Verslag van reserve-kapitein A.G. Höpink
ONDERWERP:
-----------
Inlichtingen.
Giesbeek, 18 Juli 1940.
Ik heb de eer Uw Hoogedelgestrenge hierbij te doen toekomen, een verslag in drievoud, inzake de handelingen van I-IV Bataljon Pag. in het tijdvak van 10-14 Mei 1940.
Een en ander in antwoord op Uw brief No. 13 P. d.d. dezer
De Reserve Kapitein.
(get.) A.G. Höpink.
AAN: den Heer
Commandant 55 R.I.
te
LEERSUM.
-------------
Doorgezonden aan Kolonel A.M.M. van Loon
Gezien: De Kolonel buiten dienst
(get.) A. van Loon
==========================================================================
Onderwerp:
Inlichtingen.
Giesbeek, 11 Juli 1940.
I.
Ik heb de eer Uw Hoogedelgestrenge te doen toekomen, een verslag van de handelingen van I-IV Bataljon Pag. gedurende het tijdvak van 10-14 Mei 1940. Vrijdagmorgen 10 Mei na het alarm de compagnie verzameld, en maatregelen genomen om de ons ontbrekende vrachtauto's tot vervoer van munitie, goederen en manschappen te verkrijgen. Daarna, ingevolge opdracht, met de geheele compagnie afgemarcheerd naar de meubelfabriek te Remmerden, alwaar gelegerd werd. Ter beveiliging posten uitgezet aan de weg en aan den oever van den Rijn.
In verband met berichten welke gewag maakten, van landingen van parachutisten, welke van Nederlandsche militaire auto's gebruik zouden maken, is er nog een extra controlepost op de weg ingesteld, welke de opdracht had, alles aan te houden en naar het teeken c.q. bij nacht het woord te vragen. Ook werd door de militaire politie medegedeeld, dat er in de omtrek van de commandopost van commandant IVe Divisie parachutisten gedaald waren, als gevolg waarvan er twee patrouilles uitgezonden zijn van ca. 8 man, een onder luitenant Coster van Voorhout en een onder sergeant Luks. Deze patrouilles hadden geen succes. De verpleging leverde in den beginne eenigszins bezwaren op, daar wij het eten van voren moesten halen, waardoor de vrachtauto steeds door het artillerievuur van den vijand moest. Naderhand is dit in overleg met den intendant IVe Divisie in gunstigen zin, zoodanig geregeld, dat gebruik gemaakt kon worden van de keukenwagens van II-8 R.I. welke te Remmerden stonden opgesteld. Tot Zondagmorgen 9 uur in Reserve gelegen, waarna I-IV Bataljon Pag. de opdracht kreeg, zich te melden bij commandant 8 R.I. waaraan voldaan werd.
Van commandant 8 R.I. de opdracht ontvangen 3 stukken ter beschikking te stellen van commandant I-8 R.I. en 3 stukken van commandant II-8 R.I. De luitenant B. van der Kuyp werd door mij aangewezen zich te melden met 3 stukken bij commandant I-8 R.I. De luitenant V.C. Coster van Voorhout werd met 3 stukken aangewezen zich te melden bij commandant II-8 R.I. De commandogroep, benevens de gevechtstrein werden opgesteld onder de boomen aan de Levendaalscheweg, alwaar de manschappen zich ingroeven.
Van het artillerievuur werd geen schade ondervonden en waren er tot dat moment nog geen verliezen.
Aangezien commandant II-8 R.I. slechts behoefte had aan 2 stukken, werd het 3e stuk in stelling gebracht bij de ingang van de commandopost van 8 R.I., zoodanig, dat dit stuk de Levendaalscheweg volledig kon bestrijken.
Daar van luitenant Van der Kuyp geen berichten kwamen, zond ik een ordonnans uit, welke met bericht terugkwam, dat 1 stuk door artillerievuur getroffen was, (Dit was het stuk dat stelling had moeten nemen langs de weg, zuid van de Grebbeberg langs den Rijn.) waarbij een man gewond of gesneuveld zou zijn. Van het stuk langs de straatweg zou de stukscommandant verwond zijn en waren geen nadere berichten evenmin als van de luitenant, terwijl het 3e stuk zou staan achter Rhenen.
