Verklaring van dienstplichtig sergeant R. Visser
Verklaring van den dienstplichtig sergeant R. VISSER van 1-IV Bataljon Pag., afgelegd in de vergadering der Commissie Militaire Onderscheidingen d.d. 12 Mei 1947.
Ik was toegevoegd aan de compagnie Pag. van Kapitein HÖPINK. Op 12 Mei 1940 ben ik met den Kapitein gegaan naar de commandopost van Majoor LANDZAAT in de villa van Ouwehand. Onderweg werden wij tegengehouden door Marechaussee, die ons mededeelde, dat het verdergaan te gevaarlijk was. Wij zijn echter (de Kapitein en ik hadden ieder een motor) toch doorgereden. De Kapitein heeft nog tegen de Marechaussee gezegd dat ook zij verder moesten gaan.
Wij zijn later de commandopost van Majoor LANDZAAT weer uitgekomen om terug te gaan naar Rhenen, doch aangezien er hevig gevuurd werd, besloten wij te wachten tot schemer. Toen het donker begon te worden wilden wij weg, maar toen lag er weer hevig vuur. Wij hebben daarom overnacht in de kelder van de villa.

Bij de villa staat een garage. Deze is vanonderen van steen en verder van beton opgetrokken. De garage heeft één bovenverdieping met een houten vloer. Beneden en in de eerste verdieping zaten ruitjes van matglas in het beton. Vanuit de villa zijn wij met ongeveer zes man in deze garage gegaan. Ik heb mij aanvankelijk opgesteld op de eerste verdieping bij de trap. Op een gegeven moment werd er geroepen: "Pas op, vijand links onder". Wij keken in Zuidelijke richting en zagen dat tusschen het kantoor en het magazijn van het Dierenpark aan een droge sloot een stuk 3,7 in stelling werd gebracht. Er was vijf man bediening bij, die nog niet achter het stuk zaten. Aan de Oost-kant van de garage waren drie ramen. Achter ieder raam konden twee man plaats nemen. Wij hebben de ruiten stukgeslagen. Een mij onbekende Luitenant wees ons ieder een vijandelijken militair aan, die wij voor onze rekening moesten nemen. Wij hebben gevuurd en de bediening van het stuk 3,7 neergeschoten. Het stuk is blijven staan. Het kanon heeft niet op ons gevuurd.
Daarna zag ik kijkende in Zuidelijke richting vanuit de garage ook soldaten in een loopgraaf, welke loopt van Hotel "Grebbeberg" naar het Paviljoen. Op een gegeven moment kwam een handgranaat door de openstaande deur van de garage. Onderin de garage lag stroo, hetwelk in brand vloog. In overleg met den Luitenant werd besloten om naar de villa terug te gaan. Al schietende zijn wij in Zuidelijke richting uit de garage gegaan en kwamen bij de keukendeur van de villa.
Het stroo lag iets van de trap af, wij konden langs het vuur. Ik ben in de villa naar boven gegaan; daar waren reeds soldaten op de eerste verdieping en een paar op zolder. De villa had één verdieping en een zolder. Ik heb later gelijkvloers gezeten in de serre aan de Zuidzijde, gedekt achter een divan. Aan de Oostzijde was een uitgebouwde erker, waarin ook soldaten zaten. Daarna ben ik nog weer boven geweest. Een sergeant, die ik op de gang tegenkwam, ging met mij mee naar de eerste verdieping. Ik heb op de eerste verdieping gezeten in een kamer aan de Oostzijde; de sergeant zat aan de Zuidzijde. In deze kamer kwam de Luitenant VAN DER KUIP van 1-IV Bataljon Pag. bij mij. Ik heb met een periscoop-geweer geschoten op vijand aan de Oostzijde van de villa bij eenige huisjes.
Daarna ben ik weer naar beneden gegaan, terwijl de Luitenant VAN DER KUIP en de sergeant boven bleven. Ik heb mij naar de keuken begeven, alwaar ik mij nog heb gewasschen. Wij kregen vuur uit Westelijke richting; ik vermoed van eigen mitrailleurs want wij hadden in Westelijke richting nog geen vijand gezien. Verschillende militairen kwamen binnen uit Noordelijke richting, o.a. een kleine dikke Kapitein. Zij hadden geen munitie bij zich en wij hadden ook zoo goed als niets meer. De Kapitein wilde uitbreken naar den Rijn en vervolgens terug naar het Westen. Anderen merkten evenwel op, dat de spoorbrug over den Rijn bij Rhenen reeds in vijandelijke handen zou zijn. Bovendien waren er soldaten, die zeiden, dat het viaduct opgeblazen was. Een aantal militairen is Noord om het huis in Westelijke richting gegaan. Ik ben gebleven.
Rondom ons aan de Oost- en Zuidzijde werd hevig gevuurd, terwijl bovendien het mitrailleurvuur uit Westelijke richting aanhield. Plotseling werd er op de voordeur gebonsd. Wij hadden toen zoo goed als geen munitie meer. De Duitschers kwamen door de voor- en achteringang binnen. Ik zat op dat moment in de keuken in de Noordwesthoek van de villa. De Duitschers, die achter door de keukendeur kwamen, zag ik het eerst. Ik wilde vanuit de keuken naar het Oosten de trap op. In de gang riepen de Duitschers, die door de voordeur gekomen waren: "Heraus Schweinehunden". Ik wilde ontsnappen naar boven, doch de Duitschers trokken mij naar beneden. Ik verzette mij doch werd naar buiten gesmeten. Aan de Oostzijde van het huis kwam ik op den grond terecht.
Ik moest mij evenals de anderen opstellen bij de garage aan de Zuidzijde. De Duitschers stelden twee (het kan ook vier zijn) mitrailleurs op, die op ons gericht werden. Er kwam een Duitsch officier uit Westelijke richting, die tegen de militairen bij de mitrailleurs wenkte. Sommigen van hen gingen weg, anderen bleven. Eén Nederlandsche sergeant is weer in de villa gevlucht, doch werd er uit gehaald, kwam met een burgerhoed op naar buiten en werd tegen een boom links van het huis geplaatst en doodgeschoten.
Wij werden verzameld op den grooten weg bij de barak van 16 M.C. en gefouilleerd. Vandaar werden wij den berg afgevoerd. Ik zag op den weg bij de groote ingang van het Dierenpark een onafzienbare rij van Duitsche huifkarren, bespannen met paarden en geladen met stroo. Het waren misschien wel honderd wagens. Onder geleide zijn wij den berg afgemarcheerd. Van den Cuneraweg kwamen Duitsche soldaten, die in de richting Rhenen gingen. Aan de Zuidkant van den weg was ergens een Duitsche Roode-Kruispost [vermoedelijk boerderij Noda in de Nude]. Hier moesten de hospitaalsoldaten de colonne verlaten. Wij werden naar Hotel "Wageningsche Berg" gevoerd, aldaar op vrachtauto's geladen en naar Arnhem gebracht.
's-Gravenhage, 12 Mei 1947.
(get.) R. Visser.
|
