Verslag van reserve-kapitein G.H. Koudijs
A F S C H R I F T.
-------------------
V E R S L A G
van hetgeen beleefd werd van 9 tot 15 Mei 1940
door den Reserve Kapitein G.H. Koudijs, Commandant 1-I-20 R.I.
---
| Commandant I-20.R.I. | Reserve-Majoor J. Pannekoek |
| Commandant 1-I-20 R.I. | Reserve-Kapitein G.H. Koudijs |
| Commandant 2-I-20 R.I. | Reserve-Kapitein Schippers |
| Commandant 3-I-20 R.I. | Reserve-Kapitein Vermeer |
| Commandant Mitrailleurcompagnie I-20 R.I. | Reserve-Kapitein v.d. Schoot. |
Onder mijn commando stonden:
| Reserve 1e Luitenant Th.A.P. van Aalst | Commandant 1e Sectie |
| Reserve Vaandrig Buisman | Commandant 2e Sectie |
| Reserve 1e Luitenant G.H. Westerbeek | Commandant 3e Sectie |
| Sergeant Simons | Commandant 4e Sectie |
| Sergeant J.Tromp | Sergeant toegevoegd. |
In geval van graad 1 en 2 behoorde het Bataljon tot het IVe Legerkorps en stond in regimentsverband. Commandant 20 R.I. was Luitenant-Kolonel I. Engers.
In geval van graad 3 en 4 behoorde het Bataljon tot het IIe Legerkorps en was als Divisie-reserve toegevoegd aan de IIe Divisie.
Oorspronkelijk was onze opdracht Woudenberg in te richten als een naar alle zijden te verdedigen punt. Het was een golfbreker tusschen de Grebbelinie en een daar 5-10 kilometer achter gelegen tweede linie.
Na wijziging van het commando van het IIe Legerkorps moest speciaal de oostkant van Woudenberg ter verdediging worden ingericht en werd het Bataljon aangewezen als beweeglijke Divisie-reserve.
Bij graad 1,2 en 3 werd gelegerd te Soesterberg. Bij graad 4 moest gelegerd worden in Woudenberg.
9 Mei 1940.
Deze dag verliep normaal. Er was nog nergens aan te merken, dat er spoedig eenige verandering zou intreden.
10 Mei 1940.
Te 0.45 uur kwam een ordonnans aan mijn kwartier met bericht, dat alle officieren te 5.00 uur aanwezig moesten zijn, Compagniescommandanten op het Bataljonsbureau anderen op de Compagniesbureaus.
Hier deden zich twee puzzles voor:
1e. Waarom deze maatregel (controle of erger).
2e. Moesten de Compagniescommandanten hun onderhebbenden waarschuwen, of was daarvoor gezorgd.
Teneinde hierover iets naders te vernemen kleedde ik me aan en begaf me naar de kazerne, waar ons onderdeel gelegerd was.
De Reserve 1e Luitenant RUTTEN van 2-I-20 R.I. was wachtcommandant en kon beide vragen beantwoorden. Het was ernst; er waren berichten gezonden aan alle officieren.
Ik had nog 3 uur tijd. Die waren uitstekend te gebruiken om het aanstaande vertrek voor te bereiden. In mijn kwartier begon ik mijn koffer te pakken en mijn uitrusting nogmaals grondig te inspecteeren. Toen naar het Compagniesbureau.
Ondertusschen even op het Bataljonsbureau informeeren of er nog berichten binnen gekomen waren. De Officier van dienst, 2e Luitenant VAN HALEM, vertelde mij, dat graad 4 afgekondigd was. We konden beginnen ook alle bureaugoederen in te pakken. Daar kwamen de Reserve Sergeant-majoor-administrateur KLEIN LENDERINK en de dienstdoende fourier, sergeant-capitulant BRUITSMAN al aangestapt. Ik pakte alle geheime orders bij elkaar en nam maatregelen dat de belangrijkste bescheiden direct te krijgen waren. Daarna ging ik nog even naar mijn kwartier. Toen ik 10 minuten later weer terugkwam, had de eerste aanval op het vliegveld Soesterberg plaats. Reveille was niet meer noodig. Onder luid gejuich van honderden manschappen zag ik het eerste vijandelijke vliegtuig neerstorten.
Alle twijfel was voor mij weg en ik begon de geheime orders te verbranden. Daarna maakte ik een oorlogsdagboek, waarin in chronologische volgorde alles vermeld moest worden.
Het eerste bericht was, dat allen die organiek met rijwiel zijn ingedeeld en ook die manschappen, die een eigen rijwiel bij zich hadden onder commando van Reserve 1e Luitenant WESTERBEEK te half acht moesten verzamelen op het rijwielpad (onder de boomen) achter de kazerne.
Een volgend bericht hield in, dat de rest van het bataljon per auto vervoerd zou worden.