Hierop besloot ik zelf poolshoogte te gaan nemen, waarna ik het commando over de ordonnansen en de reservemanschappen overdroeg aan de 3e Sectiecommandant de sergeant Rusch en mij met mijn sergeant-toegevoegd per motor op weg begaf. Bij het viaduct te Rhenen trof ik de kapitein Van Buuren, welke ik berichtte wat mijn plan was. Hierop kreeg ik de mededeeling dat ik het commando op mij moest nemen bij het viaduct en zorg te dragen dat er weerstand gevormd werd in de lijn van de divisiereserve, eventueel terugvloeiende menschen moesten hier allen opgehouden worden. Een stuk werd achter het viaduct aan de straatweg opgesteld, terwijl het reservestuk bij de commandopost van 8 R.I. aangetrokken werd. Het stuk werd in de opstellingsplaats van de 6 veld naast het viaduct opgesteld. Een stuk 6 veld bewaakte de overgang bij de spoorbrug. Tirailleurs lagen in de loopgraven, terwijl een zware mitrailleur op de zolder in het station stond. Voorts was met commandant IVe Compagnie Pioniers (4 C.P.) afgesproken, dat ik het teeken zou geven, voor opblazing van het viaduct én de spoorbrug.
Nadat een bataljon [IIIe] van 11 R.I. naar voren was getrokken, teneinde een tegenstoot uit te voeren, ging de compagnie wederom naar voren, om zijn oorspronkelijke opstelling in te nemen.
Na besprekingen met commandant 8 R.I., waarbij ik naar voren bracht, dat de opstelling van de stukken in de beboschte terreinen niet zeer gunstig was en dat ik twee stukken kwijt was, zonder zelf geschoten te hebben, werd overeengekomen, dat ik mij persoonlijk met commandant I-8 R.I. in verbinding zou stellen, teneinde met deze na te gaan, welke maatregelen er in verband met de gewijzigde situatie genomen moesten worden. Het commando droeg ik over aan de luitenant Coster van Voorhout. De sterkte van de compagnie voor zoover bekend, bedroeg toen nog de commandogroep intact, vier stukken geheel intact met bediening en de gevechtstrein met bediening, terwijl de stukscommandant van het langs den Rijn vernietigde stuk met de manschappen minus een, ook aanwezig waren. Het was toen Zondagavond, omstreeks 19.00 uur.
Tot zoover de handelingen van I-IV Bataljon Pag. onder mijn commando. Vechtwagens hebben zij niet gezien, terwijl de officieren, onderofficieren en de manschappen behoorlijk en zonder vrees hun plicht gedaan hebben.
Met mijn sergeant toegevoegd naar voren gaande langs de straatweg Rhenen - de Grebbeberg, stuitte ik op onderdeelen van 24 R.I. welke langs de weg, ter hoogte van het boschperceel, noord van de straatweg stonden. Aangezien ik den indruk kreeg, dat deze troepen niet volledig georiënteerd waren, gaf ik ze zooveel mogelijk inlichtingen, onder andere dat een bataljon van 11 R.I. voor hen zat en adviseerde ik dat de troepen verspreid door de bosschen zouden oprukken, aangezien de mogelijkheid niet uitgesloten was dat kleine afdeelingen vijand kans gezien hadden door onze troepen heen te sluipen. Hierna ging ik wederom naar voren en trof ik bij hotel Van Oordt [Hotel de Grebbeberg] de kapitein [Franssen] van 11 R.I. welke aldaar zich geposteerd had, wien ik voor zoover mogelijk, eveneens inlichtingen verschafte, omtrent de naderende troepen, waarop ik mij begaf naar de commandopost van I-8 R.I. Deze post was verplaatst naar een scherfvrije kelder in het huis van Ouwehand. Hier trof ik de majoor Landzaat aan, welke in gesprek was met de kapitein Greter. Na afloop van dit gesprek kreeg ik de gelegenheid het doel van mijn komst kenbaar te maken en werd besloten, dat, aangezien het inmiddels donker was geworden en er berichten binnen kwamen, dat de vijand om de commandopost zwierf, er de volgende morgen bij daglicht een verkenning zou plaats vinden, om na te gaan, welke maatregelen er in verband met de toestand genomen moesten worden, aangezien de toestand door verbreking van de verbindingen zeer onoverzichtelijk was. Inmiddels waren op de post binnengekomen de kapitein Maas [Commandant 2-III-8 R.I.], welke gewond was, benevens mijn luitenant Van der Kuyp. Deze laatste berichtte mij dat het stuk bij de straatweg in handen van den vijand gevallen was, dat hijzelf met de revolver vijf man neergeschoten had en dat de bedieningsmanschappen stand