Verslag van dienstplichtig sergeant J.S.F. van 't Slot
HOOFDREGELINGSBUREAU
REGELINGSBUREAU LANDMACHT.
--------------------
Afdeling Ic.
Nr. 1082 / '40.
--------------------
Onderwerp:
Krijgsgeschiedenis.
's Gravenhage, 28 Januari 1941.
Willem Lodewijklaan nr. 1
Op mijn aan U gezonden brief d.d. 21 November 1940 No 1082 (waarvan ik gemakshalve een afschrift hierbij voeg) heb ik nog geen antwoord ontvangen.
In verband met het groote belang betreffende het nauwkeurig beschrijven van de Krijgsgeschiedenis, verzoek ik U, alsnog de door mij gestelde vragen te willen beantwoorden.
De Luitenant-Kolonel van den Generalen Staf
(get.) V.E. Nierstrasz.
Aan
den Heer J.S.F. van 't Slot
Abraham Strickstraat 49
te
ENSCHEDE.
---------
==========================================================================
REGELINGSBUREAU LANDMACHT
Afdeling I C.
------
Nr. 1082.
Onderwerp:
Krijgsgeschiedenis.
---
's-Gravenhage, 21 November 1940.
Willem Lodewijklaan 1
Ik verzoek U, mij een verslag te doen toekomen van hetgeen U tijdens de gevechten op den Grebbeberg hebt beleefd.
Het is van belang, dat U daarbij nauwkeurig omschrijft op welke wijze en onder welke omstandigheden de luitenant FOLMER werd gewond.
Indien U dit niet zelf hebt gezien, verneem ik gaarne namen van personen, die dit wel hebben waargenomen.
Tevens is het van belang, dat U nauwkeurig beschrijft wanneer U uit de loopgraven van den stoplijn bent weggegaan en waar U daarna zijt geweest.
Een en ander is belangrijk voor het nauwkeurig beschrijven van de Krijgsgeschiedenis.
De Luitenant-Kolonel
van den Generalen Staf,
(get.) V.E. Nierstrasz.
Aan
den Heer J.S.F. van 't Slot,
Abraham Strickstraat 49
te
ENSCHEDE.
- - - - - - - - - - - -
==========================================================================
Joh.S.F. van 't Slot
Emmastraat 58.
Enschede
Enschede, 1 Februari 1941.
Bij dezen deel ik U mede, dat ik Uw schrijven d.d. 28 Januari 1941 met afschrift schrijven d.d. 21 November 1940 in goede orde ontvangen heb.
Uw vorig schrijven, dus van 21 November kwam niet in mijn bezit in verband met het feit, dat ik verhuisd ben.
Daar het mij onmogelijk is om U direct te antwoorden, zal ik U een dezer dagen een uitvoerig rapport doen toekomen, vanaf de eerste oorlogsdag tot aan het einde. Juist mijn rapport zal U zeer zeker interesseeren gezien het feit dat mij de capitulatie pas een dag na de officiëele datum bekend werd.
In verband met een nare berichtgeving als zoodanig, verzoek ik U dan ook eenigen tijd geduld uit te oefenen, opdat ik verschillende plaatsen en data aan mijn collega's zal vragen en laten toetsen, omdat het gedurende de oorlogsdagen zeer moeilijk was om deze te onthouden.
Zeer gaarne zoude ik vernemen welk belang er is met Uw vraag over het verwonden van Luitenant Folmer. Is het niet gelijk, wanneer iemand anders op dezelfde plaats gesneuveld was?
Hoogachtend,
(get.) Joh.S.F. van 't Slot.
==========================================================================
REGELINGSBUREAU LANDMACHT
Afdeling I C.
------
Nr. 1348.
Onderwerp:
Krijgsgeschiedenis.
---
's-Gravenhage, 5 Februari 1941.
Willem Lodewijklaan 1
Naar aanleiding van Uw brief van 1 Februari 1941 deel ik U het volgende mede:
Het is in het belang van een goeden beschrijving der krijgsgeschiedenis beter, dat U slechts in Uw verslag opneemt, wat U zichzelf herinnert te hebben gezien en medegemaakt. Dat de juiste tijdstippen U niet meer geheel voor oogen staan, is geen bezwaar, daar ik deze wel met andere berichten kan verifieeren. Overleg met Uw collega's leidt er toe, dat allerlei zaken worden opgenomen, waarvan niet onomstootelijk vast staat, dat zij gebeurd zijn, zoodat onjuiste geruchten als feiten worden vermeld.
