Verslag van Kolonel J. van Voorthuizen

Commandant Brigade A.
Sectie I
No. 5 G


VERSLAG VAN DE KRIJGSVERRICHTINGEN VAN BRIGADE A VAN 10 T/M 15 MEI 1940
------------------------------------------------


Reeds dadelijk dient vermeld te worden dat, nadat de commandopost bezet was, volgens reeds eerder bekomen bevel, de geheime bescheiden vernietigd werden.
Later zijn, onmiddellijk voor den terugtocht, ook de geheime bescheiden, betrekking hebbende op de verdediging van de stelling, verbrand, Door een misverstand zijn hierbij tevens verbrand de bescheiden, betrekking hebbend op de gevechtsleiding tijdens de verdediging. Vandaar, dat niet alle juiste tijdstippen van de bevelen enz. in dit verslag kunnen worden vermeld en geen schriftelijke bescheiden kunnen worden overgelegd.
Voorts is gedurende den strijd bij de werkzaamheden, welke op de commandopost moesten worden verricht, overduidelijk gebleken, dat de bezetting van den staf, met name van tactisch onderlegde officieren, veel te gering was. Het gevolg was, dat de chef van den Staf en met name de twee officieren van Sectie I.1 voortdurend dag en nacht in de weer waren met het geven van bevelen, aanwijzingen enz., zoodat er onvoldoende tijd over bleef het noodige vast te leggen, den tactischen toestand geheel te overzien, kaarten bij te houden enz.
Doordat de oorlog slechts 5 dagen geduurd heeft, heeft een en ander nog niet tot onoverkomenlijke moeilijkheden geleid en kon men op de commandopost. zij het met veel moeite, den toestand nog beheerschen.

Voor de opstelling van Brigade A., waarbij de Groep Betuwe van de, strategische beveiliging, verwijs ik naar schets NO 1.

10 Mei 1940 waren van ongeveer 3.30 uur af tallooze Duitsche vliegtuigen in de lucht.
Duidelijk teekende zich, dat dit de opening van de vijandelijkheden beteekende.
Zeer spoedig daarna werd de commandopost van de Brigade A. bezet.
Berichten van de geheime radio zenders, die het codewoord uitzonden.
Toestand graad van strijdvaardigheid 3 bij de Brigade. Bij Groep Betuwe volledige graad van strijdvaardigheid.
Ladingen waren aan de bruggen, behalve spoorbruggen tusschen Groep Betuwe en Spees / Ochten-stelling aangebracht.
Opdracht aan stellingbezetting graad van strijdvaardigheid 4 en tevens aan Groep Betuwe machtiging tot vernieling. Had vernielingen reeds doen uitvoeren. Later van Commandant van het Veldleger bericht ontvangen, dat machtiging werd verleend, namens den Opperbevelhebber van Land- en Zeemacht voor de ten uitvoer legging van den Commandant van het Veldleger uitgevoerd mochten worden.
Berichten van Commandant Groep Betuwe bereikten ons van de vernieling van de brug bij Nijmegen en van Arnhem.
Tegenover het front van de Groep-Betuwe werd weinig of geen vijand gemeld. Commandant Groep Betuwe meldde:
Het fort Pannerden verrichtte goede diensten. Overgangen die gemaakt werden over het Bijlandsch Kanaal werden enkele malen weggeschoten.
Kort daarop werd de verbinding met fort Pannerden verbroken. Noord van de Groep Betuwe drong volgens bericht van Commandant Groep Betuwe, de vijand door naar Arnhem (11.00 uur) 3e compagnie van het 8e Grensbataljon, opgesteld Zuid van de Waal, werd gemeld als teruggaande.
Bericht van Brigade B. dat alle overgangen over het Maas-Waalkanaal behalve de Zuidelijke waren vernield. Hierover drong de vijand door. Een tegenstoot zou hierop worden uitgevoerd, welke aanvankelijk succes had. Later drong de vijand door.
Bericht dat Arnhem bezet zou zijn, werd eerst tegengesproken, later weer bevestigd.
Commandant Groep Betuwe voelde zich bedreigd op Noord en Zuid vleugel en vroeg om terug te mogen gaan.
Commandant Brigade A gelastte stand houden; de linie Bemmel Huissen werd nog niet aangevallen.
Het Hoofdkwartier van het Veldleger werd over de toestand bij Groep Betuwe ingelicht. Opdracht luidde "standhouden."
Noord drong de vijand door in Westelijke richting langs den Rijn.
Over de toestand van de troepen o.a het IJsselfront werd weinig vernomen, alleen dat het 4e en het 1e Regiment Huzaren teruggetrokken in Westelijke richting.
Commandant Groep Betuwe drong nogmaals aan te mogen terugtrekken; hem werd gelast te blijven standhouden, onder mededeeling, dat de Brigade zorg zou dragen voor bewaking van den Rijn.
Toen vernomen werd, dat te Renkum-Wageningen vijandelijke strijdkrachten in opmarsch waren en de indruk werd verkregen, dat ook de Maas-Waalkanaal bezetting was verdwenen, werd opnieuw aan Hoofdkwartier van het Veldleger een resumé van den toestand gegeven bij de Groep Betuwe en opgemerkt (mede op berichten van de Groep Betuwe, dat een doorbraak over Doornenburg en Bemmel werd gevreesd, waardoor 8e Grensbataljon zou worden afgesneden), dat de mogelijkheid bestond, dat de Groep Betuwe van de strategische beveiliging zou kunnen worden afgesneden, waardoor de kans bestond, dat een flinke sterkte aan troepen verloren ging, welke nog goede diensten als reserve zou kunnen bewijzen.
Tevoren werd nog aan den Commandant Groep Betuwe gevraagd omtrent de bedreiging over Doornenburg. Volgens inlichtingen van dien Commandant werd vanuit die richting een sterke vijandelijke druk op de linie Zuid van Huissen uitgeoefend, in verband waarmede hij nogmaals aandrong terug te mogen gaan. Hen werd gelast aan zijn opdracht, stand te houden, te voldoen.
Bij een ondervraging later in den nacht van een officier van het 3e bataljon 43 Regiment Infanterie, die langs de commandopost kwam, bleek, dat hij van een sterken vijandelijke druk uit de richting Doornenburg niets bemerkt had.
Hoofdkwartier van het Veldleger gaf opdracht Groep Betuwe nog te doen stand houden. Dit werd aan Commandant Groep Betuwe, medegedeeld.

