Verslag van reserve-eerste luitenant J.M.M. Tendijck

Verslag van Reserve 1e Luitenant J.M.M. Tendijck, Sectiecommandant bij 2-I-24 R.I.

Op 12 Mei in den namiddag kreeg ons bataljon het bevel om zich reisvaardig te maken. Het bevond zich toen juist een uur in de kwartieren te Amerongen, nadat het in den nacht van Maurik naar Amerongen was verplaatst, waar het den morgen had doorgebracht liggende onder de struiken en in de heide langs de kunstweg Amerongen - Elst even ten Oosten van de kom van Amerongen. Ofschoon onze compagnie Donderdags voor het laatst had geslapen, was de stemming en het moreel vrij goed te noemen. Binnen het half uur stond onze compagnie, volledig van rijwielen voorzien en weer geheel compleet sinds de ochtend, toen de reserve 1e Luitenant Hoogewerff met acht menschen was teruggekeerd, aangetreden voor het Raadhuis te Amerongen, en begaf zich op weg naar de kunstweg naar Elst, waar het bataljon de marschformatie aannam. Het was slechts bekend dat we in de richting van Rhenen zouden vertrekken, maar ik voelde dat we diezelfden dag nog in den strijd zouden worden geworpen. De vroolijke stemming was ineens verdwenen en het gelukte me ook niet tijdens de marsch daarin eenige verbetering te brengen.

In Elst hoorden we dat de Duitschers in een smalle strook aan de Grebbe waren doorgedrongen, naar men (eenige manschappen van de militaire politie) zei, nadat door verraad paniek was verwekt. Vlak voor Rhenen werd halt gehouden.

De Bataljonscommandant, die met de Compagniescommandanten reeds vooruit gegaan was, hield voor een huis een bespreking, waar ik mij bij voegde en toen hoorde dat ons bataljon tot taak had het gat in de Grebbelinie dat ca. 600 Meter breed was weer op te vullen.

De manschappen waren eenigermate de kluts kwijt, want toen enkele Nederlandsche vliegtuigen verschenen dacht men met Duitsche vliegtuigen te doen te hebben. Het aanvalsbevel was kort en het luidde, dat het Ie Bataljon een tegenstoot moest doen in een vak van 600 Meter breedte evenwijdig aan de kunstweg Rhenen - Wageningen. Op zijn hoogst een 40-tal Duitschers waren doorgedrongen, overigens was de Grebbelinie geheel intact. Rechts en links zaten dus de eigen troepen nog in de stellingen. De doorgedrongen vijanden waren stoottroepen, die zich gedeeltelijk in de boomen zouden bevinden. Het Bataljon zou aanvallen met 2 voorcompagnieën, rechtervoorcompagnie werd de 2e compagnie en linkervoorcompagnie de 3e compagnie. Aan iedere voorcompagnie werd toegevoegd een sectie zware mitrailleurs. De 1e compagnie vormde de bataljonsreserve.

Voor onze compagnie werd bepaald dat de compagnie zou aanvallen met 2 voorsecties, op 200 Meter daarachter gevolgd door de beide andere secties. Over de zware mitrailleurs werd niets medegedeeld. Deze waren ook nog niet aanwezig. De rechter voorsectie werd richtingssectie en had de kunstweg als rechtergrens (niet inbegrepen).

De plaats van de Compagniescommandant was tusschen de beide secties van de compagniesreserve.

Formatie van de compagnie:

 

3e Compagnie.                             2e Compagnie.
------------------------------------------------------------------------------------
                         1e Sectie         250 Meter         2e Sectie        ||
                         Commandant                          Commandant       ||
                     Luitenant Hoogewerff                  Sergeant Schaaps   ||
                    (gesneuveld 13-5-1940)    ^                               ||
                         Ø       Ø            |              Ø       Ø        ||
                             Ø             250 Meter             Ø            ||
                                              |                               ||
                                              |                  Kunstweg  -> ||
                                              |                               ||
                         3e Sectie            |              4e Sectie        ||
                         Commandant           |              Commandant       ||
                     Luitenant Tendijck       |           Sergeant Griffioen  ||
                         Ø       Ø            |              Ø       Ø        ||
                             Ø                |                  Ø            ||
                                              |                               ||

 

De secties zouden aanvallen met 2 groepen voor en 2 achter.