Wat Uw tweeden vraag omtrent Luitenant Folmer betreft, gaat het er om een ooggetuige bericht te hebben, die een en ander heeft gezien. Verschillende personen beweren, dat Luitenant Folmer zelf de mitrailleur ging bedienen, toen zijn personeel zich had gedekt of was gevlucht.
De Luitenant Folmer is daarom zelfs aanbevolen voor een - posthuume - militaire onderscheiding. In verband hiermede is het noodig, dat vast staat, hoe de zaak zich heeft toegedragen en voor zooveel nog bekend, waart U ooggetuige.
De Luitenant-Kolonel
van den Generalen Staf,
(get.) V.E. Nierstrasz.
Aan
den Heer J.S.F. van 't Slot,
Enschede.
==========================================================================
Joh.S.F. van 't Slot
Emmastraat 58.
Enschede
Enschede, 19 Februari 1941.
Ingesloten gelieve U aan te treffen, het verslag van de gevechten op de Grebbeberg, als gevraagd in Uw schrijven d.d. 21 November 1940, herhaald in Uw schrijven d.d. 28 Januari 1941, nr 1082/'40.
Het verslag is zonder aanzien des persoons opgemaakt en geheel eerlijk gehouden.
Zooals U in het verslag zult lezen, heb ik het sneuvelen van de Luitenant Folmer zelf niet gezien, echter wel weer het dragen naar de loopgraaf. Den heer Kevelham, Idastraat 20 te Hengelo (Overijssel) heeft dit echter wel gezien.
Dat de Sectie gevlucht zou zijn is een grove leugen van onverantwoordelijke menschen, die niet beter weten.
Heel gaarne zou ik Uwe beoordeeling vernemen van dit verslag en wel natuurlijk op militair gebied.
Hopende U hiermede volledig te hebben ingelicht, teeken ik inmiddels,
Hoogachtend,
(get.) Joh.S.F. van 't Slot.
Aan
Hoofdregelingsbureau Landmacht,
Willem Lodewijklaan 1,
den H A A G.
==========================================================================
Verslag Joh.S.F. van 't Slot, Sergeant M.C.-II-19 R.I.
In vredestijd was onze Compagnie, waarbij ik ingedeeld was, in Wageningen in kwartier. Bij alarm of bij een hoogere graad van strijdvaardigheid werd de Compagnie verplaatst naar Rhenen, omdat wij in deze plaats de stelling hadden.
Zoodoende waren wij Vrijdag 10 Mei ook in Rhenen. De manschappen van de Compagnie waren gelegerd in een school, terwijl de officieren en onder-officieren bij burgers ingekwartierd waren.
Zoo werd ik dan Vrijdag 10 Mei, om ongeveer 4 uur 's nachts gewekt door den korporaal van de week, met de mededeeling: "Alarm". Haastig de kleeren aanschieten, uitrusting omgehangen en zonder eten naar de Sectie, om behulpzaam te zijn. De manschappen bleken reeds gewekt te zijn en stonden buiten reeds te kijken en te luisteren naar het luchtafweergeschut. Steeds werd het drukker op het plein voor de school terwijl na eenigen tijd wachten de officieren kwamen. Het is te begrijpen dat ieder militair graag wilde weten, wat of geschiedde. Allengs werd het duidelijk, dat ons land ook in oorlog geraakt was. Een lichtelijke zenuwachtige stemming was er onder de militairen kenbaar, deels in verband met het feit dat de verwanten en bekenden van de Compagnie in Twenthe woonden en uiteraard geen berichten hierover aanwezig waren.
Steeds wachten op nadere orders. Eindelijk na ongeveer een uur omhangen, zonder mitrailleurs naar het Gemeentehuis en vandaar naar het veer om te helpen bij de evacuatie van de burgerbevolking. Deze verliep niet bepaald zooals het moest, waardoor het ongeveer 8 uur werd toen de laatste boot met burgers vertrok. In de namiddag kwam reeds een kanonneerboot der Marine in Rhenen aan van Arnhem, welke gevlucht was. Een doode was aan boord [Matroos C.A. van Slooten]. Deze werd aan wal gebracht en in een schuur gelegd, terwijl er een soldatenwacht betrokken werd.