Te 8.00 uur liet ik het werk even onderbreken om te luisteren naar de rede van Hare Majesteit de Koningin. Deze maakte diepe indruk. Onmiddellijk daarop aansluitend sprak ik de mannen ongeveer als volgt toe: "Mannen van de eerste Compagnie. Na wat wij zoo juist mochten hooren heb ik geen nieuws te vertellen. Maar nu het ernst is, wil ik nog even iets voor je herhalen. Welke opdrachten we zullen krijgen is niet te voorzien. Ik heb echter het geluk zelfs in de moeilijkste omstandigheden het hoofd niet te verliezen. Doe onmiddellijk, wat er van je verlangd wordt, ook al begrijp je niet steeds waarom. De tijd om iets uit te leggen kan ontbreken. Maar ik zal er voor zorgen, dat niemand door mijn schuld sneuvelt. Ik zal mijn maatregelen, zoo goed mogelijk, nemen. Natuurlijk zeg ik niet, dat geen onzer zal sneuvelen, maar helpt mee ervoor te zorgen, dat het aantal niet grooter wordt, dan noodig is om onze opdrachten uit te voeren. En nu aan het werk."
We waren op tijd klaar zoodat we dadelijk na aankomst van de auto's aan den weg stonden. Tegen het middaguur kwamen we in Woudenberg. We kregen opdracht naar de ons aangewezen vakken te gaan en de stellingen te bezetten. Zie schets 1.
Als Commandant Bataljonsreserve werd ter vervanging van den 1e Luitenant Rutten van 2-I-20 R.I. aangewezen de Reserve 1e Luitenant WESTERBEEK van 1-I-20 R.I. Waar de Reserve Luitenant RUTTEN zelf nog volledig op de hoogte was met de stellingen, die onder mijn leiding waren gemaakt zou ik den nieuwen commandant inlichten, wat ik na het geven der eerste bevelen dan ook deed.
Ik vernam, dat de manschappen, die per rijwiel vooruit gezonden waren op last van Commandant IIe Divisie naar station Woudenberg waren gezonden om te helpen bij de evacuatie. Dat waren van mijn Compagnie ongeveer 20 man, die over de verschillende secties verdeeld waren. De bestaande indeeling kon dus gehandhaafd blijven.
De sectie, die ik voor de Bataljonsreserve moest afstaan kwam onder bevel van Reserve Luitenant WESTERBEEK.
Aangezien de mogelijkheid bestond, dat het een lange bezetting zou worden, nam ik de volgende maatregelen. Elke groep werd in drieën gesplitst. Een derde deel bewaakt het groepssteunpunt. Een ander derde deel rust in de lignissen, waarvan er 2 per steunpunt aanwezig waren. De rest wordt sectiesgewijze verzameld onder één stuks kader. Steeds moest per sectie minstens één sergeant wakker zijn. De sectiecommandanten rusten om beurten in onderling overleg. Aangezien ik bij het ochtendgloren bij de hand wil zijn, neem ik rusttijd van 22.00 tot 3.00 uur. De Luitenant VAN AALST is dan op de commandopost aanwezig.
Wisseling van manschappen en kader geschiedt te 1.00, 7.00, 13.00 en 19.00 uur. Het ontbijt is voor de op wacht komende manschappen te 6.45 uur, voor anderen te 7.10 uur. Op gelijke wijze koffiedrinken omstreeks 13.00 uur en middagmaal omstreeks 19.00 uur. De geheele nacht is koffie beschikbaar voor de posten. Verdere regelingen worden aan de sectiecommandanten overgelaten.
Ingevolge ontvangen bevel moesten voor alle manschappen rijwielen gevorderd worden. De Reserve Adjudant-onderofficier VAN AMERSFOORT, in burger rijwielhandelaar enz., wordt door mij belast met het schatten der prijzen.
Onder leiding van de sergeant toegevoegd werd de commandopost ingericht. We waren in de gelegenheid electrisch licht en radio aan te brengen. Toen de goederentrein kwam gaf ik den Sergeant-majoor-administrateur aanwijzingen, waarop hij zijn werk in de commandopost kon beginnen. De fourier kreeg de beschikking over een niet in gebruik zijnd kippenhok, dat veel weg had van een schuur. Zoodra de transporten afgeloopen waren, droeg ik den fourier op zelf eens grondig te inspecteeren of de kleeding en de goederen van de manschappen geheel in orde waren en zoo noodig en mogelijk aan te vullen of te vernieuwen, één en ander onder mijn nadere goedkeuring.
Van den Bataljonscommandant kwam bevel, dat de vakcommandanten zelf tot 24.00 uur waakzaam moesten zijn. Waar ik voor mij meer waarde hechtte aan de morgenuren, besloot ik de bevelen voor mijn Compagnie te laten, zooals ze gegeven waren. Tusschen 22.00 en 24.00 uur ging ik een ronde langs de verschillende stellingen maken. Het bleek me, dat de verschillende posten nog niet aan het duister gewend waren. Waaiende takken werden voor levende wezens aangezien. Eénmaal kreeg ik zelfs bericht van een naderende gesloten sectie. Bij onderzoek bleken het een vier-tal knotessen te zijn. Te 24.00 uur ging ik terug naar de commandopost. Er was niets te melden, zoodat ik me ter ruste kon begeven.