Op verzoek trokken de munitie-gereedschapswagens aan en werd van den dijk extra munitie naar beneden gegooid. Getracht werd ieder zoveel mogelijk nog een wapen te verstrekken maar er bleven toch enkele helpers zonder wapen (de aangevraagde pistolen voor schutters en helpers van de 3e mitrailleur per sectie waren nog niet ontvangen).

Aan de manschappen werd het aanvalsplan uiteengezet. Horloges werden gelijk gezet. (Tijd kan ik me niet meer herinneren). Alle rijwielen met ransels enz. werden achter gelaten. Daarna zette de compagnie zich in snel tempo in beweging in groepen links en rechts van de straat. In het dorp werden we door de zich daar bevindende soldaten aangevuurd en inderdaad ontstond er toen een soort aanvalsdrang. Rhenen was nog vrijwel geheel intact, slechts spiegelruiten vertoonden sporen van den oorlog en enkele huizen waren verbrand. Na het overschrijden van het viaduct sloegen we achter de huizen evenwijdig aan de spoorlijn een landweg in voor een open stukje terrein waar de compagnie de vastgestelde formatie aannam met dit verschil dat nu reeds en inderdaad te vroeg de groepen verspreid werden. Indien dit niet gebeurd was, was het waarschijnlijk niet mogelijk geweest wat ongeveer direct ontstond. In de voorste lijn namelijk viel een schot en onmiddellijk begon alles in het wilde weg te vuren, de compagniesreserve het eerst. Slechts bedreiging met mijn pistool kon de compagniesreserves doen ophouden met vuren. Het was noodig nog theorie te geven, wanneer troepen die niet in de voorste lijn waren mochten vuren. De ongeoefendheid trad toen wel duidelijk aan het licht evenals de verwarring van het eerste vuur. Na deze eerste verwarring en het schieten in het wilde weg, kwam de zaak weer tot rust. We naderden den boschrand en ik liet mijn groepen weer de colonnevorm aannemen. Zelf bevond ik mij toen bij de linker voorste groep om het contact met de linker nevencompagnie op te nemen. Ik meende toen reeds dat onze compagnie (de linker voorsectie) te ver naar links afdwaalde. We kwamen namelijk terecht op den landweg leidende naar de veelsprong van landwegen ten Zuiden van den Levendaalsche weg. Op deze weg kreeg ik inderdaad contact met de 3e compagnie, daar de meest rechtsche groep zich links van die weg bevond. Voor me lag nog een groep van onze linker voorsectie onder sergeant Rurup, die ik nog even de bedoeling van den aanval teekende.

