Schrijven van reserve-kapitein T. Dales
Arnhem, 5 Januari 1941
Aan den HoogEdelGestrenge Heer
den Heer V.E. Nierstrasz
Luitenant-Kolonel van den Generalen Staf
HoogEdelGestrenge Heer,
Hierbij mijn antwoord op Uw laatste schrijven (ongedateerd):
-
Soldaat Roefs: De naam heb ik uiteraard slechts bij herinnering. Nadat ik uit Duitschland terugkeerde, heb ik voorzichtigheidshalve eerst geïnformeerd bij den Luitenant Hoorn, of die naam bij zijn compagnie voorkwam, 't geen werd bevestigd. Toen heb ik hem verzocht, zich in verbinding te stellen met de familie van Roefs teneinde hen op de hoogte te brengen van 't geen ik gezien heb en ook U mededeelde. Later telefoneerde ik met Hoorn, die zei, aan de administrateur (althans een sergeant) een en ander te hebben doorgegeven, en deze zou zich met familie Roefs in verbinding stellen. Verder heb ik er niets van gehoord. Mogelijk blijft altijd, dat ik me in den naam vergist heb. Van de feiten, zooals ik U die meldde, ben ik zeker. Hoe ik dan juist aan den naam Roefs kom, is mij onverklaarbaar; ik heb voordien dezen naam nooit gehoord.
Misschien zijn U nog andere soldaten van de Compagnie Hoorn bekend, die in 't paviljoen geweest zijn, en kunnen die wellicht opheldering geven?
Ik kom niet in Tiel voor zaken, anders zou ik wel een onderzoek in kunnen stellen; en momenteel ben ik te druk om me daarvoor vrij te maken, later is daar misschien wel eens kans op. -
Sergeant Rombouts: Ik vind het vreemd, dat deze op Uw vraag niet antwoordde. De man is onderwijzer, zooals ik destijds vernomen heb, voor wien dus antwoorden geen bezwaar behoeft te zijn. Indien U het van voldoende belang acht, dat hij antwoordt op Uw vragen, ben ik wel bereid, evenals destijds met Sergeant Dekker is geschied, naar hem toe te gaan.
In mijn verslag aan U van het paviljoen heb ik Rombouts niet genoemd, omdat ik dat in mijn verklaring en voordracht had gemeld. Ik heb hem tijdens een paar warme oogenblikken naast mij gezien, dat was beneden vóór in 't paviljoen. Of hij verder ook boven is geweest, weet ik niet. -
Een nadere omschrijving van wat Leerink deed, kan ik U niet geven. Ik kan mij voorstellen, dat de feiten waarop ik hem voordroeg, niet voldoende zijn. Ik heb dat, zooals ik U destijds reeds mededeelde, ook meer gedaan, omdat ik anderen gezien heb, die zich werkelijk aan het gevecht onttrokken en in den kelder bleven. Het deed je dan goed, als je zag, dat anderen wel actief waren en omdat Leerink van mijn onderdeel was, ik hem dus kende, is me dat bijgebleven. Er waren anderen, die zich ook weerden, maar die ik niet kende. Die kan ik niet voordragen.
-
Sergeant van Meeteren:
U schrijft: "Een ooggetuigeverslag van Luitenant v.d. Grijp vermeldt, dat hij zich als Sectiecommandant - een off. commando [?] - duchtig weerde ondanks hevig artillerievuur en zijn personeel aanvuurde." Ik twijfel niet aan de hoedanigheden van Van Meeteren als Sectiecommandant; hij zal zeker gedaan hebben zooals boven vermeld. Echter is mij niet duidelijk hoe luitenant v.d. Grijp daarvan een ooggetuigeverslag kan geven. Zijn Commandopost was immers ver verwijderd van die van Van Meeteren, of heeft hij dat verslag ontleend aan wat soldaten hem vertelden? Wat betreft het verslag dat Van Meeteren zelf geeft: dit zou ik eerst door getuigen bevestigd willen hebben. Zeer zeker weet ik, dat hij gewond was, toen hij bij mij kwam, zooals ik U in m'n vorige brief schreef. Ik wilde hem toen verbinden op de Commandopost en bood hem een slok cognac (in de schuilkelder van Ouwehand was dat). De Majoor Landzaat vond zulks (namelijk het verbinden) te bezwaarlijk in de Commandopost (inderdaad was het er vol) en daarop heb ik Van Meeteren, nadat hij gezegd had, nog wel te kunnen loopen, met 2 soldaten naar de hulpverbandplaats laten brengen. Nadien heb ik nog wel Dekker, doch niet meer Van Meeteren aan de telefoon gehad. Dekker heeft op mijn vraag daaromtrent, mij gezegd dat Van Meeteren niet meer terug is gekomen, 't geen ik trouwens heel normaal vind, want Van Meeteren had een paar flinke granaatscherven/wonden aan z'n knie.
