Schrijven van reserve-kapitein D.C. van Alewijk
REGELINGSBUREAU LANDMACHT.
Afdeeling Krijgsgeschiedenis.
-------
Nr. 760.
Onderwerp:
Onderscheidingen.
--
Bijlagen: twee.
's-Gravenhage, 19 November 1940.
Willem Lodewijklaan 1.
-
Ik ontving van Luitenant-Kolonel SMITS Uw brief van 31 October 1940 aan Majoor van APELDOORN (door dezen doorgezonden) waarin U melding maakte van het gedrag van eenigen Uwer onderhebbenden, die naar Uw oordeel voor een onderscheiding in aanmerking komen, t.w. Vaandrig van NEER, Sergeanten RIEMENS en VELDKAMP en soldaat KRIKKE. Het spreekt van zelf dat deze brief niet geschikt is om door te zenden aan de Commissie, die over toekenning van de onderscheidingen oordeelt.
Noodig is, dat voor de bedoelde personen een door U onderteekende voordracht wordt ingediend, waarin zoo nauwkeurig mogelijk de feiten, waarop de voordracht voor elk hunner is gegrond, zijn omschreven.
Ik zal het op prijs stellen, indien U mij een dergelijke voordracht rechtstreeks wilt doen toekomen, zoo mogelijk spoedig.
Te Uwer oriënteering diene, dat de Militaire Willemsorde slechts voor zeer bijzondere feiten wordt toegekend, waarbij dan moed, beleid en trouw onomstootelijk moeten vast staan, terwijl de eervolle vermelding eveneens eene onderscheiding is, die wordt toegekend, wanneer de betrokkene heeft blijk gegeven van bijzonder optreden, waardoor hij feitelijk boven zijn omgeving uitstak en dus meer dan zijn gewone plicht deed.
Zoo eenigszins mogelijk ware voor ieder der voorgedragenen getuigenverklaringen over te leggen, of indien U dit niet mogelijk is, namen te noemen van personen, die als getuigen kunnen worden gehoord. -
Vervolgens zou ik nog gaarne eenige inlichtingen ontvangen die voor de krijgsgeschiedenis van belang zijn, welke geschiedenis ik - voor wat de Grebbeberg en omgeving betreft - officieel beschrijf.
-
In het rapport, dat U hebt ingediend hebt U vermeld, dat U voor het eerst een aanval deed te ongeveer 17.00 uur, daarna een hernieuwde aanval te 19.00 uur, waarna U de groepen te 20.00 uur naar den stoplijn deed teruggaan.
Te 20.45 uur ontving U bericht: "van 20.45 - 21.15 uur geen vuur afgeven".
21.30 uur: Plotseling hevig schieten en geschreeuw.
23.00 uur: Bericht aan Commandant I-8 R.I. -
In mijn bezit zijn gekomen twee origineele berichten van U afkomstig, waarvan U afschrift hierbij aantreft. Het bericht van 22.15 uur klopt niet geheel met het bovenstaande.
Ik had den indruk, dat Commandant I-8 R.I. door andere onderdeelen het vuur te 20.45 uur heeft willen doen staken, om U de gelegenheid te geven, opnieuw den aanval in te zetten, hetgeen meer overeenstemt met bijgevoegd bericht van 22.15 uur dan met den inhoud van Uw Verslag.
Wellicht is het U mogelijk, aan de hand van de bijgevoegde berichten den juisten gang van zaken weer te geven.
-
-
Kunt U - wellicht op grond van ontvangen inlichtingen - nauwkeurig aangeven de omstandigheden waaronder de 1e luitenant FOLMER is verwond geraakt. Zijn er getuigen bekend, die dit hebben gezien.
Mij bereikte een mededeeling, dat genoemd officier zelf den mitrailleur bediende.
Welke reden bestond daarvoor?
Is hij door een granaatscherf of door een kogel gewond?
Volgens Uw bericht was hij in de borst verwond, volgens anderen in den rug. -
Toen U verwond was en U naar een hulppost wilde begeven, is er toen een officier geweest, die het commando van U overnam?
Hebt U te voren nog met kapitein MAAS, kapitein HAKKERT, 1e luitenant v.d. BOOM, die allen in die omgeving waren, de rollen verdeeld, teneinde de verdediging beter te kunnen leiden.
Kunt U op een schetsje ongeveer de situatie nader aanduiden?