Berichten werden ontvangen, dat IIIe Legerkorps onder dekking van de Brigade B zou teruggaan in den nacht van 10/11 Mei en de Brigade B. ter beschikking kwam van het Veldleger, als legerreserve.
IIIe Legerkorps zou, aansluitend aan de bezetting bij Ochten stelling nemen langs de Waal en Linge; Brigade G. kwam onder bevel Commandant IIIe Legerkorps.
Hierop werd bevel gegeven aan Commandant 44e Regiment Infanterie, met 3e bataljon 44e Regiment Infanterie de stelling langs de Waal van Ochten tot en met IJzendoorn, front Zuid te bezetten en tevens aan Commandant 2e Afdeeling 22 Regiment Artillerie de nieuwe stelling te bezetten, waaruit dit stellinggedeelte en 44 Regiment Infanterie (min 3e bataljon) front Oost rechtstreeks gesteund kon worden. De daarvoor noodige verkenningen enz. waren reeds voor den oorlog verricht.

Inmiddels waren de bruggen, die ter vernieling waren voorbereid, tusschen de Groep Betuwe en de linie Ochten Spees, volgens het van te voren gemaakte vernielingsplan door 9e Compagnie Pioniers vernield, behalve de bruggen in de spoorlijn, 6e eskadron 1e Regiment Huzaren had zijn opstellingen ingenomen, achter de meest Oostelijke vernielingen in de lijn Herveld - Heteren.

Daar de Groep Betuwe opdracht had tot het uiterste stand te houden en niet terug te gaan, waren de mijnen op de daarvoor bestemde wegen reeds dadelijk na den oorlog gelegd, onder achterlating van pioniers, die doorgangen moesten wijzen.
Bericht kwam van Groep Betuwe, dat munitie moest worden gezonden voor 8 Grensbataljon.
Maatregelen daartoe werden genomen. Twee auto's geladen met munitie werden naar voren gezonden. Deze keerden onverrichter zake terug, omdat de wegen versperd waren.
(Achteraf bleek, dat munitieaanvoer toen nog absoluut overbodig was.) Daarom werd bevel gegeven aan 9e Compagnie Pioniers om de Zuidelijke Bandijk vrij van mijnen te maken, zoodat een doorgang ontstond. De munitie zou alsnog in Elst worden afgeleverd. Dit heeft niet plaats gevonden, omdat bij aankomst te Elst de munitiewagens werden teruggezonden. Daarop kwam bevel van Hoofdkwartier van het Veldleger, dat de troepen van de strategische beveiliging konden worden teruggenomen.

Chef Staf Brigade A vroeg de beschikking over de treinen bij Kesteren aan Directeur Etappen- en Verkeersdienst. Deze werden voor vervoer van de strategische bevoorradingstroepen bestemd na oorspronkelijk voor afvoer van burgerbevolking bestemd te zijn.
Dit werd aan Commandant Groep Betuwe bericht, onder mededeeling dat het 6e eskadron van het 1e Regiment Huzaren voor de dekking zou zorgen.
De treinen zouden in den nacht van 10/11 Mei na verwijdering van de versperring bij Kesteren (die opzettelijk nog niet geheel gesteld was) optrekken naar Valburg en daar blijven, totdat de troepen in den nacht onder dekking van het 6e eskadron van het 1e Regiment Huzaren konden worden, ingeladen.
Commandant Groep Betuwe had inmiddels zelf reeds maatregelen getroffen, dat vervoer per rijwiel en autobus zou plaats vinden; hij gaf hieraan de voorkeur. Daar hij dit reeds gedeeltelijk op eigen initiatief geregeld had, werd hem toestemming gegeven aldus terug te trekken. Hierop kreeg Commandant 9e Compagnie Pioniers opdracht ook de andere bandijk vrij van mijnen te maken.
Daar bij alle mijnversperringen 1 personeel van de genie was achtergebleven, konden de dijken snel van mijnen worden vrijgemaakt.
Hoofdkwartier van het Veldleger berichtte, dat van de strategische beveiligingstroepen een organiek bataljon moest worden doorgezonden naar de Groep Merwede met den Commandant Groep Betuwe.
Wat na de vorming van een organiek bataljon nog overbleef, zou ter beschikking komen van Commandant Brigade A. Dit werd uiteindelijk 8 Grensbataljon (min de 3e compagnie), welke als reserve te Lienden kwam.
De terugtocht van de strategische beveiligingstroepen geschiedde bij gedeelten. Den geheelen volgenden dag (11 Mei) kwamen nog plukjes manschappen binnen.
Vele voertuigen, stukken pantserafweergeschut de stukken 8 staal en vele mitrailleurs, gemonteerd in de kazematten werden achtergelaten. Ondanks dat de Noord- en Zuidzijde van de bandijk van Waal en Rijn zoo zorgvuldig mogelijk vrij van mijnen waren gemaakt, schijnen nog enkele ongelukken te zijn gebeurd.

