Verslag van reserve-kapitein W.F. Brederode
afschrift.
Reserve-kapitein
W.F. BREDERODE.
---------------------------
Onderwerp:
Gevechtsverslag
Scheveningen 24 Augustus 1940.
Naar aanleiding van Uw kantbrief van 17 Augustus 1940 die mij in verband met mijn afwezigheid eerst heden bereikte doe ik U in de eerste plaats opmerken, dat de 19e Compagnie Mortieren onder mijn bevel ingevolge het verdedigingsbevel van Commandant 19 R.I. als volgt verdeeld was. De 1e sectie-19e Compagnie Mortieren stond tactisch onder de bevelen van Commandant III-19 R.I. den Majoor W.F. WEBER. De 2e en 3e sectie van de 19e Compagnie Mortieren waren ingedeeld bij I-19 R.I. den Majoor Meijerman. Ingevolge genoemd verdedigingsbevel van Commandant 19 R.I. moest ik mij melden op commandopost Commandant 19 R.I. Dit werd door Commandant 19 R.I. bepaald in verband met den grooten afstand, die de secties van de 19e Compagnie Mortieren scheidde. Het gevolg van een en ander is, dat ik niet in staat ben uit eigen waarneming een gevechtsverslag te maken van de 19e Compagnie Mortieren.
Hieronder gelieve U aan te treffen, datgene, dat mij werd medegedeeld door mijn ondercommandanten, den sergeant G.A.S. TIEHUIS, Commandant 1e sectie en den reserve 1e Luitenant H. Lindeman, Commandant 2e sectie die ook fungeerde als Commandant 3e sectie, die eveneens was ingedeeld in het vak van I-19 R.I.
De 1e sectie van de 19e Compagnie Mortieren, ingedeeld bij III-19 R.I. heeft geen schot gelost, daar Commandant III-19 R.I. het blijkbaar beter oordeelde de manschappen van de hem toegewezen 2 stukken te gebruiken voor het "jacht maken" op eventueele parachutisten. Door genoemden Bataljonscommandant werd mij geen advies gevraagd betreffende het gebruik van de in zijn vak opgestelde twee stukken. De 1e sectie is eenige malen blootgesteld geweest aan artillerie en vliegtuigbommenwerpers, die evenwel, afgezien van een onbeteekende verwonding van een der manschappen geen slachtoffers maakten.
De Commandant 2e sectie, de 1e Luitenant Lindeman heeft op 11 Mei een vuur uitgebracht op een huis aan de overzijde van de Grift, omdat het vermoeden bestond, dat in genoemd huis een Duitsche patrouille zat.
Later, tijdens een terugtocht, heeft de Luitenant Lindeman nog opdracht gehad, het munitiedepot van I-19 R.I., gelegen bij wachthuis 29 aan de lijn Veenendaal-Rhenen, te verwoesten.
Over de resultaten van beide vuren kon geen zekerheid verkregen worden.
Door de betreffende sectiecommandanten werd mij op Fort Honswijk medegedeeld, dat geen verliezen te betreuren waren.
Bij een bezoek aan de frontlijn van I-19 R.I. met Commandant 19 R.I. bleek mij, dat bij de manschappen een uitstekende stemming heerschte. Van angst of onzekerheid viel niets te bespeuren. Een bezoek aan de in het vak van III-19 R.I. gelegen onderdeelen werd verhinderd door een urenlange artilleriebeschieting, waaraan de commandopost van Commandant 19 R.I. op Zondag 12 Mei werd blootgesteld.
Met het bovenstaande hoop ik U zoo volledig mogelijk ingelicht te hebben. Nogmaals wijs ik er U nadrukkelijk op, dat ik uitsluitend heb moeten afgaan op mededeelingen, die mij door mijn ondercommandanten werden verstrekt.
Daar ik bij den terugtocht belast was met het commando over het personeel van Staf 19 R.I., dat ik over Amerongen en Cothen naar Fort Honswijk moest brengen, heb ik vanaf Maandag 13 Mei te 14.00 uur volledig het contact met mijn compagnie verloren.
de reserve-kapitein,
Commandant 19e Compagnie Mortieren
(get.) W.F. Brederode.
|
