Verklaring van dienstplichtig soldaat C.J.M. Leenaars

Verklaring afgelegd door LEENAARS, C.J.M., geboren 7 November
1919, dienstplichtig soldaat, in 1940 ingedeeld bij de
Verbindingsafdeling-I-8 R.I., van beroep journalist, wonende
Park Gemeentehuis, E 47e, te Huissen (Gelderland), in de 435e
Vergadering der Commissie Militaire Onderscheidingen
d.d. 5 Maart 1951.
-----

Ik was in September 1939 opgekomen. De eerste opleiding heb ik in Laren, in de barakken, gekregen. Ons werd toen morseseinen, met een seinsleutel, geleerd. Maar practische lessen met telefoontoestellen kregen we niet. Op de Grebbeberg kregen we op een zeker ogenblik een bericht in code gebracht, een wachtwoord, dat moest worden ontcijferd; maar dit hadden wij niet geleerd. Gedurende de oorlogsdagen heb ik hoofdzakelijk de telefoon bediend en is LENTJES in hoofdzaak weg geweest om allerlei vuile werkjes op te knappen. Hij is ook munitie gaan halen, wat hij met een kruiwagen gedaan heeft. Er lagen hier nog overal kruiwagens die voor het aanbrengen van de loopgraven waren gebruikt.
Ik was die eerste dag behoorlijk bang. Ik ben pas dapperder geworden toen ik bij Majoor LANDZAAT was. Die halve kruik genever heeft mij inderdaad ook meer moed verschaft. Het vreemde was dat ik voordien nooit sterke drank gebruikte, en nu toch helemaal niet beneveld geraakte, maar veel rustiger werd.
Toen LENTJES de munitie had gehaald en bij Kapitein MAAS had afgeleverd kwam hij weer bij mij terug. Hij was toen bepaald geen cent meer waard. Hij kan er inderdaad wel twee uur over hebben gedaan.
De telefoon heeft wel gewerkt, maar wij hebben toch practisch na de 2e dag geen verbinding meer gekregen. Het kan zijn dat andere verbindingen beter hebben gewerkt doordat ze minder onder granaatvuur hebben gelegen. LENTJES heeft wel geregeld de lijnen zoveel mogelijk hersteld en dan ging het weer even goed, maar daarna waren er weer uren dat er geen verbinding was. De lijnen hingen op ons gedeelte door de struiken of op de grond, niet in sleuven. Wij lagen ongeveer een halve kilometer voor het paviljoen, aan de weg van het Ouwehands Dierenpark, die evenwijdig aan de Utrechtse weg loopt. De stoplijn was ongeveer 150 meter van mij af. Van de gevechten daar heb ik niets gemerkt. Ik heb LENTJES niet altijd op de voet gevolgd.
De telefooncentrale was in het Paviljoen in de kelder, maar in het begin van de oorlog was ik daar niet: toen was ik bij de compagnie van Kapitein MAAS. Wij zaten in een onderkomen omdat wij telefonisten waren. Telefonisch contact met de andere troepen bestond er echter vrijwel niet. Doordat LENTJES moeilijk kon telefoneren heb ik vrijwel gedurende de gehele tijd dat wij daar waren in dat hok gezeten. Wij zijn niet met ons eetketeltje weg geweest om eten te halen. Of Kapitein MAAS in de oorlogsdagen ook niet heeft gegeten, zou ik niet kunnen zeggen. Waar Kapitein MAAS altijd te bereiken was in de Grebbe, weet ik niet. Ik heb hem wel dikwijls bij mij, in de loopgraaf, gezien. Hij kwam altijd zelf naar ons toe, stuurde geen ordonnans. Eens toen hij zo bij mij was, schijnt zijn revolver uit zijn tas te zijn gegleden. Hij merkte dit pas toen de gevechten begonnen. Bij ons in het stro vonden we toen de revolver.
Met Majoor LANDZAAT had ik wel voortdurend verbinding. Oorspronkelijk had hij zijn commandopost in de schuilkelder bij de villa Ouwehand.
De nacht van 12 op 13 Mei hebben LENTJES en ik doorgebracht in de kelder van de villa Ouwehand. Er was toen in de hele omgeving van onze telefoonpost niemand meer te bekennen. Wij hadden gehoord dat de Majoor nu in het Paviljoen zat en wij gingen daar de volgende ochtend ook heen. Onderweg kregen we mitrailleurvuur. We hebben hard gelopen en daartussendoor steeds dekking op de grond gezocht. We zijn vrijwillig naar het Paviljoen gegaan. Behalve wij tweeën waren er nog meer. Wij wilden naar de Majoor omdat wij een groot vertrouwen in hem hadden. Wij hadden inderdaad ook verder terug kunnen gaan, maar wij wilden dit niet losgeslagen doen.