Commandant van het 6e eskadron van het 1e Regiment Huzaren had reeds voor den oorlog zijn opdracht ontvangen, n.l. het aanbrengen van de vernielingen te dekken en in voeling met den vijand, van een aan te geven lijn terug te gaan naar een volgende lijn. Nadat bekend werd, dat de Groep Betuwe terug zou gaan, kreeg Commandant 6e eskadron 1e Regiment Huzaren nader opdracht in de aangegeven lijnen de, terugtocht te dekken en, zoodra de laatste colonnes waren gepasseerd, de mijner op de dijken opnieuw te doen leggen en scherp te stellen. Commandant Groep Betuwe kreeg opdracht de laatste colonnes te doen instrueeren om aan de wielrijders van het 6e eskadron 1e Regiment Huzaren mede te deelen; als allen gepasseerd waren en de mijnen gelegd konden worden.
Na het dekken van den terugtocht van de Groep Betuwe moest Commandant 6e eskadron 1e Regiment Huzaren verder zijn oude opdracht, vertragend teruggaan in voeling met den vijand, uitvoeren.

Het eskadron wielrijders heeft onvoldoende aan zijn taak voldaan en heeft niet de taak begrepen, dat alleen voor overmacht en in voeling met den vijand moest worden teruggegaan. De daarvoor ingenomen eerste stelling (a) werd daartoe te snel verlaten. Deel van het eskadron werd na eigenmachtige terugkeer te Lienden weer naar voren gezonden.
Dit vindt zijn oorzaak in het feit, dat Commandant 6e eskadron 1e Regiment Huzaren feitelijk leiding en door zelf bij onze waarnemingspost te blijven geen leiding gaf.
Nog voordat Commandant 6e eskadron 1e Regiment Huzaren opdracht kreeg de terugtocht van de Groep Betuwe te dekken, had het bevel gekregen met één peloton, (welke) nog in reserve was, den vijand aanvankelijk den overgang over den Rijn tusschen Huissen en Heteren te beletten. Hiervoor werd één peloton aangewezen en werd een patrouillegang langs den Rijnbandijk gelast.
Toen Commandant 6e eskadron 1e Regiment Huzaren terugkwam om zich te melden, wist hij niet waar de andere pelotons zich bevonden.
Commandant 6e eskadron 1e Regiment Huzaren werd op zijn optreden door Commandant- Brigade A. gewezen, terwijl hem voor het nieuwe bevel (beveiliging in front van 44e en 46e Regimenten Infanterie) een laatste kans werd geboden om zijn eerste optreden goed te maken.

De Groep Betuwe kwam zonder met den vijand in aanraking te zijn geweest, zonder verliezen in, den nacht van 10/11 Mei te Kesteren aan.
De Groep Betuwe werd voor het deel, dat voor de Groep Merwede werd aangewezen, te Kesteren geladen.
8e Grensbataljon (min 3) marcheerde naar Lienden en werd daar als reserve gelegerd.
Den volgenden morgen (11 Mei) werd van Commandant Groep Betuwe bericht ontvangen, dat zijn troepen goed te Heukelom waren aangekomen.
Op 11 Mei te ongeveer 14.00 uur werden sterke vijandelijke troepen te Wageningen gemeld.
Hierbij werd den indruk verkregen bij Brigade A, dat de vijand spoedig slaags zou moeten raken met de voorposten bij de IV Divisie.
Informaties werden bij IV Divisie ingewonnen. Onvoldoende inlichtingen werden verstrekt, daar men bij den Staf van de Divisie blijkbaar nog geen voldoende inzicht in den toestand bij de voorposten had. De onzekerheid of de voorposten bij de IV Divisie nog intact waren; drukte, omdat hierdoor een bedreiging van de voorposten bij 46e Regiment Infanterie, zou kunnen worden gevormd.
Te 16.00 uur werd een hevig vuur gehoord op den Grebbeberg. Dit duurde onafgebroken voort.

