Schrijven van reserve-kapitein T. Dales
VOORMALIG REGELINGSBUREAU
V E L D L E G E R.
Afdeling I C.
------
Nr. 1099.
Onderwerp:
Voordracht onderscheidingen.
---
's-Gravenhage, 30 November 1940.
Willem Lodewijklaan 1.
In verband met Uw voordracht onderscheidingen van 23 October, waarin gemeld zijn
sergeant Hulshof
sergeant Rombouts
soldaat Leerink
soldaat van Kesteren
soldaat Roefs
deel ik U mede:
- omtrent sergeant Hulshof en soldaat Roefs heb ik nog geen getuigenverklaring kunnen verkrijgen, welke onmisbaar zijn voor de toekenning;
- de soldaat van Kesteren is niet bij het paviljoen geweest; hij is gevangen genomen met sergeant Hazewinkel, zooals reeds bleek uit Uw brief van 23 september.
Het zal mij aangenaam zijn, indien U mij een door U onderteekende verklaring wilt doen toekomen, waaruit blijkt, waarin de sergeant Rombouts en de soldaten Leerink en Roefs hebben doen blijken voor eene onderscheiding in aanmerking te komen. Vanzelfsprekend dient daarin slechts te worden vermeld, wat U zelf heeft waargenomen, terwijl omtrent Roefs tevens daarin ware op te nemen, wat Majoor Landzaat omtrent hem heeft gezegd. U gaf op, dat Roefs was van 3-III-19 R.I. Hoe kwam deze dan bij het paviljoen? Moet dat niet zijn 1-II-19 R.I. (kapitein Alewijk).
Indien het U mogelijk is, omtrent sergeant Hulshof een getuigenverklaring over te leggen, dan stel ik daar prijs op.
Voorts verneem ik gaarne, of U er iets van bekend is, dat de sergeant Schippers bij het paviljoen is gesneuveld.
Ten slotte is het voor een juiste beoordeeling zeer gewenscht, indien U zich erover wilt uitspreken of de kapitein Höpink naar Uw oordeel in aanmerking komt voor eene onderscheiding, waarbij ik er de aandacht op vestig, dat onderscheidingen zooals de M.W.O. en de E.V. slechts worden toegekend, wanneer men meer dan zijn plicht heeft gedaan.
Omtrent de krijgsverrichtingen nog het volgende:
- De luitenant v.d. Grijp heeft medegedeeld, dat hij zijn sectie heeft doen terugtrekken, nadat sergeant Hagelaars van U bericht had ontvangen dat de Sectie mocht terugtrekken.
Is dit juist? - Kunt U mij nog mededeelen hoe de bezetting was van de koepels 5, 6 en 7 (sectie sergeant van Meeteren) en door wien bezet was het loopgravencomplexje bij de zandafgraving tusschen 6 en 7?
Hoe is het juiste verloop van zaken geweest bij de verdediging van deze koepels?
Kon uit koepel 7 op de Grebbesluis worden gevuurd, vóórdat er bommen voor terecht kwamen?
Waarom is het zicht uit koepel 5 niet zoodanig vrij gemaakt, dat op den Sluis kon worden geschoten. Zijn er nog manschappen van deze koepels gevangen genomen, of zijn allen teruggetrokken?
De Luitenant-Kolonel van den Generalen Staf,
V.E. Nierstrasz.
Aan
Reserve-kapitein F. Dales
Breitnerstraat 68
te
A r n h e m.
= = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = =
Arnhem, 18 December 1940
(verzonden 22 December)
Onderwerp:
Beantwoording schrijven Nr. 1099
d.d. 30 November 1940 van het
Voormalig Regelingsbureau Veldleger.
In antwoord op bovenvermeld schrijven bericht ik U Hoogedelgestrenge het volgende, waarbij ik mij houd aan de volgorde van Uw schrijven:
-
Wat sergeant Hulshof betreft: van dezen heb ik alleen het adres opgegeven, omdat U mij zulks vroeg naar aanleiding van het onderhoud, dat ik destijds met U persoonlijk mocht hebben. Dit was, omdat zooals ik U mededeelde, Hulshof mij destijds vertelde, dat hij uit koepel 7 (waarvan hij stukscommandant was), gevlucht zou zijn naar koepel 3a, waar hij tot Dinsdag na Pinksteren zou zijn gebleven.
Mijn bedoeling is niet geweest, hem voor te dragen voor een onderscheiding, omdat ik, behalve van hemzelf, daaromtrent geen nadere gegevens heb.
Van soldaat Roefs zult U wel geen verdere getuigenverklaring kunnen krijgen, omdat van zijn gedrag alleen de Majoor Landzaat en ik getuigen waren; er waren namelijk voorin het Paviljoen, waar het gebeurde en waar het gevaarlijkste punt was, op dat oogenblik geen anderen, althans ik kan mij zulks niet herinneren. -
Inderdaad is ook mij gebleken, dat ik mij in den persoon van Van Kesteren vergist moet hebben, aangezien hij niet op het Paviljoen is geweest.