11 Mei 1940.
Kort nadat ik te drie uur gewekt was, kwam er bericht binnen, dat te 5.00 uur de stellingen volledig bezet moesten zijn. Ik zocht den Bataljonscommandant op om de wenschelijkheid van meer rust te bespreken, doch deze was niet aanwezig op de Bataljonscommandopost, waarop ik weer naar mijn vak terugging. Dien morgen werden de burgers uit het door mij bezette vak geëvacueerd.
Ze lieten honderden eieren voor de manschappen achter. Ook verschillende andere levensmiddelen werden ons gegeven. Te pl.m. 7.00 uur liet ik het werk weer voortgang vinden. Ook de vordering van rijwielen werd voortgezet, tot een tegenbevel kwam. Aan het station Woudenberg waren zooveel fietsen van geëvacueerden, dat verdere vordering overbodig was. Er moesten maatregelen genomen worden voor het vervoer. Zoo spoedig mogelijk werden de fietsen verdeeld en in schuren ondergebracht. Eenmaal kwam een vijandelijk vliegtuig laag over onze stellingen heen. Hierop werd vuur geopend door de opgestelde lichte mitrailleur en zelfs door geweerschutters. Ook de zware mitrailleurs hielpen mee en het resultaat was, dat het bij station Woudenberg op den grond neer kwam. Ik gaf bevel uit, dat geen geweerschutters op vliegtuigen mochten vuren, die boven 50 meter vlogen. Het vuur was ook door den vlieger geopend maar niemand van mijn compagnie is daardoor getroffen.
In de laten namiddag werd ik op het Bataljonsbureau ontboden. Ik kreeg de volgende opdracht:
"In het vierkant 163-448 zijn parachutisten neergekomen. Ga met de onder Uw bevel staande troepen daarnaar toe en maak ze onschadelijk. Er worden auto's voor het vervoer ter beschikking gesteld." Elke verdere aanwijzing over aantal enz. ontbrak. Voor ik vertrok was het onmogelijk nader bericht te hebben.
Terwijl ik naar het vak van mijn Compagnie terug fietste dacht ik over de uitvoering na. We beschikten over een viertal zaklantaarns. De olielampen, die ik ter beschikking had, kon ik mijns inziens wel thuis laten. We moesten geheel in het donker rijden en zoo snel mogelijk bij het vierkant komen. Ik besloot de kleinste auto met 16 man voorop te laten rijden. De vaandrig BUISMAN zou het commando krijgen. Deze wagen moest 50 meter voor de andere rijden, de andere volgen met 25 meter onderlinge afstand. In het vak aangekomen verzamelde ik de Compagnie en deelde de opdracht mede. Nog even moesten we wachten eer de auto's kwamen en zoo was het al flink donker toen we in zuidelijke richting wegreden. Bij de Griftheuvel linksaf en naar de spoorbaan, kilometerpaal 58. Daar even oriënteeren en de colonne inspecteeren. Er waren nog maar 3 van de 6 wagens bij elkaar. De andere waren in geen velden of wegen te bekennen (later bleek mij, dat zij bij Griftheuvel rechtsaf gegaan waren en te 23.30 uur in Woudenberg teruggekeerd zijn. Ze waren in het duister de voorafgaande wagen kwijtgeraakt).
Ik meende, dat een spoedige aanval op de parachutisten te verkiezen was boven een sterke aanval en besloot met de drie wagens door te gaan. Bij het opgegeven vierkant liet ik halthouden. We zouden te voet trachten den vijand op te sporen.De wagens liet ik echter volgen. Daar de afstand tusschen de marcheerende groepen en de autocolonne te groot moest zijn, stelde ik de colonne onder een zwakke bewaking, terwijl ik afsprak, dat bij richtingverandering een staande patrouille zou zorgen, dat de goede weg gevolgd werd. Op deze tocht zag ik voor het eerst een zweeflicht. Het deed denken aan een licht op een hooge paal. We maakten van de gelegenheid gebruik om de omtrek eens goed op te nemen, maar konden niets ontdekken. Verschillende malen werden we door een schildwacht aangehouden. Ook een luitenant van de artillerie zag ik daar. Steeds werd door ons geïnformeerd, maar niemand wist iets van parachutisten af. Een paar boerderijen bleken nog bewoond te zijn. We klopten den boer eruit en kregen in goed Utrechts dialect te hooren, dat ook zij niets van parachutisten gezien hadden. Tenslotte kwam ik bij een artilleriecommandopost vanwaar ik Woudenberg opbelde en mijn bevindingen meedeelde. Ik kreeg opdracht weer naar Woudenberg terug te gaan.