Toen na informatie bij Staf IV Divisie meer zekerheid werd verkregen, dat de voorposten bij IV Divisie, waren teruggenomen, werd kort voor het invallen van de duisternis, door Commandant Brigade A. Mitrailleurcompagnie 1e bataljon 46e Regiment Infanterie aangewezen voor de beveiliging den Noordvleugel van de voorposten van 46e Regiment Infanterie tusschen Noordvleugel van de voorposten en den viersprong van kunstwegen nabij veerhuis met opdracht te geven door Commandant 46e Regiment Infanterie, waardoor de uiterwaarden Noord van den Neder-Rijn en eventueel vervoer van troepen of beweging van troepen over Grebbedijk, van Wageningen naar den Grebbeberg, onder vuur kon worden genomen, om zoodoende oprukken van vijandelijke troepen tegen te gaan.
Tevens werd, op aanvrage Commandant IV Divisie aan Commandant Brigade A een voorbereid stormvuur voor de Grebbeberg afgegeven door 1e Afdeeling 22e Regiment Artillerie uit haar eigen ingenomen stelling.
Aan Commandant Mitrailleurcompagnie 1e bataljon 46e Regiment Infanterie werd bericht, dat hij nadere opdracht zou krijgen van Commandant 46e Regiment Infanterie op diens commandopost. Vanaf die commandopost belde Commandant mitrailleurcompagnie den Chef Staf Brigade A. op, dat hij protesteerde tegen de opdracht om stelling te nemen, daar geen voorbereide opstellingen aanwezig waren; wel deelde hij mede aan de opdracht te zullen voldoen, zij het onder protest: Commandant 46e Regiment Infanterie meldde, dat bij het met het protest van Commandant mitrailleurcompagnie niet eens was. Chef Staf gelastte daarop den Commandant mitrailleurcompagnie de opstelling achter den dijk te nemen, zooals hem bevolen was.
Nadat de voorposten bij IV Divisie waren teruggenomen werd, na informatie bij IV Divisie medegedeeld, dat door IV Divisie een tegenaanval tot terugverovering van de voorposten zou worden ingezet, onder meer door troepen per vaartuig aan te voeren en te laten landen tusschen de Grebbe en de steenfabriek in de uiterwaarden ten Noorden van de Rijn ten Noorden van het veerhuis Brigade A deelde mede bij dezen tegenaanval te steunen door vuur van de mitrailleurcompagnie van 1e bataljon 46e Regiment Infanterie ten Oosten van die steenfabriek en door mitrailleurvuur uit de Noordelijke opstellingen van de voorposten van Brigade A. gelegen in de Maneswaard.

Kort nadat het schriftelijk bevel voor dien tegenaanval ter herovering van de voorposten, van de IV Divisie werd ontvangen, bleek uit een telefonische informatie bij IV Divisie, dat de vijand ook reeds in de hoofdweerstandstrook was doorgedrongen. De tegenaanval ter herovering van de voorposten ging in verband daarmede niet door.
In den laten avond van 12 Mei deelde, na telefonische aanvrage van Brigade A., of hulp verleend kon worden, IV Divisie mede, dat de eigen troepen van IV Divisie teruggetrokken waren tot ten minste Koningstafel en Noorden daarvan. Afgesproken werd, dat Brigade A den vijand afbreuk zou doen door:
l. vuur van de mitrailleurcompagnie van het 1e bataljon 46e Regiment Infanterie op de Grebbedijk;
2. vuur van 2 sectiën mortieren van 46 compagnie mortieren op den opgang van den Grebbeberg van de weg Wageningen / Rhenen, welke sectiën daartoe van stelling zouden veranderen;
3. vuur van een afdeeling Artillerie, op denzelfden opgang van de berg en met waarneming op het terrein Oostelijk van de Grebbeberg, met name op den weg Wageningen / Rhenen, den Grebbedijk en de uiterwaarden.

Nog in den nacht, 12/13 Mei werd door den Chef Staf met den leider vuurregelingsdienst van den Brigade artilleriecommandant het verleene van dezen steun voor wat betreft vuur met waarneming, het vinden van waarnemingspunten en het schieten van merkpunten besproken. Kort na het aanbreken van den dag berichtte de Brigade artilleriecommandant dat de artillerie gereed was voor het schieten met waarneming.
Toen zich in den morgen van 13 Mei doelen voordeden, in den vorm van een oprukkende afdeeling Artillerie bij de steenfabriek in vierkant 170 - 439, werd deze met directe richting met groot succes onder vuur genomen, zoodat die artillerie vernietigd werd.
Of het vuur van de artillerie en de mortieren op den opgang van den Grebbeberg uitwerking had, kon bij gebrek aan waarneming aldaar, niet vastgesteld worden.

Onvoldoende ingelicht over den toestand bij de Grebbeberg en ook onvoldoende gegevens bij navraag bij IV Divisie gaf steeds geen helder beeld over den voortgang van de vijandelijkheid en, met name niet tot welke lijn ongeveer de troepen van IV Divisie waren teruggegaan en tot hoeverre vijandelijke troepen reeds waren opgerukt, om zoodoende gelegenheid te krijgen met artillerievuur de IV Divisie te steunen.

