Rapport inzake het optreden van de majoor W.F. Weber

COMMISSIE VOOR KORPSONDERZOEK
KOLONEL D.M. LUCARDIE
Militair Arrondissement Utrecht
-------------------------------
Nr. 121 P.

Kennisgenomen en weder aangeboden, onder mededeeling van het volgende:

  • De taak van het door den Majoor Weber gecommandeerde bataljon, III-19 R.I., was de hardnekkige verdediging van een vak van de Grebbestelling; uit de bijgevoegde schetsen blijkt, welk vak dit was; de scheidingslijnen met 8 R.I. (rechts) en met 1-19 R.I. (links) zijn hierin aangegeven.
  • Deze taak was nader omschreven in het Algemeen Verdedigingsbevel van Commandant 19 R.I., van welk bevel door mij echter geen exemplaar kan worden bijgevoegd, aangezien na de Capitulatie bevel werd gegeven alle bescheiden te verbranden. Wel kan nog worden beschikt over het Algemeen Verdedigingsbevel van den Commandant van het Veldleger, Hoofdkwartier Veldleger, Sectie I,1 Nr. 1 B, van 23 Februari 1940 en over het Algemeen Verdedigingsbevel van den Commandant IIe Legerkorps, Sectie I,1 Nr. 1 B, van 12 September 1939.
    Van beide bevelen wordt door mij een exemplaar ter inlichting aangeboden; na gebruik zou ik beide exemplaren gaarne terugontvangen.
    Dit bevel van Commandant IIe Legerkorps werd uiteraard gewijzigd na de uitgifte van het bovengenoemde bevel van den Commandant van het Veldleger. Het wordt door mij echter toch toegevoegd, aangezien het gestelde in de punten 3a en 3c onveranderd bleef.
    Bijzondere bevelen ten aanzien van de verdediging zijn aan den Majoor Weber - voor zoover mij bekend - niet gegeven.
  • Voor zoover mij bekend is, werd op 10 Mei 1940 door den Commandant van het Veldleger geen afzonderlijke order gegeven omtrent het tot het uiterste standhouden. Deze eisch was vermeld in het Algemeen Verdedigingsbevel en als vaststaande kan worden aangenomen, dat deze eisch aan iederen Commandant, dus ook aan den Majoor Weber, bekend was.
  • Aan het dossier zijn nog toegevoegd:
    1. twee schetsen, waarop ondermeer de opstelling van 19 R.I. is aangegeven, waarbij is afgedaald tot sectiën tirailleurs en zware mitrailleurs, terwijl in den regel de groepsopstellingen en mitrailleuropstellingen zijn opgenomen.
      Voorts is getracht, voor zoover nu reeds over gegevens wordt beschikt, den eigen toestand op Zondag 12 Mei pl.m. 24.00 uur en op Maandag 13 Mei pl.m. 14.00 uur in de schetsen aan te geven; voor de algeheele juistheid hiervan kan niet worden ingestaan.
      De opstellingen van den vijand zijn niet of onvoldoende bekend; volstaan werd met de "vermoedelijke" aanvalsrichtingen aan te geven.
    2. een verslag van het verhoor van den 2e Luitenant K.H. Karsen, voormalig Luitenant-Adjudant van III-19 R.I.
    3. een verslag van het verhoor van den Reserve-Kapitein P.G. Westhoff, voormalig Commandant van 1-III-19 R.I.
    4. een nadere verklaring van Dr. A.A. Hueber, reserve-officier van gezondheid 1e klasse, voormalig regiments-arts van 19 R.I.
    5. een vragenlijst, toegezonden aan Dr. R. Oosting, reserve-officier van gezondheid 2e klasse, voormalig bataljons-arts van III-19 R.I.
    6. opgave van de gehoorde personen en nog te hooren personen.

Het verloop van de gebeurtenissen bij III-19 R.I. moge ondermeer blijken uit de verslagen van de verhooren van:
- den Majoor Weber
- den Reserve-Kapitein P.G. Westhoff
- den Luitenant-Adjudant K.H. Karsen
Ook de commissie heeft zich onder andere met behulp van deze verhooren een beeld moeten vormen van de gebeurtenissen, zonder daarbij de zekerheid te hebben, dat dit beeld juist is. De gevechtshandelingen zijn zeer snel verloopen en zijn vaak bij duisternis verricht. De Commissie heeft telkens weer ervaren, dat de hoogere Commandanten onvoldoende waren ingelicht omtrent de handelingen van eigen troepen en neventroepen; in nog sterkere mate was zulks het geval ten aanzien van de vijandelijke gevechtshandelingen.
De vijand trad zeer voortvarend op; plaatselijke successen, vaak met zeer zwakke krachten verkregen, werden snel benut, waarmede hij vele malen den indruk vestigde, sterker te zijn dan hij in werkelijkheid was. De vijand is er in geslaagd, bij herhaling groote verwarring en zenuwachtigheid te verwekken.

