Proces-verbaal van nader onderzoek contra C.A. Niemantsverdriet

3e Divisie
M A R E C H A U S S E E.
District ARNHEM.
Detachement Krijgsraad UTRECHT.
-------------------------------
No. 48.

Proces verbaal van nader onderzoek contra
Cornelis, Alexander NIEMANTSVERDRIET,
geboren te VLAARDINGEN 2 Januari 1911,
Chef-Bedrijfsadministratie, wonende te
VLAARDINGEN, Schiedamscheweg no. 115,
verdacht van overtreding van artikel 94
van het Wetboek van Militair Strafrecht,
gepleegd als Reserve 1e Luitenant,
behoorende tot 1 - I - 8 R.I.


Ter voldoening aan de daartoe strekkende opdracht van den Heer Auditeur - Militair bij den Krijgsraad te UTRECHT, heb ik:
Hendrik REINDERS, wachtmeester der Marechaussee, behoorende tot de brigade WAGENINGEN, gedetacheerd bij bovengenoemden Krijgsraad, op den tweeden September 1900 veertig en volgende dagen, een nader onderzoek ingesteld, in de zaak contra den Reserve 1e Luitenant, C.A. NIEMANTSVERDRIET, verdacht van overtreding van artikel 94 van het Wetboek van Militair Strafrecht.
Door mij zijn terzake gehoord:

  1. Dirk, Cornelis de RIDDER
    oud 27 jaar, wonende te WAGENINGEN - Grebbedijk no. 6a.
    (Van dezen is reeds een verklaring in het dossier).
    Hij verklaarde alsnog het navolgende:

    "Ik was tijdens den oorlog Vaandrig, Commandant van de 3e Sectie van 2-I-8 R.I. In mijn verklaring, welke ik reeds aflegde en thans van U te lezen krijg, heb ik alles zoo goed mogelijk weer gegeven. Er staat in vermeld, dat ik eenige doosjes patronen heb gekregen van den Luitenant NIEMANTSVERDRIET; dit zijn geweest 1000 á 1200 patronen.
    In den namiddag van Zaterdag 11 Mei 1940, zaten de Duitschers al op een afstand van ongeveer 200 Meter van onze stellingen verwijderd, in een boomgaard. Er was echter geen schootsveld.
    De stelling van den Luitenant NIEMANTSVERDRIET heeft onder zwaar artillerievuur gelegen.
    Aangezien ik vanuit zijn stelling niet meer hoorde schieten, ben ik er heen gegaan. Toen ik bij hem kwam, was zijn loopgraaf behoorlijk stuk geschoten. Of zijn mitrailleurs buiten werking waren weet ik niet, doch dit is zeer aannemelijk, want er waren vijandelijke treffers (trechters) bij de schietgaten.
    Ik heb tegen den Luitenant NIEMANTSVERDRIET gezegd dat ik, als ik het niet meer houden kon, naar achter zou gaan.
    De witte vlag stond toen nog niet op de stelling van hem.
    Hij verklaarde dat hij uitgesproken was.
    Toen ik weer in mijn stelling kwam hoorde ik van den soldaat TOELEN dat de opdracht luidde: "Staanblijven tot het uiterste".
    Dit bericht hoorde ik omstreeks 12.30 uur in den namiddag van Zondag 12 Mei 1940.
    Nadat ik daarop stelling had genomen, zag ik de witte vlag op de stelling van den Luitenant NIEMANTSVERDRIET.
    Dit was, denk ik, tusschen 12.30 en 13.00 uur op Zondag 12 Mei 1940. Mijns inziens was het zeer begrijpelijk, daar zonder hulp van achter de stelling zijn dienst had gedaan.
    Ik weet niet zeker of het de soldaat TOELEN was, die de witte vlag weg nam."

  2. Franciscus, Johannes van HOUTEN
    oud 24 jaar, kantoorbediende, wonende te OOSTERBEEK - Heveadorp - Middenlaan no. 28, die verklaarde:

    "Tijdens den oorlog was ik dienstplichtig sergeant bij de 3e Sectie van 2-I-8 R.I. Vaandrig DE RIDDER was mijn Sectie-Commandant. Steeds heeft de opdracht gegolden: "Ter plaatse standhouden". Van Zaterdag 11 Mei op Zondag 12 Mei 1940 zaten we onder behoorlijk artillerievuur en ook van dichtbij onder beschieting vanuit het voorterrein.
    In den loop van Zondagmorgen was de toestand tamelijk rustig. Toen ik de witte vlag zag staan op de stelling van den Luitenant NIEMANTSVERDRIET, had er geen erge aanval of beschieting plaats, tenminste, op onze stelling. Wel werd er geregeld bij ons geschoten op vijandelijke patrouilles in het terrein".