Dat hij dus terug geweest is en toen door een ontploffende granaat boven op een koepel is geslingerd, betwijfel ik voorloopig. Over wat hij bij kapitein Brittijn heeft gedaan en met Sergeant-majoor-instructeur Pas kan ik niet oordeelen.
Mijn antwoord "schieten" aan Dekker: Inderdaad zou dat met karabijnen moeten gebeurd zijn. Ik geloof in 't algemeen, dat daarvan veel te weinig gebruik is gemaakt. Juist voor vijanden in den rug zijn de karabijnschutters; de Mitrailleur moet doorvuren.
Niet geheel duidelijk is mij, waarom U dit beschouwt als steun voor de waarheid van het feit, dat Van Meeteren nog na zijn bezoek bij mij, op z'n Commandopost is terug geweest. Ik acht het geheel niet onmogelijk, zoo hij na dat bezoek, eventueel na verbonden te zijn, tegen de Duitschers is aangeloopen. Intusschen is het niet mijn bedoeling af te dingen op de verdiensten van Sergeant van Meeteren; ik verklaar gaarne, dat voorzoover ik daarover uit ondervinding kan oordeelen, hij uitstekend z'n plicht heeft gedaan - het gaat mij om de objectieve waarheid. -
Gevecht paviljoen:
De laatste phase in het paviljoen - daarom gaat het hier - verliep als volgt.
Allereerst moge ik opmerken, dat Uw verzoek om een eerlijk antwoord hierop, zooals het een officier betaamt, mij zeer pijnlijk heeft getroffen.
Ik heb namelijk voor den kolonel Lucardie over het gevecht in het paviljoen een uitvoerig verslag uitgebracht en ook aan Mevrouw Landzaat geschreven. Ik neem aan, dat het eerste U bekend is. Anderzijds kan ik me indenken, dat een buitenstaander, die niet zelf alles heeft meegemaakt, sceptisch staat tegenover sommige dingen. Ik moge U echter verzekeren, dat ik "in militaribus" steeds gewend ben als officier mij te gedragen en "in civilibus" - de eerecode moge daar wellicht wat minder streng zijn - als rechtschapen mensch. Ik zal dat ook thans doen:
De laatste aanval der Duitschers was door ons hevig vuur afgeslagen. Er volgde een pauze. Plotseling vlogen enkele projectielen, afkomstig uit een klein stuk geschut, boven onze hoofden, dwars door de muren heen, waarin flinke gaten werden geslagen. De schoten kwamen uit de richting van de Heimersteinschelaan. Ik verzocht Majoor Landzaat de lichte mitrailleur achter het paviljoen in die richting te laten schieten. Hij antwoordde daarop: "Neen, dat kan niet, die moet voor blijven".
(Inderdaad konden we van dien kant aanvallen blijven verwachten bovendien zou het waarschijnlijk weinig gebaat hebben, want zien konden we niets, door het struikgewas). Ik stond even te denken, wat er dan wel gedaan kon worden, doch zag geen uitweg. Toen kwam er een sergeant van Staf I-8 R.I. naar me toe (volgens mij moet het sergeant v.d. Born zijn geweest) en zei: "Kapitein, kunnen we niet vanuit de kelder, door de loopgraaf een uitval doen." Ik antwoordde hem: "Daar hebben we immers geen manschappen voor", waarop hij zei: "Jawel, komt U maar eens mee, in den kelder zijn er nog genoeg". Ik ben daarop met hem mee gegaan. (Ik wil uitdrukkelijk vaststellen, dat er op het oogenblik, dat ik naar beneden ging, vanuit het paviljoen geen enkele Duitscher te zien was, waarop gevuurd kon worden.)
Op het moment dat ik in den kelder kwam, vond ik daar naar schatting een achttal soldaten, waarvan een, genaamd van Hasselt van mijn eigen compagnie, gewond lag. Een ander soldaat, v.d. Heiden (ook van mijn onderdeel) kwam huilend naar mij toe en vroeg of we ons niet over konden geven, want we waren aan alle kanten ingesloten. Ik ben daarop niet ingegaan. De rest van de soldaten maakte op mij den indruk geen moreel meer te hebben. Onmiddellijk daarna hoorden wij boven een groot lawaai. Iedereen wilde er toen graag uit. Uit de loopgraaf kijkend zag ik artillerieprojectielen springen tusschen paviljoen en het Grebbehotel (van Oort). Daarbij vertoonden zich witte wolken op den grond waarvan ik dacht, dat het gas was. (Hieronder daarover nog iets).