In den nacht van 10/11 Mei trok IIIe Legerkorps terug en bezette het front langs de Waal en Linge.
Door den Commandant van het Veldleger werd medegedeeld, dat Brigade A na het bezetten van de stelling front Zuid onder de bevelen kwam van IIIe Legerkorps.
Aan IIIe Legerkorps werd daarop telefonisch een resumé gegeven van den tactischen toestand bij de brigade.

Reeds eerder was op bevel van Commandant Brigade A. Het 3e bataljon 44e Regiment Infanterie in de reeds verkende, en gedeeltelijk gereed gemaakte opstelling langs de Waal vanaf Ochten tot IJzendoorn ingezet.
De 2e Afdeeling van het 22e Regiment Artillerie kreeg opdracht om op 11 Mei te pl.m. 10.00 uur uur de van tevoren reeds verkende stelling in te nemen, waaruit het mogelijk was; zoowel 44e Regiment Infanterie (min 3e bataljon), front Oost als 3e bataljon 44e Regiment Infanterie, front Zuid, te steunen.

De steenfabriek Zuid van IJzendoorn in het vak van 6 Regiment Infanterie was onder meer door 3e bataljon 44e Regiment Infanterie n.l. bezet, Commandant 44e Regiment Infanterie achtte het wenschelijk dat de opstellingen van het neven-regiment (6 Regiment Infanterie ) naar voren aan de Waal werd geschoven om betere aansluiting met 44e Regiment Infanterie te verkrijgen.
Na overleg net IIIe Legerkorps werd de steenfabriek door IIIe bataljon 44e Regiment Infanterie ontruimd en door 3e bataljon 44e Regiment Infanterie door achterwaartsche terugbuiging aansluiting met IJzendoorn verkregen. Het verdedigingssysteem van 3e bataljon 44e Regiment Infanterie was met lichte mitrailleurs en enkele zware mitrailleurs dicht aan de rivier en een geraamte van zware mitrailleurs en de tusschenverdediging aan den hoogen bandijk. Bij VI Divisie was blijkens verkregen inlichtingen van IIIe Legerkorps het systeem de frontlijn aan den bandijk en vooruitgeschoven troepen aan de rivier 3e bataljon 44e Regiment Infanterie zocht nu aansluiting aan VI Divisie.

Commandant VI Divisie verzocht patrouilles uit te zenden in vak Brigade B. in het vak over Roomskatholieke Kerk Leeuwen - Puiflijksche Brug.
Daarvoor werd Commandant 44e Regiment Infanterie een peloton wielrijders van 6e eskadron 1e Regiment Huzaren beschikbaar gesteld, Een peloton (min een groep) zou een patrouille rijden in het bovengenoemde gebied. Een groep zou door Commandant 44e Regiment Infanterie in front worden gebruikt.
Commandant 44e Regiment Infanterie zou hiervoor opdracht geven.

In den loop van 12 Mei kwamen berichten van Commandant 44e Regiment Infanterie van een vijand die zou optreden bij de Tempel. Hierop werd vuur gevraagd door de 2e Afdeeling 22 Regiment Artillerie.
Berichten kwamen binnen, dat na afgave van dit vuur de ligging goed was.
De vijand verdween uit de Tempel, althans werd hiervan niets meer gemerkt.
Op 13 Mei werd een vijand gesignaleerd nabij paal 100 aan de Bandijk naar Dodewaard (aan de knik kunstweg Zuid van Eldikschen hoek). Dus in den rug van de voorposten. Blijkens bericht van Commandant 44e Regiment Infanterie zou deze vijand over de rivier gekomen zijn.
Hierop werd door Commandant 44e Regiment Infanterie artillerie vuur gevraagd . Dit was een vuur uit het vuurplan van de art. en werd afgegeven. Daar dit vuur lag tusschen de voorposten en de hoofdweerstandstrook en de voorposten nog niet terug waren, werd, alvorens bevel te, geven dit vuur af te geven, eerst Commandant 44e Regiment Infanterie hierop nog eens gewezen. Deze bleef bij zijn aanvrage en drong op spoed aan, waarop het vuur werd afgegeven.
Kort hierna kwam bericht van 44e Regiment Infanterie, dat de voorposten in de uiterwaarden in front werden aangevallen en dat zij tevens in den rug bedreigd werden door den vijand, die de rivier was overgestoken. De voorposten dreigde te zullen vallen.
Ter moreele ondersteuning van de voorposten aldaar werd artillerievuur afgegeven vóór de voorposten.
Van de waarnemingspost te Ochten kwam bericht binnen, dat langs de Waal afzakten 4 Duitsche kanonneerbooten en daarachter schepen met troepen.
Het voorste schip werd door de rivierbatterij buiten gevecht gesteld. De daarachter volgenden gingen schuil achter een rookscherm en werden later gemeld in de haven van Druten: gelast werd hierop vuur af te geven.
Zooals later uit berichten van den burgermeester van Druten bleek, had dit vuur veel succes gehad; deze berichten kwamen eerst den volgenden dag kort voor den terugtocht binnen.