Een getuigenverklaring over het gedrag van den sergeant Rombouts en de soldaten Leerink en Roefs gaat hierbij. Roefs behoorde niet tot 3-III-19 R.I. maar tot 3-III-8 R.I. Deze compagnie van III-8 R.I. was tot versterking van I-8 R.I. opgesteld in de stoplijn. Commandant was 1e luitenant Hoorn, Maasstraat 12, te Dordrecht, tot vlak voor den oorlog, toen hij werd opgevolgd door kapitein Maas, Helmerslaan te Eindhoven.
Het is mij niet mogelijk omtrent sergeant Hulshof een getuigenverklaring over te leggen. Wat ik U vertelde heb ik van hemzelf; manschappen van zijn stuk heb ik niet gesproken.
Van het sneuvelen van een sergeant Schippers bij het Paviljoen is mij niets bekend. Overigens kom ik daarop terug bij de beantwoording van Uw brief van 3 December.Tenslotte wat betreft den kapitein Höpink: het al dan niet in aanmerking komen voor een onderscheiding, laat ik aan de daartoe ingestelde Commissie over.
Hieronder laat ik slechts volgen, wat ik heb waargenomen, tijdens het gevecht in het Paviljoen, waarbij onderstaande schets (schematisch) wellicht nog iets illustreert. De afstand van het Paviljoen tot de kunstweg Rhenen-Wageningen, schat ik op 25 meter pl.m. Dit komt op de teekening niet uit [zie ook het brondocument].
Nadat wij in den vroegen morgen van 2e Pinksterdag eerst wat verkenningen in de omgeving van het Paviljoen hadden gedaan, richtten wij ons onder commando van den Majoor Landzaat aldaar in het Paviljoen ter verdediging in.
De eerste aanval der Duitschers kwam langs den hoofdweg. Wij openden een dusdanig vuur erop dat zij in een wijden boog aan den overkant van den weg in het struikgewas langs ons heen trokken. Het vuur werd hoofdzakelijk afgegeven uit de ramen b en a + c. (Ik spreek alleen over den beganen grond, niet over wat op de 2e verdieping gebeurd is).
Bij a lag een soldaat achter een lichte mitrailleur voor het raam. De Majoor, een paar soldaten en ik schoten door b aanvankelijk, daarna door a (over den mitrailleurschutter heen) toen de Duitschers op onze rechter flank kwamen.
De Kapitein Höpink had post gevat bij c en schoot door dat raam, goed gedekt achter de steenen muur. Toen de eerste aanval langs ons was getrokken, was het betrekkelijk rustig. Echter hadden zij (de Duitschers) blijkbaar wat manschappen om het Paviljoen heen achtergelaten, althans het was in het voorste gedeelte van het Paviljoen, waarin zeer groote ramen (bij b en a), veel grooter dan in het achterste gedeelte, uiterst gevaarlijk. Deze Duitschers schoten regelmatig door het Paviljoen heen, na zich blijkbaar eerst nauwkeurig op de hoogte gesteld te hebben van de plaatsen waar wij zaten. Zoo viel al heel spoedig de man achter de lichte mitrailleur bij a. De Majoor Landzaat, die nog al heen en weer liep en aanmoedigde, zei mij op een gegeven moment ook, dat hij aan zijn dij vermoedelijk, gewond was, maar dat het niets te beteekenen had. Hij bleef ook op de been en ik kon niets aan hem zien. Zelf kreeg ik twee schoten rakelings langs mijn hoofd, die door een bovenraam (!) kwamen en waarschijnlijk vanuit een boom gelost werden (zie teekening).
De soldaat die bij raam a sneuvelde is mij helaas onbekend. Het was een dapper man. Zijn plaats werd ingenomen door Roefs maar de opstelling werd veranderd en was nu bij raam b. Rechts van hem zat de Majoor met z'n karabijn, links ondergeteekende, ook met karabijn. Bij een van de volgende aanvallen sneuvelde Roefs [onjuist, in werkelijkheid liep soldaat A.F. Roefs ("slechts") een lichte kneuzing van de linkervoet op met verbloeding] en kreeg ik, na eerst een schampschot op m'n helm te hebben gehad, een glasscherf in de hand van een kogel, die door de ruit vlak voor mij sloeg en langs mij heen bromde. Mijn verwonding beteekende op zich zelf niets, doch er was blijkbaar een ader of slagader doorgeslagen, althans het bloed spoot wel een decimeter omhoog. Nadat er een paar verbandpakjes omheen gebonden waren en met een touw de pols afgebonden was door één van de soldaten in de kelder, heb ik verder aan den strijd deelgenomen. Na Roefs heeft de Majoor de lichte mitrailleur bediend. Na bovenstaande aanvallen heb ik mij opgesteld bij het cirkeltje met g (zie schets) waar ik althans dekking had achter de houten schuifdeuren en toch om den hoek door raam b kon blijven kijken en zoonoodig vuren. De Majoor bleef in het voorpaviljoen, stond daar of liep rechtop heen en weer. Dat hij niet getroffen werd op dat moment is mij onbegrijpelijk. Ten slotte werd het mij te veel en zei ik tegen hem: "Majoor, dekt U zich toch. Het is toch niet noodig, dat U zich zoo maar laat neerschieten!". Daarop is hij inderdaad gaan liggen.
