Voordracht van luitenant-kolonel W.F. Hennink voor M.W.O. 4e klasse
REGELINGSBUREAU
VELDLEGER.
nr. 746 G
ONDERWERP:
Voordracht Militaire
Willemsorde 4e klasse.
----------
's-Gravenhage, 14 September 1940.
G E H E I M.
Ik heb de eer den Luitenant-Kolonel W.F. HENNINK, voormalig commandant van het 8e Regiment Infanterie, thans op nonactiviteit te 's-Gravenhage, voor te dragen voor de Militaire Willemsorde 4e klasse, wegens het moedig en beleidvol standhouden in zijn commandopost op den Grebbeberg, ook nadat alle weerstand der Nederlandsche troepen was gebroken, de Duitsche troepen door de stelling waren gerukt en het Nederlandsche Veldleger was teruggetrokken op het Oostfront van de Vesting Holland en voorts wegens het door zijn voorbeeld en aansporing aanmoedigen van zijn beide bataljonscommandanten en den troep in de hoofdweerstandsstrook, mede tengevolge waarvan de beide Bataljonscommandanten door moedig gedrag hebben uitgeblonken en hun leven voor het vaderland hebben gegeven.
Ter nadere omschrijving van hetgeen zich heeft afgespeeld, moge het volgende dienen:
Gedurende den strijd om de voorpostenstrook op 11 Mei 1940 heeft Luitenant-Kolonel HENNINK zoolang de verbindingen bestonden gezorgd, dat het artillerievuur werd afgegeven en heeft toen de verbindingen waren verbroken, pogingen aangewend, om die weder tot stand te brengen.
Nadat de voorpostenstrook was gevallen heeft hij den Bataljonscommandanten opgedragen maatregelen te nemen, dat de vijand niet tegelijk met de eigen troepen in de stelling kwam, bevolen zoo noodig zelfs op de eigen troepen te doen vuren en bekend te maken, dat ieder die zijn opstelling verliet, zich blootstelde aan de doodstraf. Toen de vijand voor de hoofdweerstandsstrook stond heeft deze Regimentscommandant bij herhaling zijn stelling doorkruist terwijl deze onder artillerievuur lag en zijn ondercommandanten onder het oog gebracht, dat de hoofdweerstandsstrook moest worden verdedigd tot het uiterste. Tijdens zijn rondgang heeft hij velen moed ingesproken.
Aan zijn voorbeeld en aansporing is het te danken, dat in de hoofdweerstandsstrook, althans bij het verdedigen van de stoplijn, aanmerkelijk meer weerstand is geboden, dan bij de voorposten.
Nog op 12 Mei in den avond heeft hij uit zijn toen reeds door vijanden omringde commandopost, per telefoon rustig aan den Divisiecommandopost de inlichtingen gegeven, die hem bekend waren en die noodig waren om voor den volgenden dag een tegenaanval te kunnen doen plaats hebben.
Nadat op 12 Mei in den avond de stoplijn reeds was doorbroken, heeft hij dien avond en den volgenden morgen bevolen stand te houden tot het uiterste.
In den laten namiddag van 13 Mei, toen de laatst overgebleven waarnemend Bataljonscommandant van het IIe Bataljon voorstelde om te trachten terug te gaan, daar alle weerstand in de hoofdweerstandsstrook was gebroken en duidelijk was geworden, dat de tegenaanval, tot het hernemen van den Grebbeberg was mislukt, heeft hij dezen Bataljonscommandant bevolen in zijn commandopost stand te houden. (Deze commandopost is daarna omsingeld en tot overgave genoopt).
Op 12 en 13 Mei zijn een aantal officieren, onderofficieren en soldaten in den commandopost van Commandant 8 R.I. terecht gekomen. Hij heeft met het personeel van zijn staf en deze vreemdelingen de verdediging van zijn commandopost georganiseerd en deze zoodanig gevoerd, dat zelfs nog wapens op den vijand werden buitgemaakt.
Terwijl een aantal dooden en gewonden vielen, heeft hij door krachtige maatregelen belet, dat de weifelmoedigen onder de bezetting zich door vlucht aan de verdere verdediging onttrokken. Een en ander heeft tot gevolg gehad, dat zelfs pantserwagens werden afgewezen en dat de vijand zich niet meer aan een stormaanval op dezen commandopost heeft gewaagd.
Op 13 Mei heeft de Regimentscommandant zijn Bataljonscommandanten ingelicht over het verloop van den bevolen tegenaanval, voor zooveel hij die kon waarnemen en is hij, ten einde de samenwerking daarmede tot stand te kunnen brengen, in een 30 meter hooge uitkijkpost geklommen.
In den avond van 14 Mei heeft Commandant 8 R.I., hoewel Duitsche colonnes langs den kunstweg trokken, kans gezien daar tusschen door te trekken en een fabriek aan den Rijn te bereiken met de bedoeling deze te overschrijden en te trachten de eigen troepen in de Vesting Holland te bereiken.
Aldaar heeft hij door Duitsche patrouilles omringd, zich weten te handhaven tot 15 Mei, toen hij vernam, dat reeds op 14 Mei was gecapituleerd.
Aangezien de beleidsvraag bij de toekenning van de Militaire Willemsorde een rol speelt, heb ik ernstig nagegaan, of het beleid van Commandant 8 R.I. bij de verdediging van de hoofdweerstandsstrook goed is geweest.
