Jan Knegt (1914-1940) en de strijd om de spoorlijn

door Albert Metselaar

Jan Knegt werd 19 september 1914 geboren als zoon van landarbeider Derk Knegt en Aaltje Blokzijl. Jan groeide op aan de 4-de Krakeelse Wijk. De woning bestaat niet meer. In de huidige situatie moeten we de plaats van het pand aan de Meerboomweg zoeken, bij het viaduct. Jan vervulde zijn burgerplicht in militaire dienst en trouwde in 1938 met Sijkje Slomp. Hij was los-arbeider. In de korte periode dat hij getrouwd was, was hij veel aan het werk als bosarbeider, onder meer in het Luitenantsbosje. Zijn laatste baantje, voor de mobilisatie, was houtmeter bij het kappen van het boscomplex Krengboong te Tiendeveen. Tijdens zijn huwelijk woonde Jan Knegt aan de Coevorderstraatweg, in het pand no. 29, even ten westen van het Zwarte Dijkje, bij Noordscheschut.

Tegen het eind van de jaren dertig liepen de spanningen in Europa steeds verder op. De 29-ste augustus 1939 werd het Nederlandse leger gemobiliseerd. Huisvaders vulden de dienstplichtigen aan. Zo'n 280.000 man waren er onder de wapenen. Jan Knegt was één van hen. Zo nu en dan was hij nog even thuis. Het was altijd spannend, of het verlof wel of niet doorging, zo wist zijn vrouw zich te herinneren. De laatste keer dat hij thuis was vertrouwde hij haar toe: "Ik kom nooit meer terug." De Tweede Wereldoorlog was inmiddels begonnen. De Duitsers hadden Polen onder de voet gelopen. Ze hadden Nederland nog niet aangevallen, maar hoe lang zou het nog duren voor ze wél kwamen? Jan had een voorgevoel dat aansloot bij de angst die velen hadden: ieder verlof kon het laatste zijn. Hij ging terug naar de Grebbelinie.

Jan Knegt was soldaat bij de 4-de Sectie van de Mitrailleur Compagnie van het 2-de Bataljon van het 19-de Regiment Infanterie. Een sectie telde drie zware mitrailleurs. Bij iedere mitrailleur hoorden tien soldaten, een korporaal en een sergeant. Daarboven stond weer de sectiecommandant, die de hele sectie van drie mitrailleurs en zo'n 36 man aan troepen leidde. De Mitrailleur Compagnie had zich samen met andere secties van het II-19 RI ingegraven tussen Rhenen en de Grebbeberg, langs de westrand van de spoorlijn. De spoorlijn lag door een diep in het landschap uitgesneden dal, dat dienst zou kunnen doen als een goed te verdedigen "gracht". De soldaten zaten er in loopgraven, met hun vuurmonden gericht op het oosten, op de Grebbeberg. De mitrailleurs zouden zo een derde linie kunnen vormen, na de voorposten en het 8ste Regiment op de Grebbeberg zelf. In het gebied achter de mitrailleurs, ten westen ervan dus, stond de artillerie opgesteld, die over hun hoofden heen zou schieten.

Tijdens de mobilisatie waren Jan Knegt en de andere soldaten ondergebracht in een gebouw in de omgeving. Zowel de soldaten van de zware mitrailleurs als secties van het 1-II-19 RI waren in perioden van grote spanning verdeeld over de lokalen van de Wilhelminaschool, vlak achter de stellingen. Iedere sectie nam een schoollokaal in beslag, dat vol was gezet met dubbele kribben. Tijdens de oorlogsdagen zouden ze de loopgraven echter niet meer verlaten. De mobilisatieperiode was een tijd van kou, verveling en wachten, die zo nu en dan door een verzetje onderbroken werd. Net als andere soldaten had Jan een koffie-adresje in Rhenen, een burgergezin waar hij zo af en toe op visite ging. Zo trachtte de bevolking uit de omgeving het de soldaten wat gemakkelijker te maken. We kennen al deze details omdat een vriend van Jan Knegt ook bij hem gelegerd was, in dezelfde Mitrailleur Compagnie maar in een andere sectie. Zijn jeugdvriend Wander Jager kende de details van het leven en het sterven van Jan Knegt, bij de spoorbaan in Rhenen.

