Schrijven van reserve-eerste luitenant L.P.R. Haring

Den Haag, 15 Juli 1940.

Naar aanleiding van uw brief d.d. 13 Juli 1940, nr. 116 P verklaar ik het volgende:

  1. Van de juiste tijden kan ik mij niet veel herinneren. Alleen weet ik, dat het tijdstip van pl.m. 22.00 van het betrekken van de stelling juist moet zijn, aangezien het reeds spoedig begon donker te worden.
  2. Klik hier voor een uitvergroting
    Schetsje behorende bij het schrijven van de reserve-eerste Luitenant L.P.R. Haring, commandant 2e Sectie van 2-II-11 R.I. (15 juli 1940)
    't Bijgevoegde schetsje, niet op schaal en met slechts vermoedelijk juiste Noordpijl, moge een en ander verduidelijken. De naam Cuneraweg is juist, de naam Grintweg heb ik zelf gekozen, aangezien die dwarsweg een grintweg was. Deze grintweg was eenigszins bochtig en tot en met het boschperceel bijna niet in te zien.
  3. De opmarsch geschiedde per motor, per fiets en te voet. Bij het passeeren van de spoorbaan geleidde ons een sergeant van de genie, aangezien dit kruispunt in een straal van pl.m. 30 meter, inclusief de wegen, belegd was met landmijnen.
  4. Mijn sectie als reservesectie kwam aan de macadamweg in Noordelijke richting (zie schets), in de nabijheid van drie boerderijen. Hier gelastte ik mijn drie groepscommandanten zich in te graven.
  5. Bij het bezetten van de opstelling deden zich mijns inziens eenige ernstige fouten voor. Het bevel was zeer onvolledig. Van voorafgaande verkenningen in het terrein, van eigen troepen in het voorterrein, schootsvakken, een vuurplan enz. was niets bekend en werd ook niets bevolen. Bovendien waren we onderweg de stelling van 4 M.C. en 2-II-19 R.I. (onder commando van Luitenant van der Leeuw, naar ik later hoorde), die zijn afsluitingsvuur had voorbereid op de door ons betrokken plaatsen en 's avonds ook heeft afgegeven. Van eenig contact tusschen wederzijdsche Compagniescommandanten bleek mij niets, en de feiten hebben later bewezen, dat mijn vermoeden omtrent het niet bestaan van overleg juist was.
  6. Onze stelling lag in een dal, bijna zonder schootsveld, voor ons uit vertoonde zich een vrij hooge heuvel, waarover aan onze kant de stoplijn liep, waarvan mij ook niets bekend was.
  7. Op mijn commandopost had het vijandelijk artillerievuur gelegen, er lag namelijk een granaattrechter, terwijl vele ruiten en luiken en pannen door scherven waren vernield.
  8. De commandopost van 2-II was een huisje bij de spoorwegovergang. Deze plaats is door den Commandant van 2-II verlaten, zonder dat ik er iets van wist, en verlegd naar een loopgraaf van 2-II. Bovendien had de genie de landmijnen in de wegen opgeruimd, waardoor terugtrekken werd mogelijk gemaakt. Ook dit belangrijke feit, belangrijk ook voor het moreel van mijn soldaten, meldde men mij niet, echter wel aan de twee andere secties.
  9. Wij zagen na eenigen tijd in het donker troepen terugtrekken, onder andere een met ons vooruitgetrokken peloton zware mitrailleurs en de 1e en 3e sectie van 2-II. Ik probeerde toen door roepen van korte afstand mijn Compagniescommandant te bereiken. De post zelf was immers volgens mij door landmijnen onbereikbaar. Deze poging mislukte, aangezien de kapitein daar niet meer was.
  10. Hierop riep mij in het donker een stem toe, die ik herkende als die van sergeant-capitulant VONK, ongeveer aldus: "Luitenant Haring, alles is terug. Terugtrekken over de weg"; waarop ik teruggetrokken ben naar de laatste Bataljonscommandopost en mij gemeld heb bij den Kapitein van der VENNE, Commandant M.C.-II-11 R.I.

De Reserve 1ste Luitenant,

(get.) L.P.R. Haring.
(2e Sectie 2-II-11 R.I.)

Download brondocument in PDF-formaat Brondocument 1
(PDF, 1.62 MB)
Download brondocument in PDF-formaat Brondocument 2
(PDF, 2.43 MB)