In het vak van 46e Regiment Infanterie werd gemerkt, dat de vijand zich inschoot met behulp van de kerktoren te Opheusden.
Aan de pioniers werd opdracht gegeven de toren te doen springen.
Nabij Halte Spoorbaan Zuidelijk van Opheusden werd gemeld, dat een vechtwagen was doorgedrongen. Deze had het bij die halte in stelling staand stuk 6 veld door een schot in het schietgat buiten gevecht gesteld.
Een stuk anti vechtwagen geschut, afkomstig van de voorposten bij Maneswaard, werd verplaatst naar deze halte. Een vijandelijke pantserwagen werd kort daarop door dit stuk vernietigd. (Dit bleek later een vijandelijke pantserafweergeschut trekker te zijn).
Van 44e Regiment Infanterie kwam bericht, dat de voorposten teruggingen. Aangezien thans Noord van 46e Regiment Infanterie geen voorposten meer waren en ook Zuidelijk hiervan niet, werd den Commandant van het Veldleger een overzicht van den tactischen toestand gegeven en gevraagd of de voorpost bij 46e Regiment Infanterie al dan niet teruggenomen moesten worden. Inmiddels was de toestand bij de Grebbeberg van dien aard geworden, blijkende uit de verkregen inlichtingen, dat de vijand reeds doorgedrongen was tot Oost van de Spoorbaan.

De reeds geprojecteerde tegenaanval ter herovering van de voorposten, waaromtrent kort daarvoor bij Brigade A. een schriftelijk bevel was ingekomen, Ging blijkens bij Staf IV Divisie ingewonnen inlichtingen, in verband met den totaal gewijzigden tactischen toestand aldaar, niet door.
IV Divisie deelde mede, dat nu door IV Divisie een tegenaanval zou worden gedaan ter herovering van de frontlijn; een bataljon van de Brigade reserve, werd beschikbaar gesteld (1e bataljon 46e Regiment Infanterie) terwijl tevens steun van art. vuur en mortieren werd toegezegd.
Aan Commandant 46e Regiment Infanterie werd opgedragen steun van 2 sectiën mr. te geven op terrein Oost van de spoorwegovergang. Tevens kreeg 46e Regiment Infanterie opdracht door twee sectiën infanterie den overgang over de brug van vijandelijke troepen te beletten.
Nog voor den tegenaanval werd aangezet, werd met den Commandant IV Divisie persoonlijk overleg gepleegd, omtrent de vernieling van de spoorbrug.
De Divisiecommandant die hoopte, dat de tegenaanval succes zou hebben, achtte het gewenscht de brug nog niet te vernielen.
Met IV Divisie werd afgesproken, dat het 1e bataljon 46e Regiment Infanterie (min mitrailleurcompagnie) aan den tegenaanval zou deelnemen. Daartoe zou dit bataljon bij Ingensche pontveer over de rivier gaan en bij Remmerden namens IV Divisie nadere bevelen krijgen. Aan Commandant 1e bataljon 46e Regiment Infanterie werd desbetreffende opdracht gegeven. Later werd een schriftelijk bevel van den Commandant van het Veldleger betreffende den tegenaanval ontvangen.
Ter vervanging van 1e bataljon 46e Regiment Infanterie kwam bij de Brigade het 3e bataljon van het 33e Regiment Infanterie. Dit bataljon verplaatste zich op 12 Mei te 16.00 uur naar Ingen.
In het vak van 44e Regiment Infanterie drong volgens mededeeling van Commandant 44 Regiment Infanterie de vijand op den Zuidoever in de stelling door, waardoor de verdediging dreigde ineen te storten.
De vorderingen van den vijand waren van dien aard volgens berichten, dat in den vroegen morgen de indruk werd verkregen, dat men bij 44e Regiment Infanterie den toestand niet meer volkomen meester was.
Commandant Brigade A wilde zich nu persoonlijk overtuigen van den toestand bij 44e Regiment Infanterie, voornamelijk in de voorste lijn en begaf zich toen naar voren. Hij trof aldaar een rustige vastberaden troep aan, met een goed moreel en overtuigde zich persoonlijk van de waarheid der meldingen.
Hem bleek, dat de toestand rustig was en de troep vol lof over de steun van de artillerie.
In den middag werd door Commandant 44e Regiment Infanterie bericht, dat de eigen troepen uit de frontlijn in het deel tusschen Ochten en de sluis in de Linge, dus achter de inundatie, teruggetrokken. Commandant 44e Regiment Infanterie vroeg daarop persoonlijk vuur aan, gelegen tusschen twee voorbereide vuren. Het bleek dat het aangevraagde vuur lag op de liniedijk. Chef Staf vroeg daarop aan den Commandant 44e Regiment Infanterie zelf of het aangevraagde vuur werkelijk moest worden afgegeven op de eigen frontlijn (liniedijk), omdat het onwaarschijnlijk werd geacht, dat de liniedijk achter de inundatie reeds door vijandelijke troepen werd aangevallen en door de eigen troepen was verlaten, Commandant 44e Regiment Infanterie bleef erbij, dat het aangevraagde vuur, gelegen op den liniedijk moest worden afgegeven en drong op spoed aan.