Op dezen landweg troffen we diverse wagens met munitie en pag-trekkers aan. Overal werden we aangehouden en moesten het wachtwoord geven. Er heerschte in het bosch een onrustige stemming en het was alsof niemand elkaar vertrouwde. Ik trachtte inmiddels het verband met mijn beide andere groepen en de compagnie weer te herstellen, maar dit bleek plotseling geheel zoek, zoodat ik alleen nog de linker voorste groep van den sergeant van Hoven had, die zich achter mij bevond. In het aanvalsbevel was medegedeeld, dat de aanval zou worden ingezet op een nader bekend te maken uur U. Het was inmiddels al tamelijk donker geworden in het bosch en op mijn horloge kijkende zag ik dat het ongeveer half 9 was. Van plan eerst weer het noodzakelijke contact met de compagnie te herstellen, in afwachting van het uur U, kwam van achter plotseling een gedeelte van de eerste compagnie aangestormd onder leiding van een mij vreemde eerste luitenant. Deze riep mij toe, dat ik voorwaarts moest gaan. Veronderstellende dat mij het uur U niet bereikt had, omdat ik het contact met de rest verloren had, ging ik voorwaarts ook al omdat ik anders vreesde in de toenemende duisternis alle contact te verliezen en kwam net tegenover een opening (friesche ruiters) in de draadversperring achter de stoplijn, waar ik doorheen kon. Naar schatting een honderd meter verder kwam ik aan een stelling waar ik werd aangeroepen door een post. Ik maakte me kenbaar en verzocht den commandant te spreken. Ik werd toegelaten en gaf order aan mijn groep daar te blijven en op mij te wachten. Ik volgde den post door loopgraven die door allerlei voorwerpen versperd waren, zag de eerste doode waarover ik heen moest stappen en kwam toen in een commandopost, naar ik meen van II-8 R.I. Ik deelde de luitenant-adjudant - namen van officieren kan ik me niet meer herinneren - mede, wie ik was en waarvoor ik kwam en vroeg of hij me kon duidelijk maken, waar ik me op de kaart aangeduid bevond. Even later kwam de Bataljonscommandant, een kapitein die erg vermoeid leek, en zijn kaart met behulp van een loupe - hij droeg zelf een bril - moest lezen. Het bleek me toen, dat ik me ca. 150 meter Noordoost bevond van het uiterst linksche punt van de lijn van onze gereedstelling. Even later werd gas gemeld en werden de gasmaskers in beschermingsstelling gebracht. Als gevolg van de ontzaglijke hitte in de post was kaartlezen onmogelijk. Na 10 minuten konden de gasmaskers weer worden afgezet. Er kwam nog een kapitein en een luitenant en telefonisch kwam melding van een der compagnieën, dat daar een luitenant van 24 R.I. met een sectie was gearriveerd.

Op informatie vernam ik dat dit de luitenant Hoogewerff was met de eerste sectie. Deze bleek nog 150 meter verder naar het Noordoosten te zijn afgedwaald. Ik vroeg aan den Bataljonscommandant of ik dwars door het bosch de vermoedelijke plaats (gereedstelling) van mijn compagnie kon bereiken, maar hij zei dat dit in dit beboschte terrein onmogelijk was als ik daar niet bekend was. Bovendien bevonden zich overal rondom de commandopost, volgens zijn mededelingen, doorgedrongen Duitschers met repeteergeweren, die telkens vuurden als ze iets hoorden. Toen ik hem mededeelde, welke den taak van ons bataljon was, zei hij me, niet te weten, dat er een bataljon van ons zou aanvallen en bovendien zei hij: "Ze lijken wel krankzinnig om jullie in onbekend boschterrein in het donker te laten aanvallen". Even later werd weer opgebeld en vroeg een Compagniescommandant of ze moesten terugtrekken. De Bataljonscommandant antwoordde: "Ze lijken wel gek met hun verhalen over terugtrekken, daar is geen sprake van". De Bataljonscommandant adviseerde mij, met mijn groep terug te gaan tot het einde van het bosch, waarheen hij mij door 2 van zijn menschen zou laten brengen. Vandaar moest ik dan de kunstweg zien te bereiken om daarlangs vermoedelijk mijn onderdeel terug te vinden. Ik verzamelde mijn groep die inmiddels in de stelling gekomen was en via een ladder kwamen we er weer uit. Enkele malen hoorden we het korte droge knallen van repeteergeweren. Ongemoeid kwamen we verder aan den rand van het bosch op den weg waar we de pag-trekkers en diverse auto's hadden gezien. In struikgewas rechts van dien weg stootte ik op den kapitein Nikkels van de 3e compagnie met de Luitenant Beets, die daar de geheele compagnie nog hadden liggen. Het bleek me dus, dat alleen de rechterhelft voorwaarts was gegaan en de linker-voorcompagnie was blijven liggen.

