Getuigenverklaring van luitenant-kolonel A.D.C. van der Voort van Zijp
Aanvulling Getuigenverklaring van
Voormalig Commandant 2e Eskadron 3e Regiment Huzaren.
Van voormalig Commandant 4e Regiment Huzaren Luitenant Kolonel Jhr. S. de Marees van Swinderen kreeg ik ter inzage de door mij op 24 Mei 1940 ingediende getuigenverklaring, met het verzoek hierop een aanvulling te willen inzenden.
Gezien in het licht van de omstandigheden, zooals die waren in Mei 1940 en de ervaringen van den oorlog welke juist achter ons liggen, kom ik tot de volgende conclusies.
Toen op 10 Mei de oorlog uitbrak stond tegenover ons een leger, dat geen enkel middel ontzag om tot haar doel te geraken. Buitengewoon geoefend en voorzien van alle steun in de lucht en op de grond, moreel hooggestemd en door propaganda tot sterven bereid voor den Führer.
Dit leger was zeer zeker veel sterker dan de legers welke in 1944 en 1945 in het veld stonden.
Het Nederlandsche leger in Mei 1940 was slecht geoefend en uitgerust voor haar verdedigende taak.
Bezuinigingen voortspruitend uit ongeloof aan den oorlog waren oorzaak dat de oefening onvoldoende was en praktische steun van artillerie en pantsers, alsmede luchtmacht ontbrak. Opruimingen in voorterreinen en versperringen waren onvoldoende of niet uitgevoerd en aangebracht.
Vanaf den eersten dag, 10 Mei 1940, heb ik moeten constateeren, dat afdeelingen in ons leger zonder daartoe bevel te hebben gekregen, terug gingen en de hun opgegeven opdrachten om stand te houden verzaakten. Het moreel was door de rondverspreide geruchten van de vijfde colonne, de angst voor spionnen en valschermtroepen, die overal (Zelfs waar zij niet waren) gemeld werden, zeer laag.
Op 12, 13 en 14 Mei heb ik geconstateerd, dat afdeelingen hun wapens hadden achtergelaten, officieren en onderofficieren zich van hun distinctieven hadden ontdaan en hun troep in de steek lieten om zich veilig te stellen achter het front. Ik moge nog verwijzen naar mijn rapport omtrent Majoor van Dijk van 11 R.I. die door mij van zijn commando ontheven en onder bewaking werd gesteld. (nacht 12 op 13 Mei 1940)
Onder deze bovengenoemde omstandigheden kan ik slechts nogmaals met klem verzekeren, dat op een enkele uitzondering na, al mijn menschen volkomen in de hand stonden van hun commandanten, en dat deze onder alle omstandigheden de hen door mij verstrekte opdrachten hebben uitgevoerd. Geen enkel vuurwapen ging verloren en behalve de enkele verliezen aan menschen en paarden, was mijn Eskadron geheel in tact op het moment dat de capitulatie werd afgekondigd. Hoewel wij allen er naar hunkerden den vijand een halt toe te roepen, nimmer zijn teruggegaan dan op last van den regimentscommandant en bijna voortdurend als achterhoede eskadron optraden, waren wij in de vaste overtuiging, dat er een ogenblik zou komen, waarop ook van ons gevraagd zou worden om ons tot het uiterste in te zetten. Door de spoedige capitulatie echter werd ons deze gelegenheid niet geboden.
Zooals echter de houding van huzaren, korporaals, onderofficieren en officieren was, heb ik geen oogenblik getwijfeld aan hun opofferingsgezindheid, dit niettegenstaande alle bovengenoemd geschetste omstandigheden, welke God zij Dank, geen nadeelige invloed op mijn Eskadron vermochten te hebben.
Ik heb dan ook, toen mij dit verzocht werd, mijn Pelotonscommandanten, Opperwachtmeester-Administrateur en Adjudant uit de Commandogroep voorgedragen voor een eervolle vermelding, om in hen mijn Eskadron te eeren, daar zich de gelegenheid tot persoonlijke daden van grooten moed niet heeft voorgedaan.
Sinds de indiening van mijn oorspronkelijke getuigenverklaring is een posthume onderscheiding uitgereikt aan den op 10 Mei 1940 gesneuvelden kornet Graaf C.E. van Limburg Stirum, terwijl de kornet Jhr. P.L.E. van der Maesen de Sombreff inmiddels tot Reserve 2e Luitenant benoemd werd.
Ik moge laatstgenoemden Officier mede voordragen voor een onderscheiding als voorgesteld in mijn bovengenoemde getuigenverklaring.
Als getuigen, die mijn verklaring kunnen staven, kan ik slechts opgeven de reserve 1e Luitenant A.B. Vlielander te Numansdorp en de 1e Luitenant K. Dijxhoorn, Pantserschool te Amersfoort.
Als getuigen ten aanzien van bovenvermelde beide officieren, de voormalig commandant 4e Regiment Huzaren, de Luitenant Kolonel Jhr. S. de Marees van Swinderen, Epse 78 P te Gorssel, en de tijdelijk benoemde Luitenant-Kolonel der Cavalerie G.P. de Kruyff, thans werkzaam bij de Nederlandsche Militaire Missie te Berlijn, die als 2e Hoofdofficier ingedeeld was bij 4e Regiment Huzaren.
10 NOVEMBER 1946.
De Luitenant Kolonel der Cavalerie
Hoofdverbindingsofficier
in de Britsche Zône Duitschland.
(get.) A.D.C. van der Voort van Zijp.
|