12 Mei 1940.
Te pl.m. 2.30 uur meldde ik mij op het Bataljonsbureau, waarna ik een korte en diepe rust genoot. Weer kwam bevel, dat te 5.00 uur de stelling volledig bezet moest zijn. Die Zondag verliep vrij rustig. Er kwam bericht binnen, dat er 50.000 Franschen in Breda en 10.000 Engelschen in Utrecht waren. De Nederlanders, gesteund door de Franschen waren uit Limburg 25 kilometer op Duitsch gebied doorgedrongen. Daar stond tegenover, dat de Duitschers den IJssel hadden overschreden en bij de Grebbelinie verwacht konden worden.
Te pl.m. 16.00 uur was er bataljonsrapport. De Bataljonscommandant begon ernstig: "Mijne Heeren, heden zullen we ijzer zien. De Grebbelinie is doorbroken en wij moeten helpen aan een tegenaanval. Ik ga met den Adjudant vooruit, kapitein KOUDIJS zal het Bataljon leiden. Alleen de Mitrailleurcompagnie gaat per auto. 17.00 uur afmarsch. Opstellen op den weg naar station Woudenberg, volgorde 1, 3, 2. Te volgen weg: kunstweg naar Scherpenzeel tot zuivelfabriek // Lagemaat // overgang spoorlijn bij kilometerpaal 60 // langs een nieuwen weg naar Nieuw-Amerongen (vt. 162,6-448,4) // langs nieuwen weg naar viersprong vt. 165,4-446,3. Het bataljon opstellen op den weg naar Bergzicht, de staart van de colonne 100 meter voorbij het genoemde kruispunt. Alle treinen voorloopig in Woudenberg achter. Eventueele bevelen daarvoor worden later gegeven".
De beschikbare tijd was kort. Per man liet ik 40 patronen extra uitdeelen om in de broekzakken mee te nemen. Verder een drietal aanvalshandgranaten in de broodzak. Alles werd op de fietsen gebonden en zoo stond ik te 17.15 uur gereed voor de afmarsch. Gelukkig de tweede en derde compagnie waren er al. Eén mijner manschappen had een lichte motorfiets. Die werd toegevoegd aan de voorpatrouille om de schildwachten, die we moesten passeeren in te lichten en te zorgen, dat we ongehinderd konden doorrijden.
Ik stelde mijn stafkaart ter beschikking van een cadet-sergeant en belastte hem met het volgen van den juisten weg. Het eerste gedeelte moest gelezen worden van een kaart met de oude vierkantenindeeling, het laatste gedeelte van één met de nieuwe indeeling. Als aansluitend hiertusschen had ik een oleaat gemaakt. Bij de melkfabriek werd het mij echter al duidelijk, dat de sergeant onvoldoende kaart kon lezen, waarom ik mij zelf naar het Hoofd begaf en de kaarten weer van hem overnam. Omdat dit de eerste tocht van het bataljon op de fiets was, had ik een snelheid genomen van niet meer dan 12 kilometer per uur. Toch bleek deze snelheid nog te groot om het verband te bewaren.Ik liet de motorordonnans een paar maal de colonne langs rijden om mij te melden, hoe een en ander ging.
Gekomen op 165-446,6 hoorden we artillerie-projectielen dichtbij inslaan. Even daarna kwamen wielrijders van een eigen onderdeel haastig teruggereden. Ze riepen me van ver al toe: "Kapitein, je kunt er niet door, de weg ligt onder vuur!" "Blijkbaar een storend vuur", realiseerde ik mij en gaf bevel om te stoppen en te dekken. De vluchtende manschappen ving ik op en wees eenige boerderijen aan, waar verschillende groepen zich moesten dekken. Een gewonde 2e Luitenant en een sergeant liet ik naar de achter ons gelegen verbandplaats brengen. De sergeant, die het zwaarst gewond was, per motor.
Na een paar minuten hield het vuren op. Ik rekende op een korte vuurpauze. Na 2 minuten begon het vuur opnieuw en hield ongeveer 4 minuten aan. Ik kon nu op een langere vuurpauze rekenen en gaf bevel door te rijden.
In verband met de plaats, waar de projectielen gevallen waren, besloot ik mijn opdracht zoo te wijzigen, dat de staart van het bataljon ongeveer 1 kilometer voorbij het kruispunt kwam. Toen werd ik door den Luitenant-Adjudant van ons bataljon geroepen. Ik deelde hem mede, waarom ik zoover doorreed. Dit werd goedgekeurd. Besloten werd de manschappen in alarmkwartieren onder te brengen. Ik wees de verschillende sectiecommandanten aan van welk huis ieder gebruik mocht maken. In één der huizen werd brood en stroop op tafel gevonden met een briefje erbij: "Eet er maar lekker van". Ik gaf toestemming daaraan gevolg te geven. Later bleek dit zeer gelukkig, want na het transport der Mitrailleurcompagnie, wat in 2 maal geschiedde, kwam het middageten aan de beurt. Dit arriveerde na middernacht en heeft verschillende onderdeelen in het geheel niet bereikt.