Wat nu betreft den Kapitein Höpink: alles wat ik daarvan zeggen kan is, dat hij gedurende de gevechten in het Paviljoen achter den muur bij X c heeft gezeten en daar steeds krachtig aan het vuur heeft deelgenomen met een karabijn. Volledigheidshalve meld ik nog dat bij d X de Kapitein Franssen zat, in elkaar gedoken, af en toe met zijn pistool vurend door het raam bij c.
Tenslotte het volgende omtrent de krijgsverrichtingen:
-
Nooit of te nimmer is door mij, aan wien dan ook, bevel gegeven tot terugtrekken. Integendeel heb ik aan Luitenant v.d. Grijp zelfs bevel gegeven te vuren, desnoods op de sectie van Luitenant Niemantsverdriet, waarvan ik bericht kreeg, dat deze ten Zuiden van de Grebbeberg terugtrok. Ik moet mij sterk vergissen, als u dit bevel niet terug zult vinden in mijn bevelscahier, dat zich ten Uwent bevindt. Bovendien heeft de Luitenant v.d. Grijp mij gezegd, dat Kapitein van Rangelrooij gezegd had dat hij terug moest trekken.
-
Koepel 5, Stukscommandant Sergeant Dekker. Later Sectiecommandant, maar bij 5 gebleven; Koepel 6, Stukscommandant Sergeant van Daalen (gesneuveld). Koepel 7, Stukscommandant Sergeant Hulshof. Het loopgravencomplexje bij de zandafgraving was bezet door een sectie luchtdoelmitrailleurs onder een mij onbekende Vaandrig. Naar ik heb hooren zeggen is die sectie heel spoedig weggetrokken na ontdekt te zijn door de Duitsche vliegtuigen.
Het juiste verloop van het gevecht kan ik alleen beoordeelen "vanuit de commandopost." Tot 's Zaterdagsavonds is daar alles zeer goed gegaan. We kregen waardevolle berichten over wat in het voorterrein gebeurde, naar aanleiding waarvan onder andere een keer artillerievuur en mortiervuur is afgegeven.
's Zondagsmorgens is de Sectiecommandant Sergeant van Meeteren op mijn commandopost gekomen, om artillerievuur te vragen op Duitsche batterijen opgesteld op den Wageningsche Berg. Hij was daarbij aan zijn knie gewond door granaatscherven en is verder in de hulpverbandplaats gebleven. Hoe dapper misschien op zichzelf deze tocht ook geweest is naar mijn commandopost, onnoodig vond ik het, zelfs jammer. Immers dat verzoek was reeds herhaalde malen telefonisch bij mij gekomen, doorgegeven aan Majoor Landzaat en die had het verder doorgegeven evenzoovele malen. De laatste maal was zijn verzoek om die bestrijding der Duitsche artillerie zooals ik mij wel herinner, zelfs gegoten in den vorm van een noodkreet! Die tocht van Van Meeteren kon daaraan niets veranderen en de gevolgen bleven niet uit. Op zeker oogenblik werd ik opgebeld door de opvolger Sergeant Dekker, die mij meldde dat de Duitschers vlak bij zijn koepels stonden en of hij niet terug zou trekken. Op mijn verbod daartoe, was de vraag wat hij dan moest doen, waarop ik slechts heb geantwoord "schieten".
Niet lang daarna - voor zoover ik mij kan herinneren 's Zondags namiddags 1e Pinksterdag - kwam Dekker op mijn commandopost. Hij was toch teruggetrokken. Ik heb hem daarop bevel gegeven zich aan te sluiten achter een Bataljon van 24 R.I. (?, het kan ook een ander regiment geweest zijn), dat opgesteld stond op den kunstweg Rhenen-Wageningen om een tegenaanval te doen, en zoodra die tegenaanval gevorderd was tot zijn koepels, de stellingen wederom te betrekken. Die tegenaanval, is zooals U bekend, niet eens gedaan of althans geheel mislukt.
Uit koepel 7 kon op de Grebbesluis gevuurd worden. Uit koepel 5 is het zicht voor den oorlog niet vrijgemaakt, omdat ons verboden was te kappen. Direct na het uitbreken van den oorlog heb ik opdracht gegeven alles te kappen wat noodig was. In hoeverre zulks nog heeft kunnen gebeuren is mij niet bekend. Sergeant van Meteren zal U daaromtrent moeten kunnen inlichten.
Hiermede heb ik naar beste weten Uw brief nr. 1099 beantwoord. Tot mondelinge toelichting ben ik altijd bereid naar den Haag te komen.
De reserve kapitein,
(get.) Dales.
Aan den Hoogedelgestrenge Heer
den Heer Luitenant-Kolonel van den Generalen Staf
V.E. Nierstrasz.
|
|
