Verslag van reserve-tweede luitenant C. van der Straaten

afschrift.

VERSLAG VAN DE GEBEURTENISSEN, WELKE HEBBEN PLAATSGEVONDEN BIJ
3-III-19 R.I., IN DE PERIODE 10 t/m 14 Mei 1940.
Compagniescommandant = reserve-kapitein VAHL.
Bijlage: 1 schets [zie brondocument onderaan deze pagina]

De reserve 2e Luitenant C. van der Straaten, ingedeeld bij 3-III-19 R.I., verklaart het volgende te hebben meegemaakt gedurende de periode 10 t/m 14 Mei '40.

10 Mei 1940.

's Nachts tusschen 0.00 uur en 1.00 uur werd de artillerie in de Openbare Lagere School aan den Achterbergschestraatweg, recht tegenover mijn kwartier: Achterbergschestraatweg 193, gealarmeerd. Graad van gevechtsvaardigheid 3 was ingegaan. Ik ben toen dadelijk opgestaan, evenals de reserve 1e Luitenant Hartgerink (Commandant Verbindingsafdeeling - III-19 R.I.), met wien ik samenwoonde. Wij begrepen wel, dat dit geen oefening was, aangezien zeer kort tevoren een alarmoefening was gehouden.

Om ongeveer 2 uur was ik bij de compagnie, 3-III. Hier kwam ook juist het bericht van graad 3 af. De compagnie werd gewekt en alles in orde gemaakt, zooals bij toestand 3 moest gebeuren. Intusschen hoorden wij door de radio dat vliegtuigen over ons grondgebied vlogen en pl.m. 3.00 uur passeerden vele toestellen onze legeringsplaats. Wij wisten toen nog niet of het een luchtraid op Engeland betrof, danwel of het een aanval op Nederland gold. Door de luchtdoelartillerie, welke bij Achterberg stond, (op de heuvels bij de Lijstereng), werd gevuurd, echter zonder zichtbaar resultaat.

Om pl.m. 4.00 uur kwam graad 4 af, een ½ uur later vertrok de compagnie, volledig uitgerust en alles in orde, naar de stelling. Juist bij ons vertrek zagen wij kort na elkaar 2 vliegtuigen brandend neerstorten. Het moreel van de troep was uitstekend. Iedereen kende zijn plicht en zijn taak.
Tusschen 5.00 uur en 5.30 uur was de stelling volledig bezet. Alle maatregelen voor een lang verblijf werden genomen, onder andere: verdeeling munitie, noodrantsoenen, water, stroo voor legering enz. enz.
Om 8.00 uur kregen wij het bevel, niet op Engelsche en Fransche vliegtuigen te vuren. Hiermede waren wij dus bondgenooten van Engeland en Frankrijk en dus met Duitschland in oorlog.
De heele dag en ook Zaterdag vlogen zeer vele vliegtuigen over ons stellinggebied.

Van 14.00 uur tot 16.00 uur ben ik met een sergeant en 2 man over de inundatie geweest, ter verkenning van den weg naar het gebied van de waarschuwende voorposten, waar ik 11 Mei om 6.00 uur naar toe zou moeten. Zonder tegenwind is het een afstand van een half uur roeien. Vliegtuigen wierpen toen bommen in de omgeving van Rhenen en zoowel bij Veenendaal, als Noord en Oost van de Grebbeberg stonden huizen in brand. Noord en Oost van de Grebbeberg vielen ook bommen uit vliegtuigen.
Tusschen 22.00 uur en 24.00 uur kreeg ik van den Compagniescommandant bevel om op voorposten te gaan.

11 Mei 1940.

Om 5.30 uur op voorposten gegaan. Terug om 15.00 uur. Gebeurtenissen aldaar, medegedeeld in de afgelegde verklaring op 4 Juli 1940.
Het stellinggebied lag de geheele dag op onregelmatige tijden onder artillerievuur.
Veel geruchten deden in de stelling de ronde.

12 Mei 1940.

Vrijwel aanhoudend lagen wij onder vijandelijk artillerievuur. Hierbij was een waarnemingsvliegtuig regelmatig in de lucht vlak bij ons stellinggebied.
In de middag kwam het bericht dat onze troepen vanaf de Grebbeberg een tegenstoot in Oostelijke richting zouden doen.
Om 16.00 uur zou men uit de uitgangsstelling uitbreken met twee Bataljons Infanterie, die gesteund werden door eigen artillerie, vliegtuigen en een kanonneerboot op den Rijn. Het doel was den vijand, die reeds tot over de sluis zou zijn doorgedrongen, terug te slaan tot voor Wageningen en zoo onze weerstandbiedende voorposten in de Nude weer te bezetten.
De Compagniescommandant verzocht dit relaas ook aan de troep mee te deelen; opdat de menschen-

[pagina 2 van het verslag ontbreekt in het origineel]

de opwinding en bij vergissing, den sergeant Saring [Sarink] dood heeft geschoten (Ik hoorde dat de volgende morgen). Driemaal is toen een lichtkogel afgeschoten, die het geheele terrein in een zee van licht zette (de volgende morgen werd door soldaten verteld, dat deze lichtpatronen bij de Bataljonscommandopost waren afgegeven en [om] de omgeving te verkennen).