De Luitenant VAN AALST van 1-I-20 R.I. kreeg opdracht een terrein nabij Achterberg te verkennen om als uitgangsstelling dienst te doen.
Er werden reepen chocolade rondgedeeld en eenigen tijd later verspreidde zich het gerucht, dat het vergiftigde reepen waren, die de Duitschers hadden laten vallen. Voorzichtig proefde ik de chocolade: niets bijzonders te bemerken. Toen gaf ik toestemming de chocolade op te eten. Geen der mannen heeft iets nadeeligs ondervonden.
We hadden verschillende posten uitgezet, die ik eenige malen controleerde. Tegen donker kwam iemand, ik meen een sergeant-majoor van het Indische leger, met 2 officieren en 7 minderen. Hij had reden deze menschen te wantrouwen. Ik ondervroeg ze stuk voor stuk. Ze gaven voor van de IJssellinie te komen. Het was daar een echte hel geweest. De Compagniescommandant was gesneuveld en de Compagnie uit elkaar geslagen. Ze waren door geïnundeerd gebied gewaad. De officieren hadden geen revolver of revolvertasch aan het draagriemstel. Ze beweerden die te hebben weggegooid. Dit kwam me onwaarschijnlijk voor en dus heb ik ze gevangen verklaard. Ik bracht hen bij den Bataljonscommandant, die ze onder toezicht van den inmiddels teruggekomen Luitenant VAN AALST naar Commandant 15 R.I. liet brengen. Deze gaf den Luitenant van AALST opdracht voor verder transport, waardoor ik hem als sectiecommandant miste. De 1e sectie stond toen onder commando van sergeant BROERS.
Nog steeds was den Bataljonscommandant geen definitieve opdracht bekend. Eindelijk tegen 24.00 uur werd hij per auto van Commandant 15 R.I. gehaald. Ik bleef als opvolger op de Bataljonscommandopost.
Toen de Bataljonscommandant terugkwam werden onmiddellijk maatregelen genomen om zoo spoedig mogelijk de Compagniescommandanten bij elkaar te krijgen. Onderwijl hoorde ik van den Bataljonscommandant, dat hij tot ongeveer 3.00 uur vergeefs bij Commandant 15 R.I. had zitten wachten. Toen bleek, dat de Luitenant-Kolonel LAND met de tegenaanval was belast. Toen deze zijn orders gegeven had, was onze Bataljonscommandant ten spoedigste naar de commandopost teruggekeerd. Ondertusschen waren ook de andere ondercommandanten gekomen. We kregen ongeveer de volgende uiteenzetting.
"De tegenaanval wordt ondernomen met 4 bataljons. De gereedstelling werd ons op de kaart nauwkeurig aangewezen. Zie schets 2. Ons bataljon is rechterachterbataljon en krijgt een frontbreedte van 800 meter. De achtergrond van ons vak wordt gevormd door de spoorlijn. De opstellingen van de eigen troepen zijn niet precies bekend, maar moeten ongeveer zijn als op schets 2 aangegeven.
De twee voorbataljons zullen de Duitschers terugwerpen. Het linkerachterbataljon herovert Kruiponder, ons bataljon zuivert het terrein tusschen de eigen troepen en de spoorlijn van vijand. De 1e Compagnie, waaraan toegevoegd één sectie zware mitrailleurs, houdt als rechtergrens de spoorbaan en als linkergrens een lijn, die daaraan evenwijdig loopt op ongeveer 350 meter. De Compagnie moet doorgaan tot den Rijn. Ook de andere compagnieën kregen hun opdracht."
Tijdens deze besprekingen verscheen de Overste LAND, die het volgende mede deelde:
"Eén der bataljons zal niet op tijd kunnen zijn. Daarom draag ik Kapitein VERMEER op met zijn Compagnie Kruiponder te hernemen. Die opdracht is moeilijk, maar daarom voor U des te eervoller."
Te 5.00 uur moest de gereedstelling zijn ingenomen. Het was ondertusschen 4.50 uur geworden. De dichtstbijzijnde afdeeling moest nog ongeveer anderhalve kilometer loopen. Het verwonderde mij, dat te 5.15 uur het bataljon met verkorte afstanden stond opgesteld. Het bevel: Voorwaarts liet nog op zich wachten. Dan kwam bericht, dat het vierde bataljon toch nog kwam en dus Kapitein VERMEER niet naar Kruiponder zou gaan. Onderwijl werd brood met worst gebracht. Hoewel de Bataljonscommandant vreesde, dat het bevel voor oprukken elk oogenblik kon komen, liet ik het brood dadelijk uitdeelen. In de wachttijd hadden de meesten nog tijd om het ontbijt te nuttigen.
