Schrijven van dienstplichtig sergeant H.J. Kevelham inzake luitenant Folmer
HOOFDREGELINGSBUREAU
REGELINGSBUREAU LANDMACHT.
--------------------
Afdeling Ic.
Nr. 1431
--------------------
Onderwerp:
Krijgsgeschiedenis.
's Gravenhage, 28 Februari 1941.
Willem Lodewijklaan nr. 1
Naar ik van den sergeant Van 't Slot vernam, heeft U op 12 Mei gezien, dat de reserve 1e Luitenant Folmer werd gewond en werd weggedragen naar een groepsschuilplaats.
Aangezien ik tot nu toe geen juiste gegevens daaromtrent heb, zou ik het op prijs stellen, indien U mij wilt inlichten, op welke wijze deze gebeurtenis heeft plaatsgehad.
Sommigen zeggen, dat de Luitenant Folmer de mitrailleur zelf heeft bediend, anderen zeggen van niet.
Met een nauwkeurig verslag verneem ik tevens gaarne de namen van anderen, die de gebeurtenis hebben medegemaakt.
Een dienstenveloppe voor terugzending van Uw antwoord is hier bij gevoegd.
De Luitenant-Kolonel van den Generalen Staf
(get.) V.E. Nierstrasz.
Aan
den Heer Kevelham
Idastraat 20
Hengelo (Ov)
---------
==========================================================================
A f s c h r i f t.
Hengelo, 4 Maart 1941.
Hoogedelgestrenge Heer,
Uw schrijven van 28 Februari j.l. ontvangen. Aan Uw verzoek wil ik natuurlijk gaarne voldoen, hoewel het voor mij minder prettig is, telkens weer aan deze verschrikkelijke dagen te worden herinnerd. Dit is reeds het derde verzoek om bijzonderheden over het sneuvelen van wijlen Luitenant FOLMER.
Op Zondag 12 Mei kwam de order van den kapitein, dat de eerste sectie, onder commando van genoemde luitenant, zich gereed moest maken, voor vertrek naar de Grebbe.
In bussen werden wij vervoerd. Bij Hotel "De Grebbeberg" werd afgeladen en toen ging het sprongsgewijze voorwaarts, links langs het hotel, het bos in, met steeds onze sectie-commandant voorop. Hij hielp zelf mee sjouwen en ook wij, de onderofficieren, hielpen mee, zoodat we snel oprukten.
Een groote fout maakte mijns inziens de luitenant, door niet vooraf aan ons onderofficieren en ook soldaten mede te deelen, wat of onze plaats van bestemming, of beter de opdracht was. Wij waren op een voor ons absoluut onbekend terrein. Op de plaats van bestemming aangekomen, bleek er voor ons geen vaste mitrailleuropstelling aanwezig te zijn, dus werden de wapens opgesteld op de begane grond zonder eenige dekking vóór ons. Weldra bleek ons, dat wij het meeste vuur hadden te verwachten vanuit de boomen. Vlug werden dan ook de wapens hierop gericht en eenige banden door de boomen verschoten.
De bewering dat de luitenant FOLMER zelf de mitrailleur had bediend, is juist, echter niet op het moment dat hij door een kogel in zijn borst werd gewond. Ook ik zelf en anderen hebben schoten met de mitrailleur gelost.
Na eenigen tijd vernamen we weinig vuur meer vanuit de boomen op ons. De luitenant vroeg me mee te gaan een eindje naar voren, daar we, schuin rechts, voor ons een heuveltje hadden en dus die kant niet uit konden zien. Beiden gewapend met karabijn, met den soldaat TWILHAAR uit Almelo, kropen we langzaam naar voren. Gedekt achter een klein heuveltje bleven we liggen. Na eenige schoten te hebben gelost werd het volkomen rustig. We lagen naast elkaar. Links soldaat TWILHAAR, midden luitenant FOLMER en rechts ik, met tusschenruimten van ongeveer één meter. De luitenant richtte zich een weinig op en tastte met zijn rechterhand in zijn jaszak. Plotseling ratelde er een lichte mitrailleur of geweer. Ik schreeuwde nog om te dekken, maar het was reeds te laat. De Luitenant stortte kreunend voorover, getroffen door een kogel in de borst. De kogels vlogen ons om de ooren. Even daarna werd het weer rustig.
De soldaten MULDER, G. uit Borne en Van Laar uit Almelo kropen toen naar voren, om den gewonde te halen. Voorzichtig werd hij in de achter ons liggende loopgraaf getrokken en in een groepsschuilplaats op wat stroo gelegd. Een hospitaalsoldaat hadden we op de Grebbeberg nog niet gezien en een hulpverbandplaats was ons niet bekend, dus werd met eigen hulpmiddelen getracht het bloeden te stelpen, wat maar gedeeltelijk mocht gelukken. De kogel was in de rechter borst gedrongen en had het lichaam aan de achterzijde weer verlaten, waar een gapende wond hevig bloedde.
Na ongeveer een uur ben ik weer gaan kijken. De laatste woorden die ik toen nog van den stervende kreeg, waren: "De groeten aan den kapitein en nu sergeant Van 't SLOT sectiecommandant". Na een kort oogenblik waren toen mijns inziens de levensgeesten geweken.
De luitenant was een geacht officier en is gevallen als een door onze geheele sectie bemind, maar vooral als een moedig, dapper officier. Dit namens onze geheele sectie.
De bovengenoemde soldaten TWILHAAR en L. van LAAR uit Almelo en soldaat G. MULDER uit Borne waren alle van M.C.-II-19 R.I. Hunne adressen zijn mij niet bekend.
Hopende aan Uw verzoek te hebben voldaan, teeken ik met de meeste hoogachting,
Uw dienstwillige
(get.) H.J. Kevelham
Idastraat 20
Hengelo (Ov).
|