gehouden hadden, doch voor zoover hij had kunnen nagaan, gevangen genomen, of buiten gevecht gesteld waren, in alle geval was de stukscommandant verwond. Ik droeg hem op voorloopig bij mij te blijven op de commandopost en dat wij de volgende morgen wel verder zouden zien. De volgende morgen [13 Mei] tegen het aanbreken van den dag werd er bespreking gehouden en werden de functies onder de verschillende officieren verdeeld. Ik kreeg de opdracht naar de straatweg te gaan verkennen of ook vijand aanwezig was. Met mijn sergeant-toegevoegd ben ik door de loopgraven voorwaarts [achterwaarts] gegaan tot aan Hotel de Grebbeberg (Van Oordt) zonder iets te zien. Daar troffen wij een verwonde artillerist aan van de 6 veld, welke wij verbonden hebben en op een bed gelegd hebben in hotel de Grebbeberg, met de bedoeling, later de ziekendragers te waarschuwen om hem op te halen. Voorwaarts gaande langs de straatweg in de richting van Wageningen, zagen wij plotseling aan de zuidkant van de weg twee militairen, ongeveer bij de barak van 16 M.C. Niet goed kunnende zien of het vriend of vijand was, brulde ik uit alle macht, "het teeken", hetgeen ik nogmaals moest herhalen. Hierop werd het verkeerde "teeken" gegeven, waarop wij deze militairen oogenblikkelijk neerlegden. Op datzelfde moment kwamen er naar schatting 30 tot 50 man vijand te voorschijn, benevens een stuk infanteriegeschut, hetwelk oogenblikkelijk vuurde. Met ons tweeën renden we onmiddellijk terug in de loopgraaf, alwaar ik mijn sergeant opdroeg zich ten spoedigste naar de majoor Landzaat te begeven, teneinde hem in te lichten, ikzelf zou blijven waarnemen. Deze waarneming had niet veel resultaat, aangezien de vijand de prikkeldraadversperring west van de barak niet passeerde. Na eenigen tijd keerde ik terug naar de commandopost van I-8 R.I. waar ik echter de majoor niet mocht aantreffen. De commandopost werd in staat van tegenweer gebracht en droeg ik de luitenant Van der Kuyp, welke ik ook aantrof en die geen vijand gezien had, in het magazijn van Ouwehand stelling te nemen.
Aldaar trof ik voorts in een hoek een lichte mitrailleur aan, welke zoogenaamd niet werkte. De storing was echter van geringe beteekenis en bleek het dat de patronen te droog waren, zoodat de aanvoer haperde. Met een weinig wapenolie werd dit verholpen en heeft deze mitrailleur onberispelijk tot de laatste patroon gewerkt.
Teruggekeerd op de commandopost, vernam ik, dat de majoor Landzaat zich in het Paviljoentje bevond, alwaar ik mij eveneens naar toe begaf, voorzien van de lichte mitrailleur. Naar schatting bevonden zich hier 1 majoor, 3 kapiteins en ca. 12 manschappen. Aangevuurd door het prachtige voorbeeld van de majoor Landzaat, welke onder andere recht opstaande in de glaswaranda van het Paviljoentje kans zag, met het geweer drie manschappen weg te schieten, welke een zware mitrailleur aan de overkant van de straatweg in stelling trachtten te brengen, hebben wij ons tot het uiterste verdedigd. Speciaal dient hierbij het gedrag vermeld te worden, van de soldaat dr. Chotzen, naar ik meen ordonnans van I-8 R.I., welke ondanks het hevige vuur, open en bloot doorging met ons aangeven van munitie en het vullen van de trommels. Daar mij de handbeschermer van mijn geweer geschoten was, en dit zoodoende onbruikbaar was geworden, gaf hij mij het zijne onder de woorden: "Kapitein, U schiet beter dan ik". Ook de mitrailleurschutter, vuurde ondanks de slechte beschutting en het hevige vuur onverschrokken door, telkens met kleine vuurschoten. Wetende dat er een tegenaanval uit de richting Achterberg moest komen, en gedachtig de opdracht standhouden, was onze overweging de vijand zoolang op te houden, totdat door deze tegenaanval, hij, door de uit het noorden komende eigen troepen opgerold kon worden. Door de verliezen welke wij leden, nam onze weerstandskracht echter af en waren tenslotte nog over, Majoor Landzaat, (licht gewond) Chotzen, de kapitein Dales, de kapitein Franssen (gewond), de mitrailleurschutter, een tirailleur en mijn persoon. Thans begon de vijand te vuren met infanteriegeschut en met handgranaten te werpen, waardoor de kapitein Franssen volledig buiten gevecht gesteld