Ik bracht over waar ik was geweest en trok toen verder naar den kunstweg, waar ik via denzelfden landweg, waar de compagnie uit elkaar was gegaan, aankwam. Toevalligerwijze zag ik daar mijn Compagniescommandant op de fiets passeeren. Ik riep hem aan en vroeg wat ik moest doen. Hij riep me toe, terwijl hij naar voren fietste, afwachten tot ik terug kom. Daar er schoten vielen van voor en achteren trok ik me achter een huis terug. Even later kwamen in paniek honderden soldaten den weg afstormen, die het wachtwoord riepen en brulden "niet schieten, eigen troepen". Het bleken een mitrailleurcompagnie te zijn en een eskadron wielrijders. Even later kwam mijn kapitein terug. Ik riep hem weer maar op hetzelfde moment openden vanaf het viaduct in Rhenen een aantal zware mitrailleurs het vuur. Ik waande mijn Compagniescommandant daarin gevallen en besloot met mijn groep verder noordwaarts te trekken. Bovendien nam het vuur van de andere zijde ook in hevigheid toe en even later hoorde ik in het Duitsch enkele malen roepen: "Aufstehen, aufstehen". Veronderstellende dat daar de Duitschers waren doorgedrongen - even later schoot van Duitsche zijde ook een kanon - besloot ik nog verder naar het noorden uit te wijken, gedekt door de huizen langs de spoorlijn. Het vuur van de Duitsche zijde nam echter toe. Bij die huizen stootte ik telkens op groepjes menschen van de 3e compagnie, die zich bij mij aansloten. Op een gegeven moment werd het vuur van de Duitsche zijde zoo erg, dat we een huis binnendrongen. Ook daar bleek het niet veilig, daar loodrecht op de spoorlijn alles glas was. We lagen plat op den grond terwijl de kogels over ons heen floten. Dwars over de hooge hekken bereikten we de gedeeltelijk verharde weg Noordelijk van Kilometerpaal 25. Daar kwamen plotseling een aantal pag-auto's in razende vaart uit het bosch rijden. We vroegen ons af, wat daar gaande was, daar ik van plan was met de ca. 20 menschen die ik bij me had weer opnieuw het bosch in te trekken. Niemand wist den weg in het terrein. Tenslotte hoorden we Nederlandsch spreken en zagen we de silhouetten van een colonne over den weg langs de spoorlijn loopen. Toen we zeker waren dat het Nederlandsche militairen waren, riep ik ze aan. Ze waren echter inmiddels verdwenen. We liepen in de richting van de spoorlijn en zagen ze toen aan den overkant weer opduiken. Er moest dus een doorgang zijn in de draadversperring, die men zei dat daar was. Weer riep ik en verzocht om even stil te houden. Aan mijn verzoek werd voldaan. Er was een reserve 1e Luitenant bij, die zich voorstelde als Koster. Hij zei me het restant bij zich te hebben van de pag., ca. 4 man, de rest was vernietigd. Bovendien had hij onderweg een aantal menschen opgepikt. Hij verklaarde den weg te kennen in de daar liggende stellingen van de divisie-reserve. Ik besloot toen, me bij den Commandant ter plaatse te melden. Het bleek, dat ik terecht was gekomen bij een compagnie van 19 R.I., die gecommandeerd werd door den reserve 1e Luitenant van der Leeuw. Zijn kapitein was met speciale opdracht vertrokken. De reserve 1e Luitenant Koster ging verder door en bleek later het grootste gedeelte van mijn menschen te hebben meegenomen. Het was een, naar het mij voorkwam, eindelooze tocht door loopgraven voordat ik de commandopost bereikte. Net toen ik daar aangekomen was kwam de melding dat er een kapitein was gearriveerd van een mitrailleurcompagnie van 11 R.I. met het grootste gedeelte van zijn manschappen. De Luitenant v.d. Leeuw verzocht me om mee terug te gaan en ofschoon ik doodop was en bovendien mijn knie eenigszins had geblesseerd bij het klimmen over de puinhopen in Rhenen, ging ik weer mee. De kapitein bleek ook mee te komen en deel uitgemaakt te hebben van een bataljon van 11 R.I. dat eveneens een aanval had moeten doen maar teruggekeerd was. Hij had opdracht gekregen, achter de divisie-reserve stelling te nemen met zijn zware mitrailleurs. De genoemde kapitein, de Compagniescommandant van de compagnie die er thuis hoorde en ik keerden naar de commandopost terug. De Compagniescommandant had aan een van zijn onderofficieren opdracht gegeven alle nieuw aangekomen menschen een opstelling te geven. De mijne bleken op de sergeanten v.d. Graaff en Aalmoes (een dienstplichtige van 3-I) na allen weer verdwenen, vermoedelijk met den luitenant Koster mede. Dit maakte mij verdacht en een oogenblik vertrouwde men mij niet meer. Later kwam een vaandrig op de commandopost, die me bleek te kennen. Ik kreeg opdracht de nacht in de stelling door te brengen terwijl men zou probeeren uit te vinden, waar mijn onderdeel te vinden was. Terwijl ik in de commandopost vertoefde kwam er een melding voor den kapitein van de Mitrailleurcompagnie, dat zijn bataljonscommandant, de reserve Majoor van Dijk op last van een der kapiteins was gearresteerd en opgesloten in een wagen. Bedoelde kapitein van de Mitrailleurcompagnie wist niet wat hij er van moest denken, daar hij dan de oudste kapitein was van het bataljon en dan met het commando van het bataljon belast zou zijn, terwijl hij de redenen niet kende waarvoor zijn Bataljonscommandant was gearresteerd (bewaakt door soldaten met last onmiddellijk het vuur te openen bij poging tot ontvluchten). Besloten werd het aanbreken van den dag af te wachten om daarna alle troepen, die er in den loop van de nacht waren bijgekomen een opstelling te geven. De stellingen der divisie-reserve waren maar zeer ijl bezet, zoodat er gemakkelijk troepen konden worden tusschen gevoegd. 's Ochtends vroeg kreeg ik de opdracht het commando op me te nemen over de middelste sectie van 11 R.I., zoodat ik daar 6 lichte mitrailleurs had, die gedeeltelijk opgesteld konden worden in beschikbare reservestellingen. Voor zoover er geen opstellingen waren, werd mij een noodopstelling in de borstwering aangebracht. Ik liet de beschikbare hoeveelheid munitie nagaan. Er was maar een beperkt aantal trommels.