  3. Ariën, Antoon, Johan van DRUMPT
    oud 24 jaar, Rijksveldwachter te HILVERSUM, wonende aldaar - Eikbosscheweg no. 240, die verklaarde:

    "Gedurende den oorlog was ik in dienst als Sergeant-Capitulant bij [de] P.A.G. van de Staf van I-8 R.I. Ik lag in stelling aan de Grebbesluis, zijde WAGENINGEN.
    Links van mij bevond zich de stelling van den Vaandrig DE RIDDER en rechts van mij de stelling van den Luitenant NIEMANTSVERDRIET. Deze laatste stelling kon ik maar gedeeltelijk zien.
    Ik meen dat het Zaterdagavond 11 Mei 1940, doch het kan ook Zondag 12 Mei 1940 geweest zijn, toen ik zag dat een ploegje militairen, ongeveer 8 man, uit de stelling kwam van den Luitenant NIEMANTSVERDRIET en de Grebbesluis overging naar achter. Ik kende geen van hen. Er had alstoen geen aanval plaats.
    Ik ben zelf Zondagavond, 12 Mei 1940, omstreeks 20 uur weg gegaan, daar mijn stuk was kapot geschoten.
    Van de stelling van den Vaandrig DE RIDDER heb ik veel steun gehad; van de stelling van den Luitenant NIEMANTSVERDRIET heb ik niet veel gehoord; vandaar is, mijns inziens, weinig geschoten. Ik heb niet gezien dat op de stelling van Luitenant NIEMANTSVERDRIET een witte vlag stond.
    Als aldaar op Zondag, 12 Mei 1940. omstreeks 13 uur, de witte vlag is geheschen, dan is zulks absoluut onnoodig geweest, voor wat betreft vijandelijke aanvallen enz.
    Mijn kazamat met het [stuk] pantserafweergeschut, stond ongeveer gelijk met de voorzijde van de stelling van den Luitenant NIEMANTSVERDRIET".

  4. Johannes, Franciscus, Cornelis TOELEN
    oud 21 jaar, Soldaat bij den Opbouwdienst, 62ste Korps, 3e District, 1e Afdeeling te TIEL, die verklaarde:

    "Tijdens den oorlog diende ik als dienstplichtig soldaat bij 2−I−8 R.I. Op Zondag 12 Mei 1940, ik denk omstreeks 11 uur, bevond ik mij in de stelling van den Vaandrig DE RIDDER bij de Grebbesluis. Alstoen zag ik een witte vlag staan op de stelling van den Luitenant NIEMANTSVERDRIET.
    Ik vroeg aan den Vaandrig DE RIDDER wat dat te beteekenen had, waarop hij antwoordde, dat ze het daar niet meer konden bolwerken.
    Ik zeide: "Hier wel en daar niet?" Ik begaf mij daarop vanuit de stelling van den Vaandrig DE RIDDER, dwars over den weg WAGENINGEN-RHENEN, over prikkeldraad en over de stelling van den Luitenant NIEMANTSVERDRIET in de loopgraaf van deze stelling. Ik haalde de witte vlag weg, zijnde een witte lap op een bajonet.
    Daarop ging ik naar den Luitenant NIEMANTSVERDRIET, die met zijn geheele Sectie in de onderkomens zat. Ik vroeg aan den Luitenant NIEMANTSVERDRIET: "Wat doet U hier?" waarop hij antwoordde: "We kunnen het niet meer uithouden, we hebben ontzettend veel artillerievuur, er is niets anders te doen dan kalm af te wachten wat er komen gaat". Ik zeide: "Ben je nou heelemaal gek, de 3e Sectie vecht en jullie gaan hier in een onderkomen zitten." De Luitenant vroeg: "Wat moet er dan gebeuren?", waarop ik antwoordde: "In de loopgraven".
    Daarna ging ik weer naar de stelling van den Vaandrig DE RIDDER en even later over de Grebbesluis naar den Kapitein COLETTE.
    Het artillerievuur was wel hevig; doch zoo goed als ik tijdens dit artillerievuur van de stelling van den Vaandrig DE RIDDER naar de stelling van den Luitenant NIEMANTSVERDRIET ben gegaan en terug gekeerd, alsmede over de Sluis naar den Kapitein COLETTE, hadden zij (Luitenant NIEMANTSVERDRIET en zijn Sectie) hun plicht kunnen doen en in de loopgraaf blijven. Hun loopgraaf was zoo goed als geheel intact. De witte vlag (lap) heb ik weg gegooid".