Dit terugkeeren van de boot, was voor ons een veeg teeken, omdat hier natuurlijk uit viel op te maken dat de IJssellinie doorbroken was. 's Avonds op fietsen terug, welke door de burgerbevolking waren achtergelaten, naar het kwartier. Slechte verduistering in Rhenen van panden waar nog militairen waren. Allen gewaarschuwd.
In een kwartier zoo mogelijk rusten, met uniform en volledige uitrusting op de kribben. Reeds hevig granaatvuur.
N.B. In de namiddag vielen de eerste bommen uit een vliegtuig, bedoeld op het luchtafweergeschut.
Zaterdag 10 Mei
Een zeer slechte nachtrust gehad, door het onophoudelijk granaatvuur wat op Rhenen lag, alsmede door het schieten van de eigen artillerie. Volgens de berichten die we zoo af en toe hoorden wordt op de Grebbe of door de voorposten reeds verwoed gevochten. De geheele dag verder niets gedaan, dan afwachten of er orders zouden komen. 's Avonds om 7 uur op wacht met de Sectie, met de mitrailleurs op vliegtuigen. Steeds hevig granaatvuur. De watertoren in Rhenen is dan ook al getroffen en het water loopt er van boven uit. Des nachts verhuizen we van het gymnastieklokaal naar de kelder van de school. We voelen ons daar voor de granaten iets veiliger. Sectie is steeds op wacht. Ik maak meerdere rondes langs de stukken en blijf nog langen tijd op straat voor controle met 2 manschappen.
Al deze tijd zien we zeer weinig officieren en vaandrigs, die toen ingedeeld waren. Het was echt: "Ieder zijn eigen boontjes doppen", zooals het trouwens de geheele mobilisatie geweest is.
Zondag 11 Mei
De morgen brengen we weer gewoon door. Tegen den middag word ik bij de kapitein geroepen. Deze deelt mij mede, dat de 1e Sectie zich moet verzamelen in volle gevechtsbepakking met de karren.
Verder zei men mij, dat ik aan de Sectie bekend kon maken, dat zoojuist door de Divisie bevestigd was, dat Arnhem door de Engelschen bezet was en dat in Amerongen 10.000 gemotoriseerde Fransche troepen aanwezig waren.
Ik ga naar de Sectie en deel hun alles mede. We zijn spoedig klaar. Ik krijg van den 1e Luitenant FOLMER opdracht af te marcheeren naar de Stoomhamer. Bij het viaduct halt houden. De geheele sectie neemt plaats in een bus, terwijl de karren op vrachtauto's worden geladen. We rijden na eenige tijd de Grebbe op. Bij Hotel de Grebbeberg wordt halt gehouden. Uitstappen, mitrailleurs van de karren. Krijg order van een Majoor om ze op de weg op te stellen. Even later moeten we vooruit en wel achter dit hotel, langs Ouwehand's Dierenpark. De Sectie was lang niet compleet, omdat er zeer vele waren die andere werkzaamheden hadden te verrichten, ook reeds in vredestijd.
Nauwelijks enkele meters genoemde weg ingeslagen of er liggen 3 lijken naast elkaar. Gedood door een voltreffer. Zeer waarschijnlijk heeft dit plotselinge zien, verschillende jongens ontmoedigd.
We rukken steeds verder op. Zooveel mogelijk dekken. Meermalen vroeg ik Luitenant Folmer zich te dekken, waaraan hij echter geen gehoor gaf. De Luitenant liep steeds rechtop! En of ik hem al zeide: "U verraadt Uzelf en de sectie aan de vijand", deed niets ter zake. Het hielp niets. Zelf heb ik heele einden met een mitrailleur geloopen, omdat de jongens het niet konden volhouden. Dit kwam mede door het feit, dat geen voldoende manschappen aanwezig waren.