Ik liet mijn Compagniescommandant om aanvulling vragen en kreeg 2 kisten met aanvalshandgranaten en 1 kist patronen, die ik over de opstelling liet verdeelen. Ik beval iedere groepscommandant iemand aan te wijzen voor het vullen van trommels. De beide sergeanten van 3-I belastte ik met het vullen der handgranaten met slagkruitpijpjes, daar de meeste anderen niet op de hoogte bleken te zijn van het gevechtsklaar maken van handgranaten. Na verdeeling beschikte ieder over ongeveer 2 handgranaten. Het was inmiddels klaar licht geworden en onze eigen artillerie, die vrij dicht achter ons scheen te staan begon een hevig vuur af te geven op de voor ons (ca. 1200 meter) liggende bosschen. Er ontstonden groote branden en kort daarop begon de Duitsche artillerie het vuur te beantwoorden. Er was ons medegedeeld, dat 3 bataljons van eigen troepen zouden aanvallen gesteund door 300 Engelsche vliegtuigen. We veronderstelden, dat onze eigen artillerie op dat moment de aanval inleidde. Het Duitsche artillerie-bombardement gericht op Rhenen en op onze eigen artillerie werd steeds heviger naar gelang de onze heftiger vuurde. De explosies van de Duitsche granaten waren veel machtiger. Ook schoten de Duitsche batterijen vrijwel gelijktijdig, daar binnen een paar seconden de 4 explosies op elkaar volgden. Soms scheen het, dat de Duitsche artillerie succes had, daar onze artillerie eenigen tijd zweeg. Het dekken voor de oversuizende projectielen van beide zijden gebeurde automatisch en naar het mij toescheen waren alle menschen daar zeer gauw aan gewend. De eigen artillerie scheen het vuur te verleggen naar achteren en ik kreeg de positieve indruk, dat zij schoot op de stoplijn van de hoofdweerstandsstrook. Uit stellingen in de stoplijn, ongeveer 1200 Meter voor ons, zag ik menschen naar de boschpunt in Zuidelijke richting vluchten, kennelijk omdat hun stellingen werden platgeschoten door eigen artillerie.