  5. Gerrit, Jan van RANGELROOIJ
    oud 45 jaar, Onderwijzer, wonende te ROTTERDAM Schiedamscheweg no. 275 b. die verklaarde:

    "Tijdens den oorlog was ik Reserve Kapitein, Commandant van 1−I−8 R.I. De Reserve Luitenant NIEMANTSVERDRIET was Commandant van de 1e Sectie en een ploeg van de 2e Sectie. Zijn stelling was gevaarlijk, doch zeer belangrijk.
    De opdracht was: "STANDHOUDEN" en de Majoor LANDZAAT heeft daarbij aangezegd: "Tot den laatsten man en de laatste patroon".
    Deze opdracht zal ik zeker hebben doorgegeven aan de Sectie - Commandanten; of zulks mondeling of schriftelijk is geschied, weet ik niet, ik denk per ordonnans.
    Het feit van de overgave door den Luitenant NIEMANTSVERDRIET kan ik niet beoordeelen. Mijns inziens had hij mijn advies moeten vragen en mij op de hoogte moeten stellen van de toestand bij hem, hoewel de verbinding buitengewoon slecht was".

Verdachte

Als verdachte gehoord, waarbij hem is aangezegd dat hij als zoodanig gehoord werd:

Cornelis, Alexander NIEMANTSVERDRIET
geboren te VLAARDINGEN - 2 Januari 1911, Chef - Bedrijfsadministratie,
wonende te VLAARDINGEN - Schiedamscheweg no. 115.

Hij verklaarde terzake als volgt:

"De verklaring door mij afgelegd en welke U mij toont (zie bijlage A, van het dossier) is juist."

Voorts verklaar ik nog:

"Op den 1sten of 2den oorlogsdag kreeg ik mondeling van mijn Compagnies-Commandant, Kapitein RANGELROOIJ, een opdracht met de strekking: "STANDHOUDEN". De juiste bewoording weet ik niet meer.
Toen ik in den morgen van Zondag 12 Mei 1940, omstreeks 10 á 11 uur, een groep van mijn Sectie weg zond om te kijken of wij ons ergens anders nuttiger konden maken, was het de bedoeling om met de geheele Sectie, groepsgewijze, naar den Kapitein te gaan, die achter de Grebbesluis zat. Door het hevige artillerievuur is zulks niet door gegaan.
Wel zijn er enkelen van mijn Sectie weg gekomen.
Het artillerievuur was zóó hevig, dat naar onze meening de stelling geheel stuk geschoten zou worden met de onderkomens; tengevolge daarvan het sneuvelen van mijn geheele Sectie, waardoor ná het artillerievuur aan een stormloop geen weerstand geboden zou kunnen worden.
Om deze reden heb ik aan een soldaat (wie, weet ik niet) opdracht gegeven een witte vlag op de stelling te zetten, teneinde het artillerievuur te doen ophouden. Zulks geschiedde ook kort daarna.
Ik zat met de meeste manschappen van mijn Sectie in de legerings - schuilplaats, tijdens het artillerievuur. Alstoen kwam de soldaat TOELEN bij mij en zeide dat hij de witte vlag had weg gehaald.
Na het hijschen van de witte vlag heb ik een paar uur gewacht; toen kwamen de Duitschers en haalden ons uit de onderkomens. Voor zover ik weet is vanuit onze stelling in dien tijd niet geschoten".

Op de vraag of zijn handelingen niet in strijd waren met de opdracht "STANDHOUDEN", verklaarde hij verder:

"Mijns inziens strekte de opdracht niet zoover dat wij ons noodeloos moesten laten doodschieten.
Dat is de reden geweest waarom ik mij niet aan de opdracht "Standhouden" heb gehouden.
Een aanval van Duitsche Infanterie heb ik niet gehad".

Een geboorte - extract betreffende den verdachte is aangevraagd. Waarvan door mij, wachtmeester, is opgemaakt dit proces-verbaal op den eed bij den aanvang mijner bediening afgelegd, om te worden gezonden aan den Heer Auditeur-Militair bij den Krijgsraad te UTRECHT.

Gesloten te UTRECHT, 9 September 1940.

(get.) Reinders.

Download brondocument in PDF-formaat Brondocument
(PDF, 2.25 MB)