Aan den Brigade artilleriecommandant werd daarna opdracht gegeven het aangevraagde vuur af te geven. Eenigen tijd later meldde Commandant 44e Regiment Infanterie, dat de eigen troepen op de liniedijk door eigen artillerie bevuurd werden. Hieruit bleek dus, dat de meldingen van Commandant 44e Regiment Infanterie niet juist geweest waren en dat de eigen troepen nog in den liniedijk lagen. Dit vuur heeft klaarblijkelijk slechts weinig uitwerking gehad en nagenoeg geen verliezen veroorzaakt.
Na de capitulatie bleek, dat de sluiswand getroffen was, vermoedelijk door artillerievuur van eigen troepen en dat in de omgeving van de sluis eenige trechters lagen; de eigen opstellingen meer naar het Zuiden waren, voor zooveel van de sluis af viel waar te nemen, niet beschadigd.

De meest verwarde berichten werden op de commandopost Brigade A. ontvangen; Commandant 44e Regiment Infanterie berichtte, dat het 3e bataljon 44e Regiment Infanterie zou teruggetrokken zijn en de frontlijn van 44e Regiment Infanterie zou teruggaan. Voorts zou de bezetting van 3e Afdeeling van het 19e Regiment Artillerie zijn stellingen verlaten.
Aan Commandant 44e Regiment Infanterie werd telefonisch medegedeeld, dat berichten, dat den vijand doorgedrongen zou zijn niet juist konden zijn; 44e Regiment Infanterie kreeg opdracht te beletten dat de eigen troepen teruggingen en ze te gelasten weer in de stellingen te gaan. Zoo het 3e bataljon 44e Regiment Infanterie, teruggetrokken was op berichten dat de vijand reeds te Ochten zou zijn, moest weer zijn eigen stellingen innemen.
Commandant 22 Regiment Artillerie kreeg opdracht om de gevluchte bezetting van de 3e Afdeeling 19e Regiment Artillerie door de officieren weer naar de stelling terug te drijven.
Officieren van den staf van Brigade A werden uitgezonden om zich persoonlijk van den toestand bij 44e Regiment Infanterie, het 3e bataljon 44e Regiment Infanterie en de 3e Afdeeling 19e Regiment Artillerie te overtuigen.
Om den toestand bij 44e Regiment Infanterie te redden, die, als men de berichten geloven mocht, critiek dreigde te worden, werd aan Commandant 3e bataljon 33e Regiment Infanterie (een bataljon op rijwielen), in reserve bij Lienden, in den namiddag opdracht gegeven zich te verplaatsen naar de Heuningstraat (Oost van IJzendoorn) en zich daar met zijn bataljon ter beschikking te stellen van Commandant 44e Regiment Infanterie.
Aan Commandant 44e Regiment Infanterie werd opgedragen, dit bataljon in te zetten, waar zulks noodig bleek.
Later kwam bericht in van Commandant 44e Regiment Infanterie dat hij de troepen weer in de hand had en dat hij gedeeltelijk valsche berichten had ontvangen. De frontlijn van 44e Regiment Infanterie was nog intact en het 3e bataljon 44e Regiment Infanterie nam zijn opstelling aan de Waal weer in. Tevens berichtte Commandant 22e Regiment Artillerie, dat de stellingen van de 3e Afdeeling 19e Regiment Artillerie weer bezet waren.
De crisis was dus weer bezworen.

De vorderingen van den vijand bij de Grebbeberg maakte het noodzakelijk. voor beveiliging van den Noordvleugel in te zetten.

Commandant 8e Grensbataljon te Lienden werd door Commandant Brigade A bericht, dat het bataljon ter beveiliging van den Noordvleugel van 46e Regiment Infanterie met posten en patrouilles stelling moest nemen aan den oever van den Rijn, front Noord in het vak Spoorbrug Rhenen - Hectometerpaal 109 aan de rivier met het gros van het bataljon in Lienden.
Er kwamen berichten binnen dat de spoorbrug bij Rhenen nog in tact was. Deze was wel is waar ter vernieling voorbereid, doch uitvoering was op het oogenblik, dat Commandant Brigade A zulks vroeg, niet meer mogelijk.
Pioniers van 9 Compagnie Pioniers werden in allerijl uitgezonden om de brug te versperren (met prikkeldraad en mijnen in de opritten).
Vernieling van de brug was, omdat de overzijde bezet was, en deze door zware mitrailleurs aan de overzijde onder vuur genomen werd, niet meer mogelijk.
De vernieling werd opgedragen aan de artillerie van Brigade A. die de brug onder vuur nam.
Later in den namiddag kwam bericht, dat de spoorbrug vernield was; niet bekend is of zulks nog heeft plaats gehad door het vernielingspersoneel van IV Divisie dan wel doordat het artillerie vuur de aangebrachte springlading tot ontsteking heeft gebracht.