Te ongeveer 6.00 uur moesten we voorwaarts. Het terrein was niet gemakkelijk, maar dank zij een langzaam tempo, kon het verband bewaard blijven. In Achterberg moesten we op het voor ons liggende bataljon wachten. Daar lagen landmijnen, waarvan we niet op de hoogte waren. Naar mij is medegedeeld is een korporaal daardoor om het leven gekomen. Een geniesoldaat lichtte mij in over de mijnen, die in mijn nabijheid te vinden waren.
De sectie zware mitrailleurs, die aan mijn Compagnie was toegevoegd, moest tot Achterberg den kunstweg volgen en zich daar bij mij melden. Naar ik meen is de Commandant, de sergeant VASTENEKKER, wel bij de commandogroep geweest, maar ik heb hem in het geheel niet gezien. De Reserve Adjudant-onderofficier van Amersfoort bleek onwel te zijn. Teneinde van een goed aangevoerde sectie zeker te zijn, droeg ik het commando voorloopig op aan den sergeant SIMONS. Op eenigen afstand zag ik onzen Bataljonscommandant. Ik ging naar hem toe. Juist werd hij door een Luitenant gewaarschuwd, dat er uit een op 50 meter afstand staand huis seinen gegeven waren in de richting van de Duitschers. Ik kreeg opdracht het huis te laten onderzoeken. De sergeant, aan wien ik opdracht daartoe gaf, wist niet hoe hij dat precies moest doen. Persoonlijk heb ik de manschappen buiten het huis aangewezen en liet den sergeant met 2 man naar binnen gaan. Daarop ging ik weer naar den Bataljonscommandant en meldde, dat aan de opdracht werd voldaan. Eenige minuten later kwam de sergeant melden, dat er in het huis niemand te vinden was. Nog geen 5 minuten later kreeg het huis een voltreffer van de Duitsche artillerie. Eén en ander deed mij den Bataljonscommandant in overweging geven den Luitenant te doen bewaken. Nog steeds was het bataljon voor ons niet verder gekomen, hoewel het al 9.00 uur was. Plotseling hoorden we toen een hevig geweer- en mitrailleurvuur Oostelijk van Achterberg. Hoewel de afstand niet nauwkeurig bepaald kon worden door de tusschen liggende huizen moest het betrekkelijk kort bij zijn. Kort daarop zagen we Nederlandsche soldaten, die zuid van Achterberg in Westelijke richting vluchtten. Daarop gaf mijn Bataljonscommandant mij bevel voorwaarts te gaan en de voor mij liggende troepen te doorschrijden.
Ik gaf het teeken voorwaarts, dat van 5 kanten herhaald werd, en de Compagnie zette zich in beweging. De stroom vluchtende soldaten maakte een ordelijk voorwaarts gaan zeer moeilijk. Verschillende kwamen in mijn omgeving. Die heb ik allemaal gecommandeerd met mijn Compagnie mee te gaan. Een drietal, die het niet onmiddellijk deden en een zeer angstigen indruk maakten, heb ik erop gewezen, dat ze de keus hadden tusschen meegaan of vallen door eigen kogels. Toen gingen ze met ons mee. Na de eigen troepen doorschreden te hebben, kreeg ik overzicht van de Compagnie.
Links vóór ging de 2e sectie onder vaandrig BUISMANS
Rechtsvoor de 3e sectie onder Luitenant WESTERBEEK
Rechtsachter de 4e sectie onder sergeant SIMONS.
Deze secties waren niet op volledige sterkte. Zoo ontbrak aan de 3e sectie de groep van sergeant OOSTERWIJK. Later vernam ik, dat de Adjudant-onderofficier VAN AMERSFOORT wel hersteld was, maar door Overste LAND was aangewezen als Commandant munitiedepot.
De 1e sectie onder sergeant BROERS was geheel verdwenen. Ook van de commandogroep was niemand gevolgd (Later vernam ik, dat de sergeant OOSTERWIJK en de sergeant TROMP met hun groep diezelfde avond al in Woudenberg waren en daar een verhaal deden over een in de pan gehakte 1e Compagnie met een gesneuvelde Compagniescommandant en meer van dat moois). Ik stuurde een ordonnans naar de achtergebleven onderdeelen. Deze is niet teruggekeerd en evenmin heb ik één der achtergeblevenen terug gezien.
Nog geen 20 meter verder waren we niet meer door huizen beschut. Plotseling tikten rechts van ons de lichte mitrailleurs, die kennelijk het vuur op ons openden. Van links en recht vooruit kregen we vuur van geweren, lichte mitrailleurs en zware mitrailleurs. Voorwaarts gaan was voor ons verder onmogelijk. Daar het terrein weinig beschutting bood, liet ik de mannen ingraven. Het bleek noodzakelijk man voor man zijn plaats aan te wijzen. Meermalen lagen 2 mannen achter elkaar en begonnen zoo te graven. Ik liet ze ingraven zooals op schets 3 (geheugenschets) staat aangegeven. Terwijl ik daar liep werd op betrekkelijk korten afstand een lange stoot uit een of ander automatisch wapen afgegeven. Ze kwamen uit westelijke richting.