Buiten de veranda van het Paviljoen stond een café-tafeltje, waarop een lichte mitrailleur stond. In het begin van de strijd heeft Majoor LANDZAAT onbeschermd achter de mitrailleur gestaan, naar ik meen om een ander te leren de mitrailleur te bedienen. Hij heeft de mitrailleur later overgegeven aan een ander en is binnen gekomen in de serre. Ik heb even boven gezeten; het laatst van de strijd was ik in de keuken, toen de moffen aan de andere kant van het paviljoen zaten. Ik geloof dat we met ongeveer 18 man daar waren. Toen ik in het paviljoen kwam zag ik een kapitein met een doorschoten linkerhand. Ik zie nog een sergeant op de bril van de W.C. staan, die door het raampje vuurde, terwijl ook nog een tamboer met zijn revolver door dit raampje vuurde.
Ik weet niet meer of de Majoor gezegd heeft: "De Grebbe is winnen of sterven!" Toen wij in het Paviljoen waren heeft hij wel gezegd: "Als je het lef in je donder hebt om te pleiten, schiet ik je kapot!" En later heeft hij gezegd: "Het is voorbij. Zoeken jullie maar een goed heenkomen!" Maar hij bleef toen in het Paviljoen.
Ik weet niet of LENTJES later nog buiten is gaan liggen. Hoelang ik zelf heb gevuurd weet ik niet. Ik had wel voldoende munitie voor mij liggen. Totdat de nevel kwam kon ik de doelen goed zien. Toen de moffen door de nevel aankwamen hebben wij een salvo afgegeven, in een bepaalde richting, hoewel wij niets zagen. Iemand van ons commandeerde: "Ja!". In de nevel zag ik wel de helmen van de Duitsers schitteren, en op bepaalde plaatsen staken ze boven de nevel uit. Ik heb de Duitsers ook bezig gezien prikkeldraad door te knippen.
Ik meen dat wij later ook met een kanon werden beschoten. Op het laatst kwam, naar ik mij meen te herinneren, een gedeelte van het plafond naar beneden. Toen wij weggingen begonnen zij de zaak in elkaar te schieten. Toen ik wegging brandde het paviljoen nog niet.
Het was niet moeilijk om de doelen te zoeken. De Duitsers kwamen kruipend aanzetten en wij konden ze goed zien. Er zijn er velen van hen gesneuveld; onze weerstand is inderdaad niet voor niets geweest.
Toen wij weggingen heeft de Majoor nog zoiets gezegd als: "Jullie zijn bedankt. Zorg maar dat je een goed heenkomen zoekt." Zelf bleef hij echter achter.
Wij wilden naar het Hotel De Grebbeberg om een volgende slag te leveren. Wij waren toen nog door het dolle heen. De vermoeidheid is pas gekomen in het onderkomen. Toen zakte het hele stel in elkaar en barstte in huilen uit. Toen wij er in zaten kwam er een binnen die zeide: "Wij vechten door tot de laatste man, want wij zijn toch verloren!" Toen hoorden wij ook de moffen boven ons lopen; we hoorden hen spreken. Dit had een geweldige uitwerking op ons. Wij hadden geen handgranaten bij ons. Mogelijk hadden er enkelen nog een paar patronen. Wij hadden wel geweren bij ons. Of ik nog patronen had, weet ik niet. Toen de Duitsers mij later fouilleerden, had ik er in elk geval geen meer. Ik geloof dat wij daar door het oog van een naald zijn gekropen. De Duitsers die ons gevangen namen hadden ook deelgenomen aan de strijd bij het paviljoen. Ik voor mij geloof dat ze van plan waren ons af te maken, omdat ze zulke zware verliezen hadden geleden. Na onze gevangenneming moesten wij tegen een muur gaan staan en de moffen zeiden dat ze wel even met ons zouden afrekenen. Een van de jongens bij ons riep toen hard: "Heil Hitler!", waarop de moffen smaalden: "Ja, nun rufen sie Heil Hitler!" Ik had de indruk dat ze zich graag met ons bemoeiden, dan waren ze tenminste niet in het gevecht. Kort hierop kwam er een auto aan met Duitse officieren, die hen een teken gaven dat ze weer verder moesten.
Ik ben LENTJES kwijt geweest vanaf het ogenblik van gevangennemen tot aan Wageningen. Ik kreeg na onze gevangenneming opdracht om met een gewonde Hollander op een kruiwagen naar Wageningen te gaan. Deze soldaat is onderweg overleden.
LENTJES is buitengewoon dapper geweest.
Toen wij het paviljoen instormden - wij waren blij veilig ergens binnen te zijn - heeft naar ik meen een kapitein gezegd: "Jij daar naar toe en jij daarheen!" Ik meen toen de Majoor ook direct te hebben gezien.

's-Gravenhage, 5 Maart 1951.
(get.) C.J.M. Leenaars.

Opgenomen: Si

Download brondocument in PDF-formaat Brondocument
(PDF, 2.32 MB)