Mocht het U mogelijk zijn, op mijn bureel de noodige inlichtingen te verschaffen, dan zou mij dat zeer aangenaam zijn.
De Luitenant-Kolonel van den Generalen Staf,
(get.) V.E. Nierstrasz.
Aan
Reserve-kapitein D.C. van Alewijk
Craayenestersingel 27
te
Heemstede.
==========================================================================
Aan:
Luitenant-Kolonel
V.E. Nierstrasz
Afd. Krijgsgeschiedenis.
Onderwerp: Inlichtingen.
Bijlage: één schets.
Heemstede, 28 November 1940.
Ik ontving Uw brief van 19 November 1940 W 760, waarin o.a. eenige inlichtingen werden gevraagd.
1.
Het ligt niet in mijn bedoeling Vaandrig Van Neer of een der andere militairen voor te dragen voor de M.W.O. De Vaandrig heeft door zijn flink optreden in den nacht van 12 op 13 Mei uitgeblonken boven zijn omgeving en hij is mij toen van zeer veel nut geweest, maar zakelijk beschouwd deed hij zijn plicht. Zooals van een a.s. officier moet worden verwacht. Ik had oorspronkelijk gedacht met een eervolle vermelding van hem niet te hoog te mikken.
Bij mijn gevangenneming bleef in mijn bezit mijn berichtenboekje met alle copieën van berichten en bevelen. Ik stelde dit in Wageningen - daar ik onderstelde gefouilleerd te zullen worden - ter hand aan den gerant van Hotel Wageningsche Berg om het voor mij te bewaren. Bij mijn terugkeer vertelde deze mij, dat hij het boekje uit angst had verbrand. Ik moet dus uit mijn herinnering rapporteeren en door de vele en felle emoties dien dagen en daarna heeft de scherpe voorstelling van een en ander wel geleden. De tijd van 17.00 - 17.15 uur voor het bevolen vuur der Zware Mitrailleurs moet dan ook gezien worden als: een kwartier vuur. In verband met andere gegevens, o.a. de moeilijkheid de loopgraaf te verlaten wegens gemis aan uitgangen, zal het tegen 18.00 uur gelopen hebben, toen de eerste aanval werd beproefd. Als de Compagnie (ruim 60 man) door het vijandelijk mitrailleurvuur niet verder kan en terug moet naar de stoplijn, wordt daarvan bericht gestuurd aan Commandant I-8 R.I. onder vermelding van het uitvallen van Luitenant Folmer en van het zeer zwak bezet vinden van de stoplijn Noordelijk van de Heimersteinsche laan en dat ik dit deel nu bezette met mijn Compagnie. Ook aan Kapitein Maas (2-III-8 R.I.) de Commandant van de oorspronkelijke stoplijn bezetting werd bericht gezonden. Het door mij ingenomen stuk had een lengte van plm. 300 à 400 meter. Hierop kwam een mondeling bericht terug, waarschijnlijk van Commandant I-8 R.I. aangebracht door een ordonnans via een sergeant (tijd onbekend) luidende ongeveer: Tracht door te dringen naar Heimerstein. Dit is dan de aanval volgens mijn bericht W.4 die te 20.45 (te lezen: ongeveer) werd ingezet en in mijn verslag staat aangegeven te 19.00 uur. Dit is dus later geweest. Intusschen had ik persoonlijk het terrein tusschen stoplijn en Ouwehand's Dierenpark afgepatrouilleerd, omdat uit de rug op ons werd geschoten. Ongeveer op deze tijd bereikte mij het bericht: "van 20.45 - 21.15 uur geen vuur naar voren", zonder nadere aanduiding. Voor den aanval van 20.45 uur werd bericht gezonden naar de Sectie Zware Mitrailleurs om de boschrand Zuid van de Heimersteinsche laan onder vuur te houden. De ordonnans komt terug met de mededeling, dat een geladen stuk zonder bediening op de weg staat en hij verder geen mitraillisten heeft gezien. Daar ik het geladen wapen (de band zat erin) niet in mijn rug wil hebben, wordt het onder vijandelijk vuur door mij ontladen en in de loopgraaf gebracht. Ik zag ook geen bedieningsmanschappen der Zware Mitrailleurs.
De aanval van 20.45 uur werd afgeslagen door hevig vijandelijk mitrailleurvuur uit front en uit de Boschrand Zuid van Heimersteinsche laan (Noord van huidige Oorlogskerkhof) en door vijandelijk artillerievuur op den weg en het bosch voor ons, blijkbaar aangevraagd met seinpatronen.