Ik ging naar huis B (schets 3), waar ik 2 zware mitrailleurs vond opgesteld. Ik vroeg of uit dat huis geschoten was. De Luitenant-commandant antwoordde ontkennend. Ik onderzocht de mitrailleurs, die werkelijk koud bleken te zijn. Daarop maakten we kennis en brachten elkaar met de wederzijdsche opdrachten op de hoogte. Hij had de beschikking over een rijwielordonnans, die hij afstond.
Ik stelde een schriftelijk bericht op voor Commandant I-20 R.I. en gaf den ordonnans aanwijzingen, waar hij dien vinden kon, namelijk bij Achterberg (2e commandopost) of aan de Zuidelijke Meentweg (1e commandopost). Deze ordonnans kwam (naar ik meen anderhalf uur later) terug met de mededeeling, dat Commandant I-20 R.I. nergens te vinden was.
Toen ik bij de 3e en 4e sectie terugkwam, werd ik gewaarschuwd door sergeant SIMONS, dat de vuurbundel weer langs huis C (zie schets) lag. Door het schieten aan alle zijden had ik dat niet gemerkt. Ik wachtte tot ik geen kogels meer langs me hoorde gaan en bedankte den sergeant, waarbij ik opmerkte, dat hij al weer zien kon, waarvoor de reglementen dienden: wachten tot de vuurpauze. Ik stond daar bij Luitenant WESTERBEEK, sergeant SIMONS en sergeant OLDE LOHUIS. Ik besprak het vuur, dat van de rechterzijde kwam en waren we van meening, dat het dichtbij werd afgegeven. Er was echter geen rook te bemerken. We gingen samen naar huis A, terwijl de manschappen rustig doorgingen met graven.
De Onderofficieren doorzochten het huis terwijl wij buiten de wacht hielden. Er werd niets verdachts in aangetroffen. Juist toen mij dit door den sergeant SIMONS gemeld werd, kwamen eenige vijandelijke vliegtuigen over het huis. Ze lieten lichte bommen vallen, waardoor het dak ernstig beschadigd werd. Ik hield den Luitenant en de Onderofficieren in de uitgebouwde keuken en stond zelf voor de keukendeur onder een houten afdakje. Ten tweede male kwamen de vliegtuigen en lieten weer lichte bommen op het huis vallen.Ik had gelukkig goed gezien, want de keuken werd niet geraakt, terwijl weer de stukken van het dak vlogen. Nog tweemaal kwamen de vliegtuigen terug en openden mitrailleurvuur op het huis. Daarna verwijderden ze zich. We konden ongedeerd naar de linie gaan. Daar had zich hetzelfde afgespeeld. Dank zij het ingraven waren alle bomsplinters over de menschen heen gevlogen. Door het mitrailleurvuur was een man licht gewond.
Ondertusschen begon een vijandelijke aanval uit Zuid-Oostelijke richting. De eerste golf was reeds uit de boschrand gebroken. Daar hoorde ik in huis B het bevel verzamelen. Ik ging er onmiddellijk heen en gaf den Luitenant last te blijven. Deze verzocht mij Kapitein TERMATEN hiervan in kennis te mogen stellen, waar ik geen bezwaar tegen had. Eenige minuten later kwam Kapitein TERMATEN in huis B bij me en samen bespraken we den toestand. Beiden waren we alle contact kwijt, zoowel met onze commandanten als met nevenafdeelingen. Het vijandelijk vuur nam in hevigheid toe, de aanval was begonnen en juist begon de vijandelijke artillerie mee te spreken. Iets bereiken met de weinige manschappen, waarover wij beschikten leek ons onmogelijk. We besloten daarom terug te trekken, tot we weer verband hadden gekregen. Ik gaf bevel te verzamelen en stelde me onder commando van kapitein TERMATEN (Later bleek me, dat de tweede Sectie niet uit het bezette terrein kon komen). Ik kreeg het bevel over pl.m. 20 man en moest daarmede het front beveiligen. In Achterberg was geen enkele soldaat te bekennen, geen Nederlander en geen Duitscher. Toen ik daar was, had de rest de huizen ontruimd en werd huis B door een artillerie projectiel getroffen. Ook later afgeschoten projectielen vielen achter ons. De rijwielen, die we 's morgens hadden achtergelaten, waren vrijwel alle verdwenen, zoodat we geheel moesten loopen. Bij de Noordelijke Meentweg troffen we enkele andere onderdeelen aan. Hier trof ik onder andere Reserve Majoor PANNEKOEK, Commandant I-20 R.I., de Reserve Luitenant VAN AALST, terwijl daar ook de Luitenant-Kolonel LAND was. In totaal waren er ongeveer 360 officieren en minderen van de 2400 die 's morgens in de gereedstelling stonden.