2.30 uur kreeg Commandant 3-III telefonisch bericht: "Wij zijn door vijand omsingeld, gij moogt niet meer opbellen". Ik heb den Compagniescommandant gevraagd toch te mogen opbellen, hetgeen hij uitstekend vond aangezien wij het een vreemd bevel vonden. De telefonist verbood eerst te bellen, gezien de juist ontvangen order, doch ik zeide het toch te willen probeeren. Het gelukte echter niet meer om verbinding te krijgen. Of de draad was stuk, of de stekker was aan de andere kant uit de centrale getrokken.
Van de pag., wisten wij dat Kapitein Westhoff met zijn compagnie moest zijn teruggetrokken. De verlichtingswagens der zoeklichten met manschappen waren ook teruggetrokken.
Onze compagnie was zonder naasthoogere commandant en mede door de lichtkogels om ons heen meenden wij reeds aan twee zijden (Zuid en West) omsingeld te zijn.

De Compagniescommandant stuurde mij uit om te vernemen hoe het met 2-III was gesteld, die Noord van ons zat. Ik ben geweest naar een boerderij 300 m Noord, van onze stelling, links aan de Weteringsteeg waar ik aantrof: sergeant-majoor-instructeur Brun met ongeveer 15 man. Ik vroeg of 2-III nog geheel op zijn plaats zat. Er ging iemand naar den Compagniescommandant die echter niet gevonden kon worden op dat oogenblik. Met deze ervaring ben ik teruggekeerd naar Commandant 3-III, die ten slotte besloot terug te trekken aangezien wij dan contact konden zoeken met andere onderdeelen en zoo een meer effectieve weerstand te organiseeren dan hier in het open terrein.

3.30 uur trok 3-III terug op het boschperceel aan den hoek Weteringsteeg en Zuidelijke Meentsteeg. Hier bevond zich nog de sectie van den 1e Luitenant Stuijt. Verder bevonden zich daar op dat moment: de Vaandrig van Bergen Henegouwen met een stuk zware mitrailleur en de Adjudant-onderofficier-instructeur Mooijweer met een aantal manschappen. Voorloopig stelden allen zich gedekt op in het bosch. Kapitein Vahl (Commandant 3-III) wist kapitein Van der Meulen (Commandant 2-III) te vinden en besloten werd terug te gaan naar de oude stelling, aangezien wij ondanks inname van de Bataljonscommandopost en de vele lichtsignalen, toch nog geen vijand hadden gezien.

Om 4.30 uur waren wij terug in onze stelling, waarin wij in allerijl schietsleuven in de richting Zuid en door de achterwal (richting West) gingen maken.
Twee manschappen van mijn sectie boden zich onmiddellijk aan om naar de Bataljonscommandopost te gaan om daar te gaan zien wat nu eigenlijk was geschied.
Het stuk zware mitrailleur van den Vaandrig van Bergen Henegouwen werd geplaatst front Zuid aan de Weteringsteeg in het boschperceel Zuidwestelijk van de 1e sectie (zie bijgaande situatieschets).
Terwijl wij met deze werkzaamheden bezig waren, verschenen 2 Nederlandsche vliegtuigen zeer laag boven onze stelling. Wij zwaaiden hevig met zakdoeken, om toch maar te toonen dat wij er nog waren en dat wij hulp noodig hadden. Zij verdwenen weer schielijk.

Intusschen zocht de Compagniescommandant opnieuw telefonische verbinding met de Bataljonscommandopost Hier kreeg hij normaal antwoord en er bleek niemand te zijn weggeweest. Van een bezetting door den vijand was in het geheel geen sprake geweest. Ook de patrouille van mijn sectie bracht dit bericht. Wij wantrouwden vanaf dat moment elk bevel. Van de compagnie hebben wij een man volledig onderzocht en gefouilleerd, aangezien wij hem niet vertrouwden. Dit onderzoek had echter geen resultaat. Verschillende andere soldaten lieten wij speciaal in de gaten houden.

Om 8.00 uur kwam langs de Weteringsteeg een troep oprukken, in de richting Zuid. Zij moesten een tegenaanval gaan doen op de Grebbeberg. Vermoedelijk is langs ons heen getrokken een Bataljon. Deze troepen waren vermoeid en hongerig. Zij wisten niet waar de vijand zat en zij beseften slecht wat zij eigenlijk moesten gaan doen. Wij waarschuwden de officieren om aan de andere zijde van de Vriessensteeg [Friesesteeg] in elk geval niet meer zoo dicht bij elkander te loopen, aangezien daar vijand zat.

