijn wij daarna door het plat geschoten en brandende Rhenen te voet terug gegaan.
Te ongeveer 21.00 uur meldde ik mij terug bij mijn onderdeel, op de Remmerdesche Heide. Vandaar uit uitgezonden patrouilles hadden mij onderweg de plaats waar mijn eskadron zich bevond, uitgeduid.
----------
Van dit punt werd terug getrokken naar Elst, vandaar weer op de Donderberg te Leersum, waarbij 3-4-R.H. de achterhoede van het Regiment vormde. Vanuit Leersum werd te 6.00 uur teruggetrokken naar Utrecht. Vandaar in den loop van den middag naar Achtersloot, Zuid-West van Utrecht, alwaar in den vooravond de capitulatie bekend gemaakt werd.
De 1e Luitenant der Huzaren buiten dienst
(get.) J.H.C. Valckenier Kips.
22 October 1941
Type: H.
Aan: Hoofdregelingsbureau
Afdeeling 1C.
Willem Lodewijklaan 1
DEN - HAAG.
------------------------
Afschrift: Commandant 3-4-R.H.
|
