Schrijven inzake opgave van strafbare feiten gepleegd tijdens de oorlogsperiode
COMMANDANT VAN HET
VELDLEGER.
Sectie VIII
Dossier algemeen
nr. 68 J
O N D E R W E R P :
Militaire Justitie.
----------
Hoofdkwartier van het Veldleger, 18 Juni 1940.
Het heeft mij getroffen, dat zeer vele commandanten in gebreke zijn gebleven mij opgave te doen van strafbare feiten, door hunne ondergeschikten tijdens de oorlogsperiode gepleegd.
In het bijzonder heb ik daarbij op het oog misdrijven tegen de veiligheid van den staat, schending van krijgsplichten (zonder oogmerk om den vijand hulp te verleenen of den staat tegenover den vijand te benadeelen), misdrijven waardoor de militair zich aan de vervulling van dienstverrichtingen heeft onttrokken, (derhalve plichtsverzaking vóór den vijand of bij 's vijands nadering) en de misdrijven opgesomd in den vijfden titel van het tweede Boek Wetboek van Militair Strafrecht (W.v.M.S.).
Nochtans is mij uit eigen onderzoek gebleken, dat zich verschillende zulke feiten hebben voorgedaan, die voor verwijzing naar den krijgsraad in aanmerking kunnen komen.
Juist in de tegenwoordige omstandigheden moeten eenerzijds de militairen, die hun plicht tot het uiterste hebben vervuld erop kunnen rekenen, dat zij, die dit niet hebben gedaan en die door hun plichtsverzaking hen en anderen dikwijls moeilijkheid hebben gebracht zooniet hun taak hebben verzwaard en hun opofferingen waardeloos hebben gemaakt, bekend worden.
Uit de justitieele behandeling moet anderzijds aan het Nederlandsche volk het besef worden bijgebracht, dat van elken militair onafgebroken plichtbetrachting wordt geëischt en in oorlogstijd moed en opofferingsgezindheid als voornaamste eigenschappen van het leger tot uiting behooren te komen. Slapheid, halfheid, besluiteloosheid, zijnde de uiting van den kleinmoedige kunnen niet worden geduld.
Ik herhaal daarom als nadrukkelijk bevel, dat iedere commandant elkeen, die een der hierboven aangeduide feiten heeft begaan of zich aan nalatigheden heeft schuldig gemaakt, ter zake ter verantwoording roept.
Op iederen commandant rust derhalve de plicht bij zijn onderdeel voorgekomen feiten, of te zijner kennis komende aanwijzingen te onderzoeken en mij van de resultaten daarvan in kennis te stellen.
Ik verzoek U de onder Uwe bevelen staande commandanten van het bovenstaande te onderrichten, waartoe een aantal afdrukken dezes is bijgevoegd.
de Luitenant-Generaal,
Adjudant in Bijzondere Dienst van Hare Majesteit de Koningin,
Commandant van het Veldleger.
(get.) J.J.G. Baron van Voorst tot Voorst.
Aan
Commandant II, III, IV Legerkorps,
T.B.O., Commandant Oostfront Vesting Holland,
afdruk aan: Opperbevelhebber der Land- en Zeemacht,
Commandant Brigade B,
I.M.L., Commandant Verbindingsafdeeling Hoofdkwartier van het Veldleger, Commandant Auto Regiment,
Commandant 2 L.R., Commandant Troepdetachement Hoofdkwartier van het Veldleger,
Commandant Det.Ptr. - Hoofdkwartier van het Veldleger,
Voorzitter Krijgsraad Utrecht
----------------------
|