Er zijn daarbij drie zaken, die moeten worden bezien:
a. de tegenstooten, uitgaande van de Commandanten in de hoofdweerstandsstrook.
b. de tegenstooten, gecommandeerd door Commandant IVe Divisie.
c. het gebruik van de artillerie.
ad a. Deze tegenstooten omvatten
1e. die van Majoor JACOMETTI Commandant II-8 R.I., op eigen initiatief met een sectie, toen deze meende, dat slechts een zwakke afdeeling in de hoofdweerstandsstrook was doorgedrongen;
2e. die van een compagnie uit de stoplijn van I-8 R.I. bevolen in dezelfde veronderstelling als sub 1e door Commandant I-8 R.I., welke Commandant 8 R.I. achteraf niet goedkeurde, doch die reeds werd uitgevoerd toen hij het vernam.
Beide tegenstooten zijn mislukt, zeer waarschijnlijk niet tengevolge van de sterkte van den vijand, doch tengevolge van den weinig offensieven geest van den troep en het vuur van eigen troepen in den rug.
Commandant 8 R.I. heeft na het vernemen van den stoot sub 2e den Divisiecommandant ingelicht en versterking gevraagd.
ad b. Deze omvatten:
1e. een stoot met II-19 R.I. voorafgaande aan die ad a. ter herneming van de voorposten, door Commandant IVe Divisie bevolen en in de wijze van uitvoering geheel voorgeschreven, zoodat Commandant 8 R.I. hieraan niets kon doen. Hij heeft zijn Bataljonscommandanten ter zake ingelicht en hun de noodige bevelen gegeven.
De tegenstoot kon niet tot uitvoering komen door omstandigheden buiten den wil van Commandant 8 R.I.
2e. Een stoot, ongeveer gelijktijdig met die onder a door een compagnie van II-19 R.I., die na herhaalde poging mislukt in het vuur van den vijand, door een tegenstoot van den vijand en door paniek bij de bezetting van de stoplijn.
Deze stoot was bevolen door Commandant IVe Divisie; de Compagniescommandant moest zich melden bij Commandant I-8 R.I. en heeft zich ook naar diens aanwijzingen gedragen.
3e. een tegenstoot (of versterking van den stoplijn) door III-11 R.I. in het vak van I-8 R.I.
Deze is bevolen door Commandant IVe Divisie. De Bataljonscommandant heeft contact opgenomen met Commandant I-8 R.I. en raakte verwond.
Tijdens de uitvoering onder twee elkaar opvolgende waarnemend Bataljonscommandanten werd het Bataljon getroffen door den sub 2e genoemden stoot der Duitschers.
4e. een opmarsch achter III-11 R.I. van I-24 R.I. eveneens bevolen door Commandant IVe Divisie.
Dit Bataljon stelde zich gereed in het vak van I-8 R.I. en moest de verdere uitvoering door duisternis staken.
De Bataljonscommandant kwam terecht bij Commandant 8 R.I., ontving van dezen alle noodige inlichtingen en aanwijzingen, doch bleek 's morgens nog ergens in den commandopost (een uitgebreid complex) te zitten, zoodat Commandant 8 R.I. hem weg moest zenden.
5e. Een eveneens door Commandant IVe Divisie bevolen opmarsch van een eskadron huzaren, welke door de onder 3e, 4e en 5e genoemde omstandigheden niet tot zijn recht is gekomen.
Bij het voorgaande moet worden bedacht, dat de Grebbeberg bij voortduring onder artillerievuur lag en dat de verbindingen spoedig werden stuk geschoten, dat de snelheid, waarmede de verschillende gebeurtenissen zich afspeelden ertoe hebben geleid, dat Commandant 8 R.I. slechts zeer summier werd ingelicht, dat ordonnansen veelal niet terecht kwamen.
De commandopost van Commandant 8 R.I. lag eenigszins afzijdig van de plaats, waar de verschillende troepen opmarcheerden met als gevolg, dat het voor Commandant 8 R.I. zeer moeilijk was, te realiseeren, wat er gebeurde.
ad c. Doordat de verbindingen uit de voorste lijn spoedig waren verbroken, hebben de ondercommandanten den Regimentscommandant slechts zeer weinig kunnen inlichten omtrent hetgeen voor de frontlijn plaats greep. Het binnendringen in de hoofdweerstandsstrook was toen een verrassing.
Nadat de vijand in de hoofdweerstandsstrook was doorgedrongen, heeft Commandant 8 R.I. een onvoldoende beeld kunnen krijgen, van wat nog wel en wat niet bezet was.
Hij heeft op grond daarvan verzocht geen vuren in de hoofdweerstandsstrook af te geven, doch daarvóór en wellicht is het daaraan te wijten, dat de artilleriesteun niet is geweest, zooals die moest zijn.
Echter heeft Commandant 8 R.I. dit niet meer kunnen beïnvloeden, toen op 13 Mei de verbinding met den Divisiecommandant was verbroken.
Bovendien wist Commandant 8 R.I., dat het moreel van de overgebleven, oververmoeide bezetting van de hoofdweerstandsstrook zoo laag was, dat eigen artillerievuur op dezen troep tot elken prijs moest worden vermeden, daar immers verwacht werd, dat de bevolen tegenaanval spoedig de noodzakelijke bevrijding zou brengen en eigen artillerievuur op zijn troepen de laatste kans op behoud onherroepelijk zou doen verloren gaan.
Resumeerende ben ik van oordeel, dat Commandant 8 R.I. gedaan heeft, wat men - gedurende eenige dagen in een loopgraaf onder artillerievuur verblijvende - kon doen.
Het heldhaftig gedrag van dezen Regimentscommandant komt des te meer uit, wanneer men kennis neemt van het optreden van anderen.
de Luitenant-Kolonel van den Generalen Staf.
(get.) V.E. Nierstrasz.
Aan
den Voorzitter der Commissie
voor het beoordeelen van
onderscheidingen.
------------
|