De Commissie heeft omtrent het verloop van de gevechtshandelingen den volgenden indruk verkregen.
Op Zondagavond om pl.m. 20.00 uur was de geheele frontlijn in het vak van 8 R.I. in 's vijands handen.
De wijze, waarop de vijand daarna de stelling is binnengedrongen, kan door de Commissie niet met zekerheid worden aangegeven. Wel is komen vast te staan, dat zeer kleine onderdeelen (patrouilles) op verschillende plaatsen, daarbij gebruikmakende van het zeer bedekte terrein, ver zijn doorgedrongen en reeds vroegtijdig de eigen opstellingen in den rug zijn gekomen.
De vijand is er in geslaagd, langs den kunstweg Grebbe-Rhenen met sterkere krachten, doch in een smal front, door te breken en door te stooten tot de spoorbaan Rhenen-Amersfoort.
Wanneer Zondagavond 12 Mei door den vijand de spoorbaan bereikt is, is echter de stoplijn Zuid van den kunstweg nog in eigen handen; evenzoo is dit het geval met het overgroote deel van de stoplijn Noord van den kunstweg.
De Commissie zal hier niet verder ingaan op de gevechten en gebeurtenissen bij het viaduct en op den Heijmenberg, doch zich verder beperken tot de uitbreiding van het succes in Noordelijke richting, waardoor 19 R.I. werd bedreigd.
Het ontruimen van de opstellingen in de frontlijn bij Kruiponder, in den namiddag om pl.m. 17.00 uur, heeft reeds dadelijk een zeer nadeeligen indruk gemaakt op III-19 R.I. en in het bijzonder op de meest Zuidelijke compagnie 1-III-19 R.I., onder bevel van den Reserve-Kapitein Westhoff.
Het is inderdaad zeer te betreuren, dat de opstellingen van 2-II-8 R.I. bij Kruiponder op bovengenoemd uur (pl.m. 17.00 uur) door de sectiecommandanten op eigen gezag zijn ontruimd. De beide daar bevelvoerende compagnies-commandanten, de Reserve-Kapitein A. Wiersinga, Commandant 2-II-8 R.I. en de Reserve-Kapitein N.A. Schuman, Commandant M.C.-III-19 R.I., achtten niettemin de sterkte van den vijand aldaar slechts gering, zoodat zij beiden het hernemen van Kruiponder mogelijk achtten.
Ook de Commissie heeft den indruk, dat dit mogelijk zou zijn geweest. Een aanval tot hernemen van Kruiponder kon namelijk snel worden gesteund door de Artillerie - ondermeer waren de vuren 141, 164, 123, 163 voorbereid - en door twee sectiën zware mitrailleurs van III-19 R.I.; deze laatsten hadden reeds eerder bij de verdediging van Kruiponder op daadwerkelijke wijze medegewerkt, op verzoek van Commandant 2-II-8 R.I.
De mogelijkheid van een tegenaanval werd vergroot door het feit, dat door Commandant 4 R.H. ook aan een eskadron Huzaren (op rijwiel) onder Commando van den ritmeester van der Voort van Zijp opdracht werd gegeven Kruiponder te hernemen, en deze, ter uitvoering hiervan, zijn eskadron langs den Dijkschen weg naar de Maatsteeg verplaatst, ter plaatse waar zich de stelling bevond van de tusschenverdediging, welke bezet was door de compagniesreserve van 2-II-8 R.I.
Wanneer in samenwerking met den Kapitein Wiersinga de verkenning van de uitgangsstelling reeds heeft plaats gehad, ontvangt de ritmeester van der Voort van Zijp opdracht van zijn Regimentscommandant, den Luitenant-Kolonel Jhr. de Marees van Swinderen om terug te keeren, ter uitvoering van een andere opdracht (later blijkt dit te zijn het bezetten van de spoorbaan).
Het teruggaan van deze huzaren had een zeer nadeeligen invloed op de nog aanwezige sectiën van de compagnie Wiersinga. De toestand was hier echter, zoover de Commissie kan nagaan, geenszins onhoudbaar. De rechter nevensectiën, van de tusschenverdediging van 1-II-8 R.I., hebben tot den volgenden morgen stand gehouden.
De toestand werd echter door den Kapitein Wiersinga onjuist beoordeeld en het is wel zeer te betreuren, dat na het terugroepen van het eskadron huzaren ook de Kapitein Wiersinga besloot op eigen gezag terug te trekken. Hij heeft zich daarbij blijkbaar niet gerealiseerd, dat hij de eerste was, die een opening maakte in de tusschenverdediging en daarbij den toegang voor den vijand naar Achterberg langs den Dijkschen weg vrij maakte.
Naar aanleiding van de gebeurtenissen bij 8 R.I. en uiteraard in het bijzonder bij II-8 R.I., heeft Commandant 19 R.I. in den laten avond van Zondag 12 Mei bevel gegeven aan Commandant III-19 R.I. om met zijn bataljon front zuid te maken. Zooals uit de verschillende verhooren is gebleken, heeft deze frontverandering een zeer demoraliseerenden invloed op de troepen gehad. Hoewel dit wel begrijpelijk is, onder andere als gevolg van het feit, dat in plaats van in de gevechtsopstellingen voor de opstelling front Oost, thans in het open terrein moest worden stelling genomen en deze verandering van opstelling in den nacht moest worden uitgevoerd, was dit toch een gevechtshandeling, welke zeer zeker binnen de mogelijkheden was gelegen en zooals uit de verklaring van den toenmaligen Luitenant-Adjudant van III-19 R.I., den 2e Luitenant Karsen, blijkt, ook reeds tevoren, zij het in beperkte mate, onder de oogen was gezien.