Nu is het volgende van groot belang: Op het terrein waar we nu zijn, waren we nog niet geweest en was ons dus geheel onbekend. Noch werd ons medegedeeld waar de vijand zich bevond of iets van dien aard! Zelfs wisten wij het wachtwoord niet omdat dit steeds veranderde en ons hiervan geen kennis werd gegeven, hetwelk natuurlijk zeer gevaarlijk was.
Verder oprukken, steeds met de mitrailleur op de zware affuit. Reeds hadden wij onze dekens weggegooid, om vrijer in onze bewegingen te zijn. Hier ook veel granaatvuur en veel schieten van geweren en pistolen. Ik meen te mogen zeggen dat eigen troepen meer op eigen troepen schoten dan de vijand op ons, hetgeen U later iets duidelijker zal worden bij een order, gegeven door een Overste.
Eindelijk vinden wij een loopgraaf aan beide zijden van een weg, waar we even ingaan. De stukken blijven vlak bij de ingang staan, alwaar manschappen bij zijn. Volgens ons zitten er verschillende vijandelijke soldaten in de boomen, zoodat ze zeer moeilijk te onderscheiden zijn. Onophoudelijk schieten! Verschillende banden worden verschoten en wel speciaal door de toppen van de boomen.
De Luitenant Folmer kruipt nu met een Sergeant en een Soldaat naar voren, een aantal meters slechts. Echter heb ik dit persoonlijk niet gezien! Hier wordt hij door een schot in de borst getroffen, hetwelk het lichaam in de rug weer verlaat. De Luitenant wordt daarop in de loopgraaf gebracht en hier in een onderkomen. Het sneuvelen op zich zelf dus, heb ik niet gezien, echter het brengen naar de loopgraaf wel! De Luitenant wordt zoo goed mogelijk verbonden en zoo gemakkelijk mogelijk in het onderkomen neergelegd. Hij heeft echter veel bloedverlies, zoodat hij na eenige tijd geen teekenen van leven meer geeft.
Ten stelligste echter moet ik hier opkomen tegen de mededeeling, als vervat in Uw schrijven, dat de sectie reeds gevlucht zou zijn. Dit is absoluut onjuist en geheel bezijden de waarheid! Ik moge U hier speciaal op wijzen!
Er is geen hospitaalsoldaat te zien noch een officier of iets waar we verband mee kunnen houden. Er is absoluut geen leiding, ook van andere deelen van het leger niet!
Veel granaatvuur en schoten uit repeteergeweren of mitrailleurs.
Inmiddels is het donker geworden. Vele lichtkogels worden ook reeds achter ons afgeschoten. Ik wacht op nadere orders van een Kapitein van een tirailleurssectie. Van deze kan ik niet veel wijs worden. Eene keer een order voor vuurpauze van een half uur, dan zware mitrailleurs optrekken en nota bene tirailleurs er achter aan. Waarheen optrekken, hoe ver, welke richting? Er is niets van te begrijpen. We zitten in de loopgraaf, met de wapens over de borstwering, af te wachten. Dan hooren we iets. Er komen talloze soldaten aanstormen. Wie en wat het zijn, weten we niet, doch het zijn Hollanders. Ze springen zelfs van boven in de loopgraaf en zijn zeer nerveus. Ook zijn er meerdere officieren bij. Het aantal is niet te schatten, doch ze vluchten allen. Onder het vluchten, terwijl zij langs ons loopen, zeggen ze: "De Duitschers zitten al in de loopgraven hier en zeggen: niet schieten, we zijn van het 't elfde". Zooals te begrijpen, ontstaat er een paniek in dit gedeelte van het front. Allen hollen mede en wij moeten, of wij willen of niet. Stukken onklaar gemaakt. We moeten nu een goed heenkomen zoeken, hetgeen door de duisternis en het onbekende terrein zeer moeilijk is. We gaan samen. Bij een keuken even halt houden. Direct was het mijn bedoeling om achter de spoorlijn in Rhenen te komen, zoodat we ons bij onze eigen Compagnie konden melden. In het nachtelijk duister echter (bij de keuken) verliezen wij elkaar en blijf ik alleen met nog enkele manschappen over. Achter het Dierenpark kom ik terecht in een opstelling van een