Geleidelijk maakten zich groepjes los uit de boschpunt waarop toen het artillerievuur gericht scheen en kwamen zwaaiend met witte doeken in onze richting. Daar ik geen kijker had, kon ik toen nog niet onderscheiden, welke uniformen zij droegen. Ik meldde een en ander aan mijn Compagniescommandant die antwoordde, dat het geen eigen troepen konden zijn en dat gevuurd moest worden. Daar ze nog ver af waren, had het geen nut het vuur te openen en meende ik minstens te moeten afwachten tot ik zekerheid had of ik met eigen of Duitsche troepen te doen had. Er werd mij medegedeeld, dat in de buurt van den spoorwegovergang landmijnen lagen. Ik gelastte mijn groepscommandanten onder geen beding het vuur te openen, tenzij op mijn bevel. Ik wilde niet het risico loopen eigen troepen te dooden, die kennelijk terugtrokken omdat de eigen stellingen onder zwaar artillerievuur stonden. Het was inmiddels ca. 8 uur geworden en het nieuwe woord, dat om 6 uur had moeten komen was nog niet bekend. Toen de eerste groep menschen, die we herkenden als gekleed in Nederlandsche uniformen den overweg naderde, klonk plotseling een enorme ontploffing. Er bleek iemand in een mijnenveld terecht te zijn gekomen. De overigen, een 8-tal menschen, liepen door in de richting van onze stellingen, daar waar de kunstweg over onze stellingen kruiste. Ik gaf door dat gelast moest worden halt te houden en één man verder kon komen. Toen deze het woord kende ("mijngas") werden ook de anderen doorgelaten en naar achteren afgevoerd. In het voorterrein doemden steeds meer groepjes van 3 of meer man eigen troepen op, die allen in de richting van onze stellingen kwamen. Allen werden op dezelfde wijze doorgelaten, maar we konden niet voorkomen dat er nog enkele op de ons ook niet juist bekende mijnen liepen en zoodoende jammerlijk omkwamen. Bij degenen, die terugtrekken en van wie er sommige door onze loopgraaf komen, zijn er ook van ons bataljon.

Klik hier voor een uitvergroting
Groepsfoto van militairen behorende tot 1-I-24 R.I. bij de Sint Jozefschool te Puiflijk (23 september 1939) » meer
    Een soldaat van mijn vroegere compagnie, Alsemgeest, een verband om zijn hoofd en om zijn been strompelt aan, geeft me een hand en zegt niets dan: "Luitenant, kijk!", daarbij op zijn wonden duidend. Ik zie dat zijn gezicht grauw is van datgene wat hij de laatste 24 uur heeft meegemaakt. Ik vermeen dat nog meer menschen van ons in die boschpunt moeten zitten, die voortdurend onder het vuur van eigen artillerie ligt. Het is of deze maar in het wilde weg vuurt zonder ophouden. Recht voor ons zien we een stelling van de stoplijn, waarbovenuit steeds een witte vlag op en neer zwaait. Toch blijkt uit het korte tak-tak van de automatische geweren, dat er ook Duitschers in de buurt zijn. Telkens zien we soms zeer dichtbij de gele lichtkogels omlaag gaan en meestal precies 5 minuten later neemt het vuur van de Duitsche artillerie weer in hevigheid toe. Er gaat een gerucht dat van de zijde van Achterberg door onze troepen een flankaanval wordt ondernomen. We verbeelden ons inderdaad troepen van links te zien optrekken. Later blijken ook dit weer eigen troepen te zijn, die terugtrekken. Er komt een mededeeling, dat de Duitsche stoottroepen in het voorterrein geen uniformen maar een soort overalls en lichte werkhemden dragen (dit waren onze gevangenen, die gedwongen werden hun uniform uit te doen en zo tegen het eigen vuur in te lopen). Telkens vallen er schoten van opzij en achter, het is het droge tak tak van de Duitsche automatische geweren. Een vrijwilligerspatrouille van 3 man gaat achter en opzij uit op onderzoek maar keert na ongeveer 3 kwartier onverrichterzake terug en heeft niets kunnen vinden. Plotseling verschijnen 5 Nederlandsche vliegtuigen, 4 van het type C-X (C-10) en 1 D-21. Ze ondernemen een aanval, naar het me voorkomt op de Duitsche artillerie en keeren allen ongedeerd terug. Het stemt hoopvol, dat er nog eigen vliegtuigen zijn, al lijken deze (de C-X's) in vergelijking met de moderne Duitsche jagers maar erg zwak. Ik bewonder desondanks hun moed. Inmiddels is ook enkele uren te laat het nieuwe wachtwoord doorgegeven, geen herkenningsteeken. Van mijn Compagniescommandant krijg ik geen enkel bevel. De korte aanteekeningen op mijn berichten, die ik naar de commandopost laat brengen bewijzen me echter dat hij er nog is. Iedere mededeeling van mij wordt echter beantwoord met een stereotiep onmogelijk of iets dergelijks. De inslagen der projectielen vallen steeds dichterbij, soms nog maar een 100 meter op de spoorlijn. Ook blijkt er nu artillerievuur van links te komen. We weten echter niet of dit eigen of Duitsche artillerie is. De eigen artillerie achter ons schiet zoo dichtbij, dat de zuiging achter de projectielen het zand van de dekking doet opstuiven. Weer meld ik mijn Compagniescommandant dat de eigen artillerie te dichtbij schiet, maar ook dit bericht blijft zonder resultaat. Ik hoor, dat er rechts van ons in de stellingen een overste is gekomen. Even later verschijnt bij mij een sergeant van M.C.-I-24 R.I., die mededeelt van onze overste opdracht te hebben gekregen met 2 man het voorterrein te verkennen. Het ligt practisch geheel open, afgezien van een paar huisjes bij de spoorlijn, die men verzuimd heeft op te ruimen. Ik deel hem alles mede wat ik weet en vermoed omtrent het voorterrein. Even later zie ik hem tot aan de spoorlijn voorwaarts gaan. Ik heb hem geadviseerd op den weg te blijven in verband met het gevaar van eigen mijnen.