In den namiddag van 13 Mei teekende de toestand zich duidelijk af, dat het moeilijk zou worden, gezien de vijandelijken aanval Noord van den Neder Rijn, dat Brigade A bedreigd op de flanken, langen tijd weerstand zou kunnen bieden, indien een aanval zou worden ingezet. Een en ander werd aan Commandant IIIe Legerkorps bericht.
Te ongeveer 16.30 uur kwam van Commandant IIIe Legerkorps, onder wiens bevel Brigade A na den terugtocht van IIIe Legerkorps was komen te staan, het bevel voertuigen pakken.
Kort daarna werd het bevel tot den terugtocht gegeven en het marschdoel. De bezetting van de stelling was op dit oogenblik, 13 Mei in den middag, als op de schets No 2 is aangegeven.
Naar aanleiding hiervan heeft Commandant Brigade A te 19.00 uur op 13 Mei het bevel voor den terugtocht gegeven.
De Brigade A moest legeren in het rayon: Lek - horizontaal 443 - Lek.
Het Stafkwartier moest gevestigd worden te Helsdingen.
De terugtocht is over het algemeen vlot verloopen.
Te 9.00 uur op 14 Mei kwamen reeds de grossen in de nabijheid van het legeringsrayon aan.
Het legeringsgebied was zeer eng. Bovendien was de situatieligging van de Brigade A niet mooi. ( zie schets No 3)
Het bleek namelijk in den loop van den morgen van 14 Mei dat zich, behalve troepen van de Brigade A. ook nog talrijke andere troepen en staven in het toch reeds zeer enge legeringsgebied van Brigade A. bevonden. In verband hiermede en gezien de zeer geconcentreerde legering in den zak, gevormd door de Lek bij Vianen, werd bij den Staf van Brigade A. overwogen op welke wijze de brigade verzameld zou moeten worden, indien in de een of andere richting zou moeten worden opgetreden. Vooral een verzameling bij duisternis zou tot groote verwarring aanleiding kunnen geven.
In den namiddag van 14 Mei werden de Regimentscommandanten op de commandopost ontboden en werden hen persoonlijk aanwijzingen gegeven voor een eventueel verzamelen van de brigade.
Tevens werden maatregelen genomen om in dat geval de brug bij Vianen te beveiligen tegen aanslagen van parachutisten of anderszins.
Om verwarring te voorkomen, zou vooral met het oog op de vreemde troepen, welke zich in het legeringsgebied bevonden, de verzameling achtereenvolgens door de verschillende regimenten infanterie en afdeelingen artillerie geschieden.

Toen in den loop van donderdag berichten binnenkwamen, dat vijandelijke vechtwagen in NoordOostelijke richting over Goudriaan oprukten, werd Commandant 46e Regiment Infanterie opgedragen de wegen Zuidwestelijk van Vianen met 4.7 af te sluiten en een veiligheidsbezetting van infanterie erbij te plaatsen.
In den loop van den dag werd verder overwogen wat eventueel Brigade A zou kunnen worden opgedragen.
Bevelen werden gegeven om de infanterie en artillerie in marschvaardigen toestandgereed te leggen, teneinde zeker te zijn de brigade zo nodig ook des nachts, zonder te groote verwarring te kunnen verzamelen en in een of andere richting te kunnen inzetten.
Voor beveiliging in den rug enter voorkoming van vernieling van de brug door sabotage zouden, onder commando van Commandant 3e bataljon 33e Regiment Infanterie, het 3e bataljon 33e Regiment Infanterie en 8e Grensbataljon Noord van de brug bij Vianen in stelling gebracht worden. Hierdoor werd tevens dan de compacte opstelling der Brigade verbeterd. Kort daarna vervoegde zich een officier op Stafkwartier Brigade A, die een papier overhandigde, waarop Commandant IIIe Legerkorps aankondigde, dat de strijd was gestaakt.
Nadat door het zenden van een officier van Stafkwartier Brigade A naar de commandopost van IIIe Legerkorps dit belangrijk bericht was gecontroleerd en juist bevonden, werd het aan de onderdeelen doorgegeven.

Niet onvermeld mag blijven, dat de verpleging en de verbindingen zeer goed gewerkt hebben.
De verpleging heeft geen oogenblik gestagneerd; daar gedurende de krijgshandelingen en op de daarna eerstvolgende dagen geen of slechts geringe aanvoer plaats vond, zijn de reserve-rantsoenen en de noodvoorraden, welke in het stellinggebied voor Brigade A waren opgeslagen grootendeels verbruikt. Alleen door het aanspreken van deze rantsoenen kon worden voorkomen, dat de troep gebrek leed.

De indruk werd verkregen, dat de compagnies soms valsche berichten kregen en deze, zonder ze te controleeren aan de commandopost van de Brigade doorgaven. Daar ze bij den Staf van de Brigade zeer ongeloofwaardig werden beoordeeld, moesten de berichten dikwijls nader worden gecontroleerd door andere compagnies op te bellen of officieren uit te zenden.
Een der oorzaken van een dergelijke onjuiste berichtgeving was, dat de onder en aan den Brigade C dikwijls berichten zonden van hetgeen zij gehoord hadden van den toestand bij de nevenonderdeelen, De ondercommandanten voelden zich dan bedreigd, niet door hetgeen bij hun eigen onderdeel voorviel, doch door wat bij neven- cm andere onderdeelen zou voorvallen. Op de commandopost van de Brigade moesten dan deze, zooals later bleek sterk overdreven of onjuiste berichten, worden verwerkt, hetgeen uiteraard met vele bezwaren gepaard ging.

-o-o-o-o-

 

Download brondocument in PDF-formaat Brondocument 1
(PDF, 6.14 MB)
Download brondocument in PDF-formaat Brondocument 2
(PDF, 1.00 MB)