tirailleurssectie. Hier blijf ik tot de ochtend. Echter is hier ook al een paniek en zijn er reeds velen die vluchten. Ik houd ze allemaal zoo goed mogelijk bij elkaar. Bij het dag worden gaan we verder om te probeeren bij de Compagnie te komen. Door granaatvuur en gedeeltelijk vuur van voor ons liggende troepen, trekken we langzaam terug. Eindelijk kom ik terecht bij de opstelling van, of liever gezegd de commandopost van 8 R.I. Een groote troep vluchtenden komt hier aan, ook een eerste Luitenant van de Jagers enz. enz. Door Commandant 8 R.I. worden we "op pad" gestuurd, onder commando van genoemde eerste Luitenant. Volgens de Overste en enkele toegevoegde sergeanten, waren er nog heelemaal geen Duitschers in het terrein. Een zeer simpel verhaaltje voor ons. We zijn met deze troep een paar honderd meter het bosch en het struikgewas nog niet in, of er breekt een moorddadig vuur op ons los. We kunnen niets zien en kruipen zoo goed en zoo kwaad als het kan terug en gaan weer met de troep naar de stelling terug. Nog steeds zijn er volgens hun geen vijandelijke troepen in de buurt, alhoewel er geen verbinding meer is met hoogere legeronderdeelen en ook de waterleiding onklaar is. Dan bezetten we de geheele stelling met de daar aanwezige soldaten. De Overste treedt zeer streng op, hetgeen het misnoegen van vele soldaten opwekt. Er is veel vuur van onze eigen troepen, van achter de spoorlijn in Rhenen, zoodat een der aanwezige Vaandrigs van de Overste order krijgt om de eigen troepen, door teekenen, zooveel mogelijk te bewegen niet op ons te schieten.
Af en toe worden patrouilles uitgezonden. Later vernemen wij niet veel meer van schieten of granaatvuur. Zooals wij later vernamen, waren de vijandelijke troepen reeds langs Rhenen gepasseerd.
Op de avond van de capitulatie worden de aanwezigen verzameld. Het is de bedoeling om nu de stelling te verlaten en probeeren om ons bij onze eigen troepen te voegen. (We waren niet bekend met het feit dat het Nederlandsche Leger inmiddels gecapituleerd had). Toen het donker was verlieten de manschappen en officieren dan ook de stelling, met medeneming van de wapenen. Steeds dekken nu en vooruit gaan, dan de weg Wageningen-Rhenen kruisen (er rijden hier vele auto's), langs een trein en zoo naar beneden naar de Rijnkant. De spoorbrug was natuurlijk opgeblazen. Enkelen zouden probeeren om de Rijn over te zwemmen en bij de Burgemeester van Kesteren booten te halen om ons over te zetten. Echter kwamen deze niet terug, omdat ze natuurlijk gehoord hadden dat er gecapituleerd was. Toen iets terug en richtten wij ons in een daar staande kalkzandsteenfabriek in. Posten werden uitgezet. We hooren onophoudelijk rijden van auto's over de groote weg Rhenen-Wageningen.
Inmiddels is het Woensdag geworden. Probeeren een vlot te maken, doch het lukt niet. Wordt nog even geschoten door patrouilles. Later bemerkten we dat er nog een Hollander sneuvelde ook [Soldaat L. Cornelisse van Staf 8 R.I.].
In de loop van den morgen wordt er door een patrouille een militair binnen gebracht, of liever één in burgerkleeding, welke mededeelde dat er gecapituleerd was. We wilden en konden het niet gelooven, omdat: "Er zal gevochten worden tot het bittere einde en we geven ons niet over", altijd aan ons medegedeeld was. Deze man wordt onder bewaking gesteld. Later, om ongeveer 11 uur een tweede burger en eindelijk 's middags 3 heeren van de Nederlandsche Buurtspoorwegmaatschappij, welke ons allen hetzelfde verhaal deden over de capitulatie. Toen moesten we het gelooven. Deze heeren wilden samen met ons naar Rhenen marcheeren, hetgeen dan ook gedaan werd. Wapenen werden afgelegd in de fabriek en in colonne naar Rhenen, de witte vlag voorop. Dit is voor ons voorloopig het einde van de oorlog!
|
