Verklaring van reserve-kapitein Mr.Dr. M.H.H. Franssen
Commissie voor Korpsonderzoek
Kolonel D.M. Lucardie.
No. 56 Geheim.
Onderwerp:
Proces-verbaal van verhoor van
reserve kapitein Franssen,
Mr. Dr. M.H.H.
's-Gravenhage, 11 Juli 1940.
Jan van Nassaustraat 2,
Telefoon 721053.
Geheim.
De Commandant Ie Afdeeling Politietroepen, alhier, zond mij een afschrift toe van het proces-verbaal van verhoor van den reserve-kapitein Mr. Dr. M.H.H. Franssen van 2-III-11 R.I.
Mijnerzijds heb ik aan de stukken, betreffende het onderhavige onderzoek, niets meer toe te voegen.
Het dossier kan derhalve, nadat Commandant 55 R.I. daarvan zal hebben kennis genomen, rechtstreeks worden toegezonden aan den Commandant van het Justitieel Garnizoen te Utrecht (Mineurslaan 8).
De Kolonel,
D.M. Lucardie.
AAN
Commandant Detachement Politietroepen.
d/t Commandant 55 R.I.
-------------------
==========================================================================
Ie Afdeeling politietroepen.
Commandant.
No. 104 (Geheim.)
's Gravenhage, 10 Juli 1940.
Ter voldoening aan een telefonisch verzoek Uwerzijds doe ik U hierbij toekomen het proces-verbaal van verhoor van den reserve-Kapitein Mr. Dr. M.H.H. FRANSSEN.
De Commandant van de Afdeeling,
De Majoor,
(get.) Jhr. J. van Suchtelen.
Aan
den Kolonel LUCARDIE.
(ten bureele van den Inspecteur der Artillerie).
- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -
==========================================================================
AFSCHRIFT.
1e Compagnie politietroepen.
PRO-JUSTITIA.
No. 295 (P)
Proces-verbaal van
verhoor.
[Ontvangen 9 Juli 1940 No. 104]
Naar aanleiding van het schrijven van den Kapitein GELDERMAN, G.J.W., Kapitein der Koninklijke Marechaussee d.d. 19 Mei 1940, onderwerp: Aangifte gedragingen van den reserve Kapitein M. FRANSSEN van 2-III-11 R.I. en van den inhoud van proces-verbaal No. 2 P van het detachement politietroepen Amerongen, opgemaakt door den Luitenant der politietroepen P.J. CORNELISSEN, heb ik, VERMAAS, Adriaan, Cornelis, Reserve 1e Luitenant, tevens onbezoldigd rijksveldwachter, behoorende tot de 1e Compagnie politietroepen, ingevolge bekomen opdracht van den Heer Commandant van eerdergenoemde compagnie politietroepen, gehoord:
Mr.Dr. FRANSSEN, Maximilianus, Henricus, Hubertus, geboren te Roermond den 28en Maart 1903, van beroep advocaat en procureur, wonende te 's-Gravenhage, Korte Voorhout No. 12 B, Reserve Kapitein der Infanterie, die mij desgevraagd als volgt verklaarde:
"Ter beantwoording van de door U aan mij gestelde vragen kan ik verwijzen naar eenige punten van mijn gevechtsbericht d.d. 3 Juli 1940, hetwelk den Heer Commandant der IVe Divisie bereids werd aangeboden.
Ten overvloede en ter aanvulling op het gestelde in dit bericht, zij het navolgende vermeld.
Op 12 Mei 1940 was ik Commandant van de 2e Compagnie van het IIIe Bataljon van het 11e Regiment-infanterie.
Te omstreeks 6.00 uur voormiddag van genoemden dag marcheerde genoemd Bataljon ingevolge de bevelen van den Majoor Van der PLOEG op rijwielen af van Leersum in de richting Rhenen.