Eenigen tijd later wordt uit Zuidelijke richting (van de groote weg Rhenen-Grebbesluis) levendig geweer- en mitrailleurvuur gehoord. Voor ons wordt het nu stil. Ik neem twee groepen waaronder mijn commandogroep mee en ga langs den weg (het is nu al vrij schemerig) naar voren, blijkbaar te plm. 21.45 uur. Dit was meer een nieuwe verkenning voor een aanval dan een aanval zelf. Dan komt van rechts geweer- en mitrailleurvuur naar ons en we hooren luid geschreeuw achter onze rechter flank (achter de nevencompagnie). In de loopgraaf vind ik, als we teruggegaan (gekropen) zijn, een groote verwarring door het binnenkomen van soldaten van vreemde onderdeelen met het valsche bericht: de stelling van de 1e Sectie (van 2-III-8 R.I.) is door den vijand genomen. Als ik naar de richting van deze Compagnie ga verkennen blijkt daar nog steeds te zijn de Sectie van Vaandrig Van der Stam van 2-III-8 R.I. Daar ik niet weg kon gaan, stond ik toen voor de zware taak in de nacht van een aantal elkaar vreemde personen een commandeerbare eenheid te vormen in een ook voor mij totaal vreemde omgeving en onder voortdurend storend vijandelijk artillerievuur.
Berichten en bevelen kwamen in de nacht niet meer binnen, ook geen antwoord op de berichten mijnerzijds. 's Morgens vroeg begon de vijand over het heele front op te dringen, maar hij werd in elk geval voor mijn stoplijndeel afgeslagen.
3.
Mijn zegsman omtrent het verwond raken van de 1e Luitenant Folmer is de Vaandrig Van der Stam van 2-III-8 R.I. Persoonlijk heb ik Folmer niet meer teruggezien. Van der Stam deelde mij mede, dat hij Folmer vond een meter of drie schuins links achter een Zware Mitrailleur die op de rugweer van de stoplijn was geplaatst, terwijl de bediening op haar plaats zat.

Luitenant Folmer lag op zijn zijde met de rug half naar den vijand in een houding, alsof hij juist een bevel had gegeven. Van der Stam acht het niet waarschijnlijk dat Folmer zelf de mitrailleur bediende. De wond was een kleine opening, dus waarschijnlijk een kogelwond, borst in en rug uit, of omgekeerd, dus dóór en dóór. Ook hieruit maakte Van der Stam de conclusie: kogelwond. Getuigen die aanwezig waren toen Folmer werd getroffen zijn mij niet bekend. Van der Stam heeft den Luitenant naar zijn groepschuilplaats laten brengen in afwachting van aangevraagde medische hulp. Die is niet gekomen en de Luitenant Folmer is in de groepschuilplaats overleden.
4.
Toen ik gewond was, ben ik nog geruimen tijd op mijn post gebleven. Daar de wond doorbloedde - er was een slagadertje in de wang getroffen - en het verband niet voldoende meer tegenhield, en ik duizelig werd, riep ik de Kapitein Hakkert bij mij en gaf hem het commando over de Compagnie over. Deze Kapitein was in de loop van de nacht bij mij aangekomen (de juiste tijd is mij niet bekend) en in de vroege morgen was hij nog in mijn loopgraaf en hij is daar tijdens de artilleriebeschieting gebleven, zonder dat hij een commando voerde. Ik achtte hem, toen ik naar de hulppost ging, de aangewezen persoon.
Zooals reeds vermeld (blz. 2 van deze) heb ik Kapitein Maas bericht gestuurd, dat ik het stoplijndeel Noord van de Heimersteinsche laan bezette. Het was ook zijn Sectiecommandant Vaandrig Van der Stam bekend, dat ik dit deel van de stoplijn bezet hield.
Noordelijk van mij was een stelling van naar ik meen 16 M.C. In elk geval was op 13 Mei de bezetting hiervan verdwenen. Verkenningspatrouilles in den nacht van 12 op 13 Mei om verband naar deze zijde op te nemen kwamen met negatieve berichten terug, maar dit zegt niets, want het terrein en het beloop van de stelling was ons allen volmaakt vreemd en het was donker.
Bijgaande terreinschets is, daar mij alle kaarten ontbreken, niet meer dan een schets. Ook de schaal is te lezen plm.
De Reserve Kapitein,
(get.) D.C. van Alewijk.
|
|