werd en Majoor Landzaat nogmaals gewond werd, terwijl ikzelf een stuk weggesprongen steen tegen mijn knie kreeg. De handgranaatwerpers konden we nog afschieten, doch tegen het geschut was niets te doen. Daar onze munitie opraakte, werden we weerloos. Ook hadden we de verdediging 4 uur volgehouden. Ik stelde de majoor voor thans, nu we ons toch niet meer verweren konden, er een eind aan te maken, doch deze zeide, overgeven nooit, mannen jullie hebben als helden gestreden, maar we geven ons niet over. Gezien deze woorden en wat gevolgd is, vind ik hierin een verklaring voor het sneuvelen van majoor Landzaat. We verschoten nog onze laatste patronen en toen riep ik "majoor, we moeten zien weg te komen". We drongen naar de achteruitgang en eerst vertrok de mitrailleurschutter met de mitrailleur, daarna ik en toen Chotzen, welke hevig bloedde. Of majoor Landzaat achter ons aankwam, weet ik niet, aangezien bij het wegvluchten op ons geschoten werd en ik als gevolg van het stuk steen tegen mijn knie, niet meer zoo erg best ter been was. De kapitein Dales, zag ik nog in de kelder kruipen. Ter plaatse niet zoo goed bekend zijnde, ben ik langs de commandopost [huis Ouwehand] geloopen en kwam uit, ergens achter in een tuin, Chotzen was bij mij. Aangezien ik weer naar mijn compagnie terug wilde, zijn wij voortgekropen zoo goed als het ging en kwamen wij uit bij de commandopost van II-8 R.I. Het was toen Maandagmorgen ongeveer 12 uur. Vandaar hebben wij ons begeven naar de commandopost van 8 R.I., waar ik vernam dat de compagnie de vorige avond afgemarcheerd was, doch in eigen vuur gekomen was. Ik trof echter drie onderofficieren en 11 manschappen aan, welke wederom terug gekropen waren. Veel inlichtingen kon ik van deze menschen over het lot van de rest van de compagnie niet verkrijgen. Het wedervaren vindt U in het rapport van de luitenant Coster van Voorhout. De luitenant Van der Kuyp is door mij het laatst gezien Maandagmorgen tusschen 7.00 en 8.00 uur, toen hij zich naar zijn post in het magazijn van Ouwehand naar boven begaf. De overste Hennink beval mij te blijven, op de commandopost van 8 R.I. en bij de verdediging te helpen. We zijn er nog in geslaagd twee zware mitrailleurs van de vijand buit te maken, waar ik daadwerkelijk nog aan mee heb kunnen helpen, doordat ik er een met de lichte mitrailleur onklaar heb kunnen schieten. Toen wij Dinsdagavond door gebrek aan water uit moesten breken, moest ik met mijn mannen de achterhoede vormen, aangezien wij in het zwart waren en door de eigen troepen, misschien niet herkend zouden worden. We begaven ons op pad en gekomen vlak boven Rhenen, doken de manschappen plotseling weg, daar zij in de mening verkeerden, dat er met granaten geschoten werd. Het bleek echter een motorfiets langs de straatweg te zijn. Hierdoor werd het verband in de colonne verbroken en bleek na eenigen tijd, dat ik met mijn menschen en een gedeelte van de voorgaande sectie mij alleen bevond. Kruipende en sluipende zijn wij toen tot aan de straatweg gekomen, waar een vijandelijke controlepost opgesteld bleek te zijn. Wij zijn weer teruggegaan in de richting de Grebbeberg en daar geprobeerd de straatweg over te komen, hetgeen gelukte na eenigen tijd. Inmiddels was het half twee geworden en voorzag ik dat in verband met de korte tijdsduur totdat de dageraad aanbrak, we nooit meer in Amerongen zouden kunnen komen. Ik heb het toen gewaagd in de huizen langs de straatweg te kruipen, met de bedoeling de volgende nacht verder te gaan. Ook al doordat wij de paarden der Duitschers vlak bij ons hoorden stampen en ik niet wist hoe de situatie was, vond ik het niet raadzaam verder te gaan. Trouwens, de menschen waren dermate vermoeid, dat als ze halt hielden, ze onmiddellijk in slaap vielen. Onze list heeft niet mogen baten, want de volgende morgen 15 Mei ca. 8 uur, toen we overvallen werden, bleken we temidden van gelegerde Duitsche troepen aangeland te zijn, tegenweer was nutteloos. Dit is een nauwkeurig relaas van de verrichtingen van I-IV Bataljon Pag. en mijn deelname aan de verdediging van de commandopost van I-8 R.I. gedurende de periode 10-15 Mei 1940.
De reserve Kapitein,
(get.) A.G. Höpink.
|