Vanuit de boschpunt komen nu groepjes mensen in uniformen zonder witte vlag. Als ze dicht genoeg bijgekomen zijn laat ik het vuur openen. We zien ze dekken en even later gaat op de plaats waar ze neergevallen zijn een lichtkogel op. 5 Minuten later weer artillerie, nu bedoeld voor onze stellingen. Ze komen weer dichterbij en we kunnen niet zien of ze getroffen zijn. Op een gegeven moment zie ik onze overste komen. Hij leek me vreeselijk opgewonden. Hij vroeg me naar den Compagniescommandant en ik liet hem door een van mijn menschen naar de commandopost brengen. Kort daarna hoor ik een auto wegrijden en veronderstel dat hij weer vertrokken is.

Klik hier voor een uitvergroting
Groepsfoto van militairen behorende tot 1-I-24 R.I. in de Sint Jozefschool te Puiflijk (18 oktober 1939) » meer
    Een Duitsche verkenner verschijnt boven onze stellingen. Dit lijkt me de voorbode van ernstiger dingen en inderdaad eenigen tijd daarna verschijnen 8 Duitsche Stuka's en vliegen in de richting van onze stelling. Ik roep ieder toe dekking te zoeken in mitrailleurnesten en schuilplaatsen. Onze stelling blijkt inderdaad hun doel. Ze duiken naar beneden tot op minder dan 50 meter hoogte en beginnen deze te bombardeeren. Bij iedere bom die valt schudden onze schuilplaatsen en nu verwacht ik ieder oogenblik het einde. Er kunnen 10 of 20 bommem uitgeworpen zijn, dat herinner ik me niet, als ze nu laag over de loopgraaf scheren en met mitrailleurs beginnen te schieten. Even plotseling als ze gekomen zijn, zijn ze weer verdwenen. Ik zie op ieders gezicht de ontzetting voor dit gevaar, waar we ons niet tegen kunnen verweren. Er blijkt niemand zelfs gewond in het gedeelte van de stelling waar ik zit. Toch heeft de vijand zijn doel bereikt. Het moreel is gebroken en alles vlucht. Ik begeef me naar de commandopost met nog een 12 menschen die overgebleven zijn. Ik zie daar nog den Compagniescommandant en nog 2 officieren. We kiezen met de overgeblevenen nieuwe opstellingen iets verder naar achteren. De bezettingen van de zware mitrailleurs achter ons zijn ook gevlucht. We vuren op de huizen vlakbij. Er is namelijk gemeld, dat een oogenblik voor de nadering der vliegtuigen in snelle vaart een auto uit de richting Rhenen is komen aanrijden, waaruit menschen sprongen waarna de auto weer terugreed. We worden nu beschoten uit de huizen vlak bij den overweg. We vuren terug op de huizen met 2 lichte mitrailleurs en geweren. Dat kan echter niet veel resultaat hebben. Ik zoek mijn Compagniescommandant voor nadere orders. Ook deze blijkt nu verdwenen en het groepje eigen menschen is tenslotte geslonken tot 2 of 3 man. Ik acht het nu verantwoord om zelf met deze menschen terug te gaan en contact te zoeken met eventueel nog overgebleven eigen troepen. We vinden achter ons nog een sectie zware mitrailleurs volledig intact onder commando van een Luitenant.