Om pl.m. 9.00 uur ben ik met twee man naar commandopost III-19 R.I. gegaan, om den Majoor Weber te vertellen wat die nacht was geschied. Hij wist van het gebeurde niets af en zeide er ook niets van te begrijpen.
Tusschen 11.00 uur en 12.00 uur is het Bataljon dat de Grebbeberg moest aanvallen, weer teruggekomen.
Intusschen lagen wij aldoor onder zeer hevig artillerievuur vanaf 12.00 uur. Ook bommenwerpers waren bezig om de stellingen te bestoken.

Om 13.30 uur is de commandopost III-19 R.I. verlaten door Majoor Weber en zijn officieren, zonder waarschuwing aan kader en manschappen van Staf III. Evenmin werd Commandant 3-III van dit vertrek in kennis gesteld. Er was geen telefonische verbinding meer. Onder hevig artillerievuur is toen tegen 14.00 uur sergeant Koekoek met een of twee man naar de commandopost van het bataljon gegaan, om te zien wat daar nog was. Het bleek dat die post toen door den vijand was bezet. Deze was blijkbaar gekomen op motoren via Cuneraweg en Snijdersteeg. Twee motoren heeft deze patrouille onbruikbaar gemaakt door de benzinetanks stuk te schieten. Daarna is de patrouille teruggekeerd om 3-III deze waarnemingen te melden.

Het artillerievuur was zeer hevig en het was vrijwel onmogelijk om uit de schuilplaatsen te komen. De vijand zat in de bosjes op de rechter vleugel van de 1e sectie en vuurde uit de hoogte (vanuit boomen) door onze loopgraven, vanuit Zuidelijke richting. De kogels vlogen ook bij mijn sectie door de loopgraven doch vijand konden wij geen van allen waarnemen.

Om 14.45 uur had de vijand het kruispunt Vriessensteeg-Weteringsteeg bezet met ongeveer een sectie. Sergeant Dingeldein een Groepscommandant bij de rechter voorsectie vertelde mij later, hoe op dat moment de vijand die de boschjes Zuid van de 1e sectie had bereikt, de stelling van M.C.-III bestormde en er handgranaten in wierp. De menschen die in deze stelling zaten konden onmogelijk meer wegkomen.

Om 14.45 uur gaf Commandant 3-III het bevel: "Terugtrekken". Wij hadden bij de compagnie toen een gewonde, geen dooden.

Onder uiterst hevig artillerievuur en intensieve vliegtuigaanvallen hebben wij de stelling verlaten en zijn wij in Noordelijke richting teruggetrokken. Hierbij zijn ongeveer acht man gesneuveld. De levenden zijn allen meegekomen. In de stelling is niemand achtergebleven. Kapitein Vahl, Luitenant Drielsma en ik waren de laatsten die ons compagniesvak verlieten. De geheele troep was voor ons uit, zoodat wij konden nagaan of iedereen meekwam. Aldoor moesten wij dekken en sprongsgewijze voortrennen onder hevig artillerievuur en vliegtuigaanvallen. Verschillende van onze mannen hebben bij deze terugtocht het leven verloren.

Een deel van de troep is bij de splitsing Weteringsteeg - Zuidelijke Meentsteeg, deze laatste weg ingegaan. Het grootste deel echter ging rechtuit het verlengde van de Weteringsteeg, langs de boerderij Griffioen. Dit stellinggebied was door ons nevenbataljon reeds gedeeltelijk verlaten. Via de Schoutensteeg zijn wij op den Cuneraweg gekomen, waar wij het restant van de compagnie hebben verzameld.
De Cuneraweg werd op dat punt nog verdedigd door zware mitrailleurs, terwijl overal landmijnen waren gelegd. Wij trokken in Westelijke richting naar de Oude Veenendaalsche Weg, telkens dekkend onder geboomte voor vliegtuigen.
Om 18.00 uur waren wij bij de schietbaan aan de Veenendaalscheweg vt. 25-70. Hier vonden wij ook een restant van 1-III en van 2-III met hun commandanten terug. De kapitein Van der Meulen werd Commandant van dit bataljon.

Van een Majoor of Overste kreeg kapitein Van der Meulen het bevel met III-19 R.I. een front te maken in het bosch in vt. 24-70 en 25-70 100 m Noord van den weg vlak boven het woord Sparrenboomsche en evenwijdig met die weg. Uit een zandgroeve haalden wij stalen platen (waarover de zandauto's gereden hadden) die wij als borstwering gebruikten. Verder trachtten wij ons in te graven. In dit drijfnatte bosch (het had 's middags geregend) tusschen de hooge boschbessenstruiken was het een moeilijke taak. De geheele nacht heeft het bataljon in linie mannetje voor mannetje naast elkaar plat op de buik gelegen.