Vrijdag 10 mei trokken de Duitse troepen om 3.55 uur de grens over en bombardeerden tegelijkertijd vliegvelden en militaire installaties. De oostelijke en noordelijke delen van ons land werden die dag bezet. De Grebbelinie werd de 11-de mei aangevallen. Rond 2.30 uur begon de Duitse artillerie te schieten. Zo gauw het licht werd vielen de Duitse troepen aan. Het 8-ste Regiment Infanterie, op de Grebbeberg zelf, heeft het het zwaarst te verduren gehad. Jan heeft de strijd om de Grebbeberg eerst van op een afstand meegemaakt. Heftig trommelvuur van de Duitse artillerie beukte op en achter de stellingen. Als wespenzwermen gonsden de Duitse jagers en bommenwerpers boven de linies. Bommen raasden vernietigend op hun doel af. Granaten loeiden en floten. Mitrailleurvuur ratelde onophoudelijk in de oren van de dappere mannen die met de Grebbelinie de deur van vesting Holland dicht trachtten te houden, zo af en toe bijgestaan door dat deel van de Nederlandse luchtstrijdkrachten dat nog niet vernietigd was. In het voorterrein, ingegraven in het vlakke land tegen de Grebbeberg aan, trachtten mannen de vijand met een moordend vuur te stoppen. Veel dekking hadden ze niet. Terugtrekken was haast onmogelijk door het Duitse vuur. Velen stierven er. Het waren de geruchten en de feiten van deze gebeurtenissen, die Jan Knegt, Wander Jager en de andere soldaten aan de spoorlijn bereikten. Voor de rest waren de eerste oorlogsdagen voor hen vooral een periode van gespannen wachten, leven, eten, drinken en slapen in de loopgraven, en verder niet veel kunnen doen. Vanuit de posities waar Jan en Wander lagen schoot men op de Duitse vliegtuigen en gierden de granaten over, maar had men geen vuurcontact met de vijand.

Toen op de avond van de 11-de mei de tweede oorlogsdag verstreken was, waren er wel voorposten van de Grebbelinie verloren gegaan, maar bleek de linie zelf nog intact te zijn. Hoewel de Duitsers er ook de 12-de mei niet in slaagden om de linie te doorbreken, was de situatie op de Grebbeberg zeer ernstig geworden. De Mitrailleur Compagnie van het 2de Bataljon van het 19 RI kreeg uit voorzorg aanvulling van andere troepen. In de nacht van 12 op 13 mei werden daarom langs de westzijde van de spoorwegsleuf in grote haast nieuwe loopgraven aangelegd, die betrokken werden door het 4e Regiment Huzaren, I-46 RI (behalve de Mitrailleur Compagnie van deze eenheid), delen van het I-24 RI, het III-11 RI en delen van het 8 RI. Ze zouden gezamenlijk de Duitsers tegen moeten houden als de berg zou vallen. Het front was zo'n 1800 meter breed en telde vooral soldaten die nog niet in het vuur geweest waren.

De 13de mei om 03.00 uur 's nachts begon de Duitse artillerie het gebied te bestoken. Rhenen brandde en werd gedeeltelijk in puin geschoten. Een deel van de linie, bij het viaduct, raakte al snel in gevecht met de Duitse troepen en zou dat de hele dag blijven. In de loop van de nacht en de morgen trachtten groepjes of individueel terugtrekkende Nederlandse soldaten de Grebbeberg te ontvluchten en door een snelle ren over de spoorlijn achter de linie te komen. Ze hadden dapper gevochten. Ze hadden de vijandelijke overmacht veel langer weten te trotseren dan de Duitsers zelf van te voren verwacht hadden. Er was echter geen houden meer aan. Door terug te trekken konden ze elders weer van nut zijn. Sommigen sloten zich bij de verdedigers van de laatste stoplijn aan, anderen vluchtten verder, onder druk van het hevige granaatvuur waar ze bij hen in belandden. De granaten schoten over het algemeen ver over de linie heen. Het gedeelte waar Jan lag werd niet door de Duitsers aangevallen, zodat Jan ook in dit stadium van de strijd amper gevochten heeft. Wel werd er over en weer zo af en toe geschoten, vanuit dit deel van de linie, maar van hevig of constant vuurcontact was geen sprake.