Bij de steenfabriek te Remmerden werd in een dennebosch halt gehouden en ging Majoor Van der PLOEG bevelen halen bij Commandant IVe Divisie. Te omstreeks 10.00 uur voormiddag van dien zelfden dag kwam hij terug met de mededeeling, dat de Duitschers waren teruggeslagen tot Arnhem. Middelerwijl waren motorordonnansen op den Rijksweg verschenen, komende uit westelijke richting en hadden medegedeeld, dat 10.000 man Fransche troepen (zware artillerie) te Amerongen waren aangekomen ter ondersteuning. Men begreep blijkbaar nog niet, dat de troep op bevelen wachtte en niet op geruchten.
De Majoor Van der PLOEG deelde aan de compagniescommandanten niet mede, wat zijn bevelen waren en hij beval, dat het Bataljon zou opmarcheeren naar Rhenen met achterlating van de rijwielen. Het Bataljon bestond uit 2-III-11 R.I., M.C.-III-11 R.I. en een kleine tirailleurcompagnie (onder bevel van Kapitein DEWEZ; samengesteld hoofdzakelijk uit troepen, teruggeslagen uit fort Westervoort). Vlak voor de bebouwde kom van Rhenen sloeg het Bataljon linksaf en er werd rust bevolen in een terreinplooi, vlak bij een hulpverbandplaats. In de buurt sloegen vijandelijke projectielen in, zoodat het onverantwoord was het geheele Bataljon te masseeren in een enkele terreinplooi; bij inslag van een enkel projectiel zou het geheele Bataljon vernietigd zijn. De Compagniescommandanten (Kapitein STEENBERGEN, Kapitein DEWEZ, ondergeteekende alsmede Kapitein Van der SPEK) hebben dit aan Majoor Van der PLOEG onder het oog gebracht met dringend verzoek een andere opstelling te bevelen. Nog steeds had Majoor Van der PLOEG niet medegedeeld wat zijn bevelen waren. Ten langen leste liet hij zich overreden en heeft toen bevolen, dat sectiegewijze kwartier zou worden gezocht in de huizen van Rhenen totdat de avond zou vallen. Ook op het betoog van de compagniescommandanten, dat het beter was te rusten in het bosch van Remmerden, van waar het Bataljon was afgemarcheerd, reageerde hij niet.
Daar de Majoor met de Compagniescommandanten in Rhenen de kwartieren wilde verkennen, heeft Kapitein DEWEZ gezegd dat òf de Majoor òf één der compagniescommandanten bij het Bataljon moest achterblijven omdat we onder artillerievuur lagen.
De uitlating "Majoor, dan wordt het Bataljon gemassacreerd" heb ik alstoen niet gebezigd.
Na de verkenning heb ik mijn compagnie zelf gehaald, behoudens dat, toen ik nog 200 meter van mijn compagnie af was, ik in gesprek raakte met Majoor Van der PLOEG en ik intusschen aan mijn sergeant-toegevoegd verzocht naar luitenant Van den BOOGERD te gaan met bevel met de compagnie den weg af te komen. Ik heb elke sectie zelf ter plaatse gebracht.
Elk van de compagniescommandanten heeft toen op eigen gelegenheid onderdak gezocht in Rhenen voor het onderbrengen van zijn onderdeel, sectiegewijze. Gedurende dien tijd bleef Majoor Van der PLOEG bij het Bataljon, zulks op instantelijk verzoek van de compagniescommandanten.
Toen ik geschikt kwartier had opgezocht voor mijn compagnie, heb ik de secties daarheen geleid met bevel te rusten. Daarna begaf ik mij naar de eerste sectie, die ik gelegerd had in een der eerste huizen van Rhenen aan den Rijksweg, alwaar ik de sectiecommandanten had samengeroepen om hen mede te deelen, dat het mijn wensch was dat ieder vastberaden en kalm zou optreden, doch dat ik geen noodeloos bloedvergieten wenschte, bijvoorbeeld niet vuren met geweren en met lichte mitrailleurs op tanks, doch wel op gemotoriseerde infanterie.