De formatie waarin 19 R.I. was opgesteld in den nacht van 12 op 13 Mei is aangegeven in schets nr. 1.
Voor de stemming dien nacht in den Commandopost van III-19 R.I. en de gebeurtenissen aldaar en bij 1-III-19 R.I., moge ik verwijzen naar de verslagen van de verhooren van Luitenant-Adjudant Karsen en Kapitein Westhoff.

In den vroegen morgen van 13 Mei was een tegenaanval bevolen. Deze werd uitgevoerd onder Commando van Commandant 29 R.I., den Luitenant-Kolonel G. Land, die daartoe de beschikking kreeg over 4 bataljons, namelijk I en III-29 R.I., II-24 R.I. en I-20 R.I. Deze tegenaanval is schematisch ingeteekend in schets nr. 1.
In verband met het feit, dat slechts weinig tijd beschikbaar was voor het regelen van den tegenaanval en men onvoldoende op de hoogte was van den toestand bij de eigen troepen, heeft men het niet aangedurfd, dezen tegenaanval te doen steunen door artillerievuur kort voor de aanvallende troepen. Artillerievuur werd slechts afgegeven op plaatsen ver vooruit, waarvan men met zekerheid wist, dat zich aldaar geen eigen troepen bevonden.
Na een aanvankelijk succes is deze tegenaanval tot staan gekomen en kort daarna teruggevloeid, welke laatste handeling in wanorde is ontaard.
Deze terugtocht was uiteraard hoogst bedenkelijk voor III-19 R.I., door welk bataljon de troepen terugstroomden.
Hierbij dient te worden vermeld, dat bevelen waren gegeven en ook reeds uitgevoerd, dat III-19 R.I. weder zijn oorspronkelijke opstelling front Oost zou innemen, wanneer de tegenaanval voldoende terrein zou hebben gewonnen.
Zooals uit het verslag van den Luitenant-Adjudant Karsen blijkt, was de Majoor Weber toen nog geheel normaal.
De Majoor Weber was ook nog aanwezig op zijn Commandopost, toen de troepen, welke den tegenaanval hadden uitgevoerd, terugvloeiden, hetgeen blijkt uit zijn eigen verklaring.
Kort daarop heeft er een vijandelijke tegenaanval plaats gehad, welke vermeld wordt zoowel in het verslag van het verhoor van den Majoor Weber, als in dat van den Kapitein Westhoff. De Majoor was toen buiten zijn commandopost, in verband met een aanval van den vijand, welke aanval ook vermeld wordt door den Luitenant-Adjudant Karsen. Hoewel de tijden in de verschillende verklaringen niet geheel overeenstemmen, zijn de feiten wel in overeenstemming.
Daarna is de bezetting van den commandopost teruggeweken, met andere onderdeelen van III-19 R.I.
Als even later de Kapitein Schuman op den commandopost komt, is alleen de Luitenant-Adjudant nog aanwezig, de Majoor is weggegaan. Volgens de verklaring van den Majoor is hij toen gewond geraakt en gevallen en heeft hij zich doen vervoeren naar Elst, alwaar hij door den regiments-arts, Dr. Hueber, is behandeld. Voor den toestand, waarin de Majoor Weber toen verkeerde, moge ik verwijzen naar de verklaringen van Dr. Hueber.

's-Gravenhage, 2 September 1940.
De Kolonel,

D.M. Lucardie.

Download brondocument in PDF-formaat Brondocument
(PDF, 4.67 MB)