Die maandag de 13-de mei trachtten de Nederlandse troepen vanuit het noorden de gevallen Grebbeberg te heroveren. De aanval werd uit elkaar geslagen toen de Duitsers duikbommenwerpers inzetten: Junker Ju-87 Stuka's. Ook de linie langs de spoorlijn werd aangevallen, zo rond 13.30 uur. Een deel van de troepen, bij kilometerpaal 25, vluchtte weg toen er paniek uitbrak. Het gebied waar Jan lag kreeg kort na de middag het bevel om zich terug te trekken. Vanaf 14.00 uur trokken er troepen weg van de spoorweg. Tussen 14.30 uur en 14.40 uur vertrokken de laatsten. Ergens tussen 14.00 uur en 14.40 uur vertrok ook de sectie van Jan Knegt. De soldaten waren goed op elkaar ingespeeld. Als ze schoten zaten ze om de beurt met z'n tweeën achter de mitrailleur. Als ze van plaats veranderden nam iedereen wat mee van de zware Schwarzloze-mitrailleur of de mitrailleurbanden. Dat zou ook nu moeten gebeuren. Jan vertrok westwaarts, in de richting van de weg van Rhenen naar Achterberg, en nam een kistje met een mitrailleurband mee. Hij zou over een stukje open gebied moeten rennen, een stuk groenland, in zijn volle uitrusting. Jan was nog maar net uit zijn stelling weg toen er voor de zoveelste keer in de verte een knal van de artillerie van de vijand klonk. Een zoveelste granaat kwam aanfluiten. Jan werd dodelijk getroffen. Een andere soldaat raakte gewond door een scherf van dezelfde granaat. Zijn makkers namen hem mee. Wander Jager, Jan's jeugdvriend, was inmiddels al naar een veiliger plek vertrokken. Hij wilde terug. Hij wilde het groenland over, ondanks het gevaar van het open veld, om de getroffen Jan op te halen. Hij kreeg te horen dat het geen enkele zin meer had. Jan was zo zwaar gewond dat hij daar zijn leven niet meer voor op het spel moest zetten. Het was zinloos.

Jan Knegt stierf daar in het groenland. Naar men later Jan's nabestaanden vertelden werd hij gevonden met zijn bijbeltje op de meegenomen munitiekist. In het verhaal werd gesuggereerd dat hij in zijn laatste aardse ogenblikken troost had gezocht in zijn bijbeltje. Wander Jager geloofde daar helemaal niks van. Toen Wander ter plekke inlichtingen inwon, werd hem verteld dat Jan Knegt zijn halve hoofd miste. Jan moet op slag dood zijn geweest, daar was Wander van overtuigd. Dat hield in dat hij niet of nauwelijks geleden heeft. Dat er dan toch zijn bijbeltje op de munitiekist gevonden werd, kan ook een andere reden hebben. Iemand kan zijn zakken doorzocht hebben. Misschien gewoon met goede bedoelingen, bijvoorbeeld omdat die persoon op zoek was naar identiteitspapieren. Niet ver van de plaats waar Jan Knegt stierf, stond een boerderij. De boer vond Jan om 21.00 uur en begroef hem ter plekke, in een eenvoudig veldgraf, waar hij een houten kruis op zette. Later werd Jan's lichaam overgebracht naar het ereveld dat op de Grebbeberg aangelegd werd. Daar rust hij in rij 6, graf no. 16. Nadat er eerst een door de familie geplaatst gedenkteken op het graf gestaan had, werd er later door de Oorlogsgravenstichting een zerk geplaatst van het type dat standaard is voor het hele ereveld. Jan's vrouw bleef achter met een zoontje van negen maanden. Jan's ouders bleven zitten met een moeilijke vraag. Een vraag waar Wander Jager uiteindelijk mee geconfronteerd werd, tijdens de bezoekjes die hij bleef brengen aan de ouders van zijn jeugdvriend. Vader Knegt vroeg op een gegeven moment: "Wauromme bin ie wel weer ekomen en oonze Jan niet?" Wander was er kapot van. Het bleef zijn hele leven aan hem knagen.......

Bron: Albert Metselaar

3079