Toen ik mij naar de eerste sectie begaf om aldaar ook eenige rust te nemen, stopte een auto, waaruit de Kapitein van BUUREN van Staf IVe Divisie stapte. Deze was vreeselijk geagiteerd. Hij gaf mij het bevel, dat ik achterwaarts een verdedigende stelling moest inrichten en aldaar tot elken prijs stand houden.
Op den vraag van Kapitein van BUUREN waar zich de Bataljonscommandant bevond, heb ik toen geantwoord, dat ik dat niet precies wist te zeggen, doch dat hij, de Bataljonscommandant, zich in de buurt van het gemeentehuis van Rhenen ophield.
Ik deelde den Kapitein van BUUREN mede, dat ik van Majoor Van der PLOEG bevel had om in de kwartieren te Rhenen te rusten tot nader bevel en dat ik derhalve niet aan zijn bevel kon voldoen. Hij deelde mij toen mede dat hij mij bevelen kon uit naam van Commandant IVe Divisie, waarop ik hem antwoordde, dat ik dan zijn bevel zou opvolgen, maar dat hij dan Majoor Van der PLOEG moest waarschuwen. Dit gesprek is ondermeer gehoord door mijn sergeant-toegevoegd en door een luitenant mijner compagnie.
Dat ik den Kapitein van BUUREN alstoen gevraagd heb inplaats van bij de badloods te Rhenen stelling te mogen nemen bij de vernauwing van een aldaar gevormd pleintje, nabij een huizenrand aan den straatweg, is onwaar.
De Kapitein van BUUREN had mij bevolen achterwaarts stelling te nemen ter plaatse als ik zelf kon kiezen bij den Rijksstraatweg en tot elken prijs stand houden. Hij voegde er later aan toe, dat ik moest blijven vóór den commandopost der IVe Divisie. Toen ik hem wilde vragen waar deze commandopost zich bevond, was hij reeds in zijn auto en reed weg in de richting Rhenen.
Kapitein van BUUREN heeft later een bevel van gelijke strekking gegeven aan den Kapitein STEENBERGEN, dien ik zag en aan wien ik mededeelde, wat de Kapitein van BUUREN mij bevolen had, daaraan toevoegende, dat ik hem (Kapitein STEENBERGEN) niets bevelen kon. De mitrailleurcompagnie heeft zich later na bekomen bevel van den Kapitein van BUUREN bij mij aangesloten.
Na het verkrijgen van genoemde opdracht overwoog ik, dat als eerste eisch gesteld was: stand houden tot het uiterste en een terrein door mij zelf te kiezen. In overleg met Luitenant Van den BOGAERT [BOOGERD] van mijn compagnie koos ik toen een terrein, dat op de kaart voor de verdediging was aangewezen namelijk ter plaatse bij den steenoven van Remmerden waar de Rijn vlak langs den rijksweg stroomt. Ik gaf de noodige bevelen uit aan mijn sectiecommandanten en overlegde met Commandant M.C.-III-11 R.I. over de door hem te geven bevelen.
De Commandant van een compagnie P.A.G., die aldaar werkeloos stond, vroeg mij wat hij moest doen. Ik heb hem toen gezegd, dat, als hij niets te doen had, hij ter plaatse in stelling moest komen en gaf hem ter zake de noodige bevelen.
Ik betwijfel, dat Kapitein STEENBERGEN toen tegen den Majoor Van der PLOEG heeft gezegd, dat hij zich ingevolge mijn opdracht onder mijn bevelen moest stellen; zooals reeds gezegd, heeft de mitrailleurcompagnie zich later op bevel van den kapitein van BUUREN bij mij aangesloten.
Ik herinner mij, dat, toen ik mij in de richting van Remmerden bewoog, de Kapitein van BUUREN mij op een gegeven moment achterop reed. Hij riep toen: "Denk erom, standhouden tot het uiterste!", waarop ik hem antwoordde, "Daar kunt U op rekenen!".
Dat de Kapitein van BUUREN mij toen ter hoogte van de oprijlaan van de villa van den heer WALLER opdracht heeft gegeven in elk geval stelling te nemen vanaf den Rijn, die vlak langs den weg stroomt en de oprijlaan van huize "WALLER", is onwaar.