Ik heb toen nog gezegd, eerst de gasmaskers opzetten, maar de drang om er uit te komen, was zoo groot geworden, dat de meesten daaraan geen gevolg gaven en uit de kelder vluchtten.
Dit alles speelde zich in een ommezien af. Dat er van een tegenaanval niets terecht zou komen was mij geheel duidelijk. Ik wil eerlijk bekennen, dat ik op dat moment, toen er verschillende soldaten uit de kelder gingen een tweestrijd gevoerd heb: meegaan of terugkeren naar boven. Er daalde toen nog een soldaat (ik meen een van 3-III-8 R.I.) de trappen af, die tot me zei: "De Majoor heeft gezegd dat we ons over moeten geven". Ik wilde dit niet gelooven, maar hij bleef volhouden. Toen heb ik gezegd: "Dan ga ik eerst naar den Majoor". Boven aan de trap gekomen kon ik de deur niet meer openen, doch slechts gedeeltelijk op zij duwen; blijkbaar waren er steenen achter gevallen. Met mijn hoofd om de deur bleef ik staan luisteren, doch hoorde niets meer in het paviljoen. Na nog een poosje geluisterd te hebben, of er wellicht gewonden steunden, ben ik weer naar beneden gegaan. Ik was toen, openhartig bekend, kapot en heb mij in den kelder neer laten vallen, mij afvragend, waar zijn de Majoor en de anderen gebleven? Liggen zij onder het puin, zijn ze eruit? Zooals reeds gezegd speelde een en ander zich bliksemsnel af. De tijd dat ik in den kelder geweest ben, schat ik op 2 à 3 min. Ik heb naderhand van den kapitein Höpink vernomen, dat hij mij naar beneden heeft zien gaan.
Hij zei ook, dat direct daarna het paviljoen begon in te storten en hij toen met de woorden: "Majoor, we moeten eruit" weggerend is. In krijgsgevangenschap te Weinsberg zei hij nog, dat ook de Majoor er levend uit was gekomen.
Dat de Majoor gesneuveld is, alleen, zal niemand meer betreuren dan ik. Toen ik echter naar beneden ging, kon niemand vermoeden dat onmiddellijk daarna vrijwel het paviljoen zou instorten.
In den kelder ben ik geruimen tijd nog gebleven.
De Duitschers rukten op langs het paviljoen, af en toe hoorde ik nog geraas, wat op mij indruk maakte, dat er nog een handgranaat in de puinhoopen gegooid werd voor eventuele Hollanders die daar nog mochten zijn. Toen het stil werd, ben ik nog eens boven aan de trap gaan luisteren of ik soms nog iemand hoorde, doch het bleef stil.
In de hoop, bij duisternis naar achteren te kunnen ontkomen, ben ik weer in de kelder geweest, totdat er Duitschers over den kunstweg kwamen - er waren compagnieskarren bij - die halt hielden. Ze scharrelden om het paviljoen heen en aan één ervan, die in de kelder keek, heb ik mij overgegeven.
Dit moet laat in den middag zijn geweest.
Tot zoover het gevecht in het paviljoen.
Thans nog iets over het gas bovenvermeld. Terwijl ik in den kelder lag, heb ik nog twee keer mijn gasmasker opgezet, omdat ik een reuk waarnam, die mij sterk herinnerde aan het gas uit de gaskameroefeningen. Beide partijen beweren, dat er geen gasprojectielen gebruikt zijn. Waar dat gas dan vandaan is gekomen is mij een raadsel, tenzij het juist is, zooals een artillerie-officier mij verklaarde dat bij het springen van gewone projectielen een gasontwikkeling plaats heeft. -
Tot slot nog Hazewinkel:
Hierbij een door mij gestelde verklaring, die van Kesteren terugzond met, eveneens ingesloten, brief. Dat z.g. "roodborstje" kan wel een sergeant van de reserve Sectie van Kapitein Collette zijn geweest. Kan een getuigenverklaring van Hottinga dienst doen, zoo gelieve U mij zulks te berichten en zal ik die zien te krijgen.
Ik moge van deze gelegenheid gebruik maken, U mijn beste wenschen aan te bieden bij de Jaarswisseling. Tot nadere inlichtingen steeds gaarne bereid.
De reserve kapitein,
(get.) Dales.
|