Deze besluit zijn stukken op te laden en door de bosschen in de richting van Remmerden terug te trekken. Hijzelf neemt een rijwiel en gaat op zoek naar den Divisiecommandant voor orders om eventueel ergens anders weer in stelling te komen. We passeeren overal verlaten artilleriestellingen, auto's, munitie, stukken 7-veld, 15 houwitsers, motoren enz. Vlakbij zien we granaattrechters van zeer zware artillerie, waarin bijna een sectie kan worden opgeborgen. De restanten van een leger, dat in panische angst op de vlucht geslagen moet zijn. We vinden enkele zakken met brood en ik kwam toen pas tot de ontdekking, dat ik in 24 uur niet gegeten had. Na een geforceerde marsch stuiten we in eerst weer op eigen troepen; ik zie huzaren wielrijders, die den weg hebben afgesloten. Ik ontmoet daar ook den Luitenant v.d. Brandhof van onze batterij 6-veld die me om inlichtingen vraagt, speciaal wat de mogelijkheid wat mij betreft in het terrein, waar we vandaan komen. Ik deel hem mede, dat er vermoedelijk op z'n hoogst maar enkele patrouilles van stoottroepen kunnen zijn. Ik deel hem bovendien mede wat ik nog allemaal aan oorlogmaterieel heb gezien. Ik meld me nog bij den Overste de Marees van Swinderen, die me mededeelt, dat ik het 24 R.I. in de richting van Amerongen kan vinden. Ik verwacht dat we straks weer terug zullen gaan om het gat opnieuw te bezetten en zie daarin ondanks vermoeienissen niet tegenop. Het leek me alleen maar doelloos om daar met enkele menschen alleen te blijven zitten. In Elst, ik weet niet precies het punt (waar een school ligt en op een hoek een groot hotel) zie ik onze pag., waarbij de sergeant Franken van mijn compagnie. Deze geeft me een paar geklutste eieren en een fiets en zoo bereik ik tegen den avond Amerongen. Ik zie daar eerst de staf van het 24ste, later ook een handje vol menschen van mijn compagnie met den kapitein. Ik meld me bij den Overste en deze verwijt me te zijn teruggekomen. Je had moeten blijven en moeten sneuvelen, zegt hij. Het dringt nauwelijks meer tot me door. Ik hoor, dat alles gaat terugtrekken naar Vreeswijk in de Vesting Holland en dat ons gehavende regiment op verzoek van den overste de terugtocht mag dekken. Tot zoover mijn bevindingen, waarin de laatste bladzijden over mijn verblijf in de divisie-reserve wel met de feiten kloppen, maar mogelijk niet geheel in chronologische volgorde zijn medegedeeld. Ik was doodop, mijn geheugen voor namen en tijdstippen liet me zoo in de steek, dat ik zelfs het wachtwoord niet kon onthouden. Half slapend, half wakend begonnen we de urenlange eindelooze terugtocht per fiets naar Vreeswijk.

Reserve 1e Luitenant,

J.M.M. Tendijck.

(Dit verslag is tot stand gekomen door medewerking van H. van Kooten.)

Download brondocument in PDF-formaat Brondocument
(PDF, 20.77 MB)