14 Mei 1940.

In de stikdonkere nacht durfde niemand zich te bewegen, want dan bestond de kans, dat een makker in zijn angst begon te schieten hetgeen enkele malen is gebeurd en waarmee een persoon is gewond. Op deze wijze moesten wij de aftocht dekken van de troepen uit Veenendaal enz.
Om 3.30 uur kregen wij bevel op te rukken naar het Noorden, doel: "Tracht de Vesting Holland te bereiken".
De groote weg naar Elst konden wij niet gaan, aangezien men beweerde dat vijand reeds Elst had bezet. Via Prattenburg, waar wij een ontzettende chaos aantroffen, trokken wij Noordwaarts. Steeds liepen wij door de bosschen. Bij vt. 20-73 had niemand meer een stafkaart, zoodat wij op goed geluk verder trokken door het Amerongsche Bosch.

Bij Amerongen hoorden wij in de verte beneden op de groote weg een ontzettend geschreeuw alsof daar een troep werd achtervolgd en in panische angst het veege lijf trachtte te redden. Wij trokken ons terug in de bosschen in Noordelijke richting.
Tusschen Amerongen en Leersum ontmoetten wij een ander bataljon. Slechts korten tijd zijn de twee bataljons samen verder getrokken. Daarna ging ons bataljon alleen verder, omdat wij beslist vlugger vooruit wilden. Een half uur later kregen wij bericht, dat het andere bataljon door een vijandelijke pantserwagen was overvallen en vrijwel geheel was gedecimeerd.

Langs plassen en vennen bij Leersum trok ons bataljon verder Noordwaarts, door een gebied waar veel telefoonlijnen lagen en veel tankvallen waren gemaakt in het bosch. Plotseling waarschuwde een onzer vooruitgeschoven patrouilles ons dat een vijandelijke pantserwagen naderde. In wilde vlucht rende toen een ieder dwars door bosch en veld, over hekken en door slooten, een tiental minuten door zoo onherbergzaam mogelijk terrein, om de pantserwagen te ontvluchten. Dit is gelukt.

Verder Noordwaarts werd opgerukt, de spoorlijn Utrecht-Arnhem werd overgestoken. Toen was het doel Westwaarts Utrecht te bereiken indien zulks nog mogelijk zou zijn en de vijand ons al niet voor zou zijn.
De meeste soldaten waren wapens en uitrusting kwijt en lichte mitrailleurs had het bataljon er geen een meer. De heele troep liep als een kudde bijeengeschoold langs den weg. De menschen waren door de emotie en de vermoeidheid niet meer uit elkaar te krijgen, hoe intens gevaarlijk deze wijze van vooruitkomen ook was.

Met mijn sectie gesplitst in 2 groepen ben ik toen dwars door het terrein in de richting Woudenberg getrokken, omdat ik voor mijn menschen de verantwoordelijkheid niet wilde dragen om straks door een plotseling om den hoek schietende pantserwagen als een kudde vee te worden afgemaakt.
In Woudenberg was nog geen vijand, wel werden daar de voorposten door vijandelijk artillerievuur bestookt. Wij trokken toen Westwaarts langs den grooten weg naar Zeist. Een kwartier nadat wij Woudenberg uit waren, werd dit plaatsje hevig gebombardeerd. Langs den weg vonden wij steeds doodvermoeide soldaten, die wij meenamen en opbeurden.

In een vrij langzaam tempo bereikte ik met ongeveer 40 man tegen 16.30 uur een bosch bij Zeist, waar ik het Bataljon terugvond, afgehangen en ontwapend en compagniesgewijze opgesteld, gereed om zich over te geven. Het bleek namelijk dat Zeist een ½ uur tevoren door den vijand was bezet. De troep was na 5 dagen en tenslotte een marsch van 13 uren uitgeput. Wapens waren er bijna niet meer en weerstand zou het restant van III-19 R.I. niet meer kunnen bieden.
Kapitein Vahl, Commandant 3-III-19 R.I. liet ons de keuze: Een fiets te krijgen van burgers en via Amersfoort en Hilversum Holland nog trachten te bereiken of wat de rest eenparig had besloten, zich hier overgeven aan den vijand aangezien weerstand niet meer mogelijk was. De compagnie had besloten zich over te geven, dus bleef ik bij de compagnie en ik voegde mij bij 3-III.
Om 16.45 uur kwam een Duitsch officier. Wij werden naar Zeist gevoerd, waar wij krijgsgevangen hebben gezeten tot 20 Mei 1940.

----------------------------

8 Juli 1940
(niet onderteekend.)

Download brondocument in PDF-formaat Brondocument
(PDF, 3.55 MB)