We kregen opdracht daar een stelling te organiseeren à cheval van den kunstweg. Ik kreeg het bevel over de helft van de aanwezige manschappen, waarmee ik het vak bezetten moest van den kunstweg (n.i.) tot de spoorbaan (inbegrepen). Al spoedig kreeg ik bericht, dat kleine vijandelijke patrouilles de spoorbaan in westelijke richting waren overgestoken. Op 200 à 300 meter afstand werd er op ons gevuurd. We stonden dicht achter een korenveld terwijl achter ons pl.m. 150 meter vlak land was. Daarom vroeg ik toestemming mijn gedeelte 150 meter achterwaarts te verplaatsen. Dit werd goed gevonden. Met een sergeant, een mitrailleurschutter en een man met 4 trommels verzorgde ik het vuur. De anderen liet ik onder toezicht van den oudsten Luitenant groepsgewijze terugtrekken. Ten slotte ging ik met de bovengenoemden naar de nieuwe stelling. De duisternis begon te vallen en in de laatste periode was geen vijandelijk schot gevallen. Ik liet de magazijnen ledigen en gaf bevel, dat gedurende den nacht alleen met de bajonet gevochten zou worden. Kort daarop vlogen weer eenige "fluit-projectielen" om ons heen. Teneinde de manschappen, die niet met wacht belast waren, in de gelegenheid te stellen te rusten, trokken wij terug tot Dikkenberg. Ze werden ondergebracht tusschen Dikkenberg en Bergzicht. De nacht verliep rustig. Tegen half vier ging ik met den Reserve Majoor PANNEKOEK buiten wandelen. Eenigen tijd later kwam een officier per motor. Bij Dikkenberg moest een stelling zijn bezet door een bataljon van 15(?) R.I. Er was echter niets te vinden. We hoorden tevens, dat vele troepen uit de omgeving waren teruggetrokken. Majoor PANNEKOEK besloot daarom ook verder terug te trekken. Te 5.00 uur stond pl.m. 100 man aangetreden. We hoorden, dat van een bataljon de manschappen 's nachts verzameld waren en in de richting Utrecht waren vertrokken. Daarvan was echter geen mededeeling aan Majoor PANNEKOEK gedaan, die de oudste aanwezige was. Uit een cantine werden vlug eenige koeken rondgedeeld, daar het noodrantsoen reeds den vorigen avond genuttigd was. Plotseling werden we van drie zijden bevuurd met geweer- en mitrailleurvuur. Ik haastte mij naar de cantine, bracht mijn uitrusting in orde en zag, dat de manschappen langs de achterzijde het terrein verlieten. Er bleef niets anders over dan mee te gaan. Zoo spoedig mogelijk trachtte ik de voorsten te bereiken en gaf het bevel halt te houden. We maakten keert en wachtten op wat er verder zou gebeuren. Toen bleek, dat de afdeeling in tweeën gesplitst was. Bij de afdeeling, waar ik bij was, bleek, dat Kapitein TERMATEN de oudste was. Hij belastte mij met het commando over de voorpatrouille en gaf opdracht te marcheeren naar onze eigen troepen te Amerongen. Tijdens de marsch hoorden we aan het vijandelijk artillerievuur, dat Amerongen in handen van den vijand moest wezen. Ik veranderde onze richting meer noordelijk. Op een heiweg loopende kwamen vijandelijke vliegtuigen over ons. We dekten ons en werden niet opgemerkt. Maar weer verder, tot we bij de kleine GINKEL een kunstweg moesten passeeren. Weer vijandelijke vliegtuigen, waarvoor we ons moesten dekken. Juist waren we voorbij, toen twee vijandelijke pantserwagens, die ongemerkt uit noordelijke richting genaderd waren, vlak bij ons stil hielden. Enkele manschappen wilden vluchten, maar onmiddellijk werd er een automatisch wapen op hen afgevuurd. De Kapitein TERMATEN ging naar de pantserwagens en zei tegen ons: "Hier kunnen we niet tegen op; we moeten ons overgeven."
Aanvankelijk werd alleen ons pistool afgenomen. Later moesten we de geheele uitrusting, inclusief helm en gasmasker, aan den kant van den weg gooien. Een Luitenant die opmerkte, dat het van de officieren particulier bezit was, kreeg een klap in het gezicht. Daarna werden we door de stoottroepen aan volgende afdeelingen overgegeven.
Na mijn terugkeer op 9 Juni 1940 vernam ik, dat alle goederen, die we in Woudenberg en op het gevechtsveld hadden achtergelaten, verloren zijn gegaan. Daarbij behoort ook mijn velddagboek, zoodat ik alle hiervoor vermelde feiten uit het hoofd heb moeten opschrijven. Op vele plaatsen ben ik daarom in gebreke gebleven het juiste uur te noemen.
Utrecht, 19 Februari 1941
De Reserve Kapitein,
w.g. G.H. Koudijs.
|