Toen bovengenoemde bevelen in uitvoering waren, kwamen Majoor Van der PLOEG en Kapitein van BUUREN ter plaatse; de Majoor meende mij als "landverrader" te mogen kwalificeeren.
Het is onwaar, dat de Kapitein van BUUREN mij alstoen een geringe verplaatsing had toegestaan. Meergenoemde kapitein had toen in het bijzijn van Majoor Van der PLOEG niet de vrijmoedigheid te verklaren, dat de betreffende bevelen van hem afkomstig waren. Toen ik hem op de kaart een punt aanwees en hem vroeg of hij dit punt niet geschikt vond voor de verdediging, antwoordde hij "Ja, dit punt had U moeten nemen!" Dit punt nu was de plek waar wij ons bevonden.
Dat mij alstoen bij Remmerden een sergeant per motor namens den kapitein van BUUREN de opdracht heeft gegeven naar Rhenen terug te keeren herinner ik mij niet. Evenmin herinner ik mij, dat ik dien sergeant toen kenbaar maakte, dat ik niet terug ging naar Rhenen, daar ik moest terugtrekken op de steenfabriek Remmerden.
In den nacht van 12/13 Mei 1940 bevond ik mij, onder de omstandigheden als in mijn d.d. 3 Juli 1940 aan Commandant IVe Divisie gericht rapport vermeld, vlak voor een hekversperring in de nabijheid van hotel "de Grebbeberg" te Rhenen.
Op een zeker moment, toen ik de zekerheid had dat het terrein achter mij, zijwaarts en ook het voorterrein door den vijand was bezet en toen ik geen troep bij de hand had om nog iets te kunnen uitrichten, besloot ik mij over te geven en heb ik dat gedaan.
Voor het nemen van dit besluit had ik den toestand ter plaatse met mijn sergeant-toegevoegd besproken; inderdaad heb ik dien sergeant (SEESING) toen kenbaar gemaakt, dat we ons moesten overgeven.
Op een gegeven oogenblik meende ik een duitsche patrouille waar te nemen, hetgeen ik den sergeant SEESING mededeelde.
SEESING heeft toen geroepen, dat wij ons wilden overgeven. Wat er toen is geroepen, herinner ik mij niet meer.
Het woord "Kameraden" is tegenover de vermeende duitsche patrouille niet gebezigd.
De door mij waargenomen patrouille bleek bij overgave de reserve 1e Luitenant VERBERNE en een soldaat te zijn.
Genoemde luitenant bedreigde ons met zijn pistool en zei tot mij: "Ik schiet je neer! Ik heb altijd gedacht, dat je het met den Duitscher heulde, nu weet ik het zeker".
Onder bedreiging van te worden neergeschoten, werden wij geleid over den weg naar links naar de boerderij van Ouwehands Dierenpark. Aldaar bevond zich Majoor LANDZAAT, in wiens tegenwoordigheid genoemde luitenant ongeveer de zelfde woorden sprak. Ik heb Majoor LANDZAAT verklaard, dat ik zelfs niet één woord gezegd had. De Majoor keek den Luitenant VERBERNE eens aan en haalde zijn schouders op, blijkbaar van het geval niets begrijpend.
Waar ik mijn bevindingen gedurende de oorlogsdagen reeds heb gerapporteerd aan Commandant IVe Divisie, volsta ik met het vorenstaande te verklaren.
Na de voorlezing van zijn verklaring volhardt hij daarbij en onderteekent hij deze.
w.g. FRANSSEN.
Waarvan door mij op ambtseed is opgemaakt dit proces-verbaal, en overgegeven aan den Heer Commandant van de 1e Compagnie politietroepen, om te worden gezonden aan den Commandant van het detachement politietroepen Amerongen.
Gesloten te 's-Gravenhage, den 8en Juli 1940.
Voor eensluidend afschrift,
de reserve 1e Luitenant,
(get.) A.C. VERMAAS
|
