Schrijven van dienstplichtig sergeant A. Dekker
afschrift.
Nijmegen, 16 October 1940.
Hoogedelgestrenge Heer,
Hiermede vindt U het verslag van den strijd, zooals ik die meegemaakt heb:
In den nacht van 12 op 13 Mei kwam ik met 1 sergeant, 2 korporaals en 10 manschappen in Hotel de Grebbeberg. Daar er toen reeds nagenoeg geen militairen meer op de Grebbeberg waren, daar wij al bijna totaal omsingeld waren, liet ik het Hotel in staat van verdediging brengen. Met mijn collega, de sergeant G. van Dalen heb ik, daar de anderen er geen moed meer voor hadden, 2 zware en 3 lichte mitrailleurs met de benoodigde munitie, die 's nachts door enkele compagniƫn, die tegenaanvallen deden waren achtergelaten naar binnen gehaald. 2 zware en 1 lichte mitrailleur bracht ik gelijkvloers in opstelling namelijk 1 zware in de veranda van het hotel waarmee ik een afsluitingsvuur op de Grebbeberg en voor het paviljoen kon leggen, terwijl 1 in de achterkamer werd opgesteld met front Heimersteinschelaan, daar wij ook vanuit de rug beschoten werden en 1 lichte mitrailleur op het aanrecht in de keuken voor beveiliging en afsluiting van de verbindingsloopgraaf tusschen hotel en Paviljoen. Op de eerste verdieping aan Oost- en Westkant ieder een lichte mitrailleur.
Hoewel alle manschappen zware mitraillisten waren bedienden zij de lichte mitrailleur, alsof zij niet anders gewoon waren. In den vroegen morgen van 13 Mei kwam uit de richting Wageningen een groep van 100 a 150 man in onze uniformen (wilt U dit verzwijgen?) in de richting Rhenen met voorop de witte vlag. In den meening nog eenige hulp uit de stoplijn te krijgen, gaf ik het commando "niet vuren". Op echter ongeveer 30 a 40 meter vielen ze gedekt langs de berm van de Grebbeweg en openden plotseling het vuur op ons. Toen barstten echter alle wapens bij ons los en sloegen de eerste aanval, die in stormloop werd ondernomen radicaal af, door de groote koelbloedigheid van alle aanwezigen. Daar hierna echter uit bijna alle ons omringende boomen op het hotel gevuurd werd en mijn mannen te weinig in getal waren om het heele hotel te bewaken aan alle zijden, barstte plotseling enkele hevige schoten los van een stuk 6 veld, dat onze artillerie op het kruispunt Heimersteinschelaan - Grebbeweg had moeten achterlaten. Na het derde schot stortte het dak in en kwam ik zelf met een soldaat die de mitrailleur bediende onder het vallende puin en de balken, terwijl ook onze lichte mitrailleur vernield werd. Na ons onder het puin en de balken vandaan te hebben gehaald, begaven wij ons naar de benedenverdieping om daar gezamenlijk verder te strijden, waarbij bij het afdalen van de trap een mijner soldaten zoo zwaar gewond werd, dat hij zeer spoedig overleed. Tegelijkertijd was echter het hotel in brand gevlogen en zoodoende moesten wij noodgedwongen onze versterking verlaten. Een voor een sprongen wij toen vanuit het keukenvenster in de verbindingsloopgraaf. Ofschoon de ingang steeds onder vuur lag kwamen wij toch allen behouden door deze loopgraaf in de kelder van het Paviljoen. Toen wij de trap opgeklommen waren, was het daar evenzeer een hel. De Majoor Landzaat stond rechtop in de Zuidkant van het Paviljoen met een lichte mitrailleur in zijn arm te vuren, daar hij vanaf de grond geen uitzicht had. Volgens verklaring was het juist, dat de Kapitein Hopink schrijlings in die stoel zat te vuren, dus niet volgens verklaring van Mevrouw Landzaat onze Majoor. De toestand was toen reeds critiek te noemen daar wij toen al over nagenoeg geen munitie meer beschikten. Door de aanwezige soldaten die in de kelder vertoefden, werden de trommels met geweer- en karabijnpatronen gevuld. In Uw artikel zijn geen sergeants genoemd, doch benevens mijn collega van Dalen en mijzelf, bevond ook de sergeant Schippers zich nog in het paviljoen, die met groote moed en vastberadenheid en kalmte menige vijand met zijn schoten neerlegde, ook hij is in het paviljoen gesneuveld.
De strijd werd steeds heviger en met den Majoor voorop werden steeds korte aanvallen naar buiten ondernomen om den vijand, die zich soms op minder dan 25 meter van het Paviljoen bevond, en met handgranaten wierp, te verdrijven. Na deze tegenstooten trokken wij ons steeds snel in het Paviljoen terug, waar wij echter ook geen vuurdekking hadden, daar bijna alles van hout en glas was. Op een van deze uitvallen werd de Majoor zoo doodelijk getroffen op het terras, dat hij nagenoeg meteen dood was. De Majoor zelf heeft inderdaad van geen wijken willen weten, maar heeft ons wel enkele keeren gezegd, dat wij maar moesten gaan, daar het toch verloren spel was. De loopgraaf vanuit de kelder konden wij niet meer in, daar het andere einde bij het Hotel lag en door den vijand bewaakt werd. Doch zelf bleef hij, heeft hij gezegd en zou op zijn post vallen. Hij heeft zelf ook geen enkele poging gedaan om weg te komen. Zijn laatste woorden waren een woord van dank voor de strijd, die we gestreden hadden en een laatste aanmoediging om ons land tot het uiterste te verdedigen. Inderdaad hij was een prachtig voorbeeld van moed en zelfopoffering.
Uw vraag waarom wij de strijd niet in de loopgraaf voortzetten is te wijten aan de diepte van de loopgraaf, die te diep was om uit te vuren en die door de rondom in de boomen zittende vijand onder vuur werd gehouden. We konden ons hier niet in begeven, zonder moedwillig ons leven te laten. De ingang der loopgraaf lag daarbij nog onder het vuur van een stuk 3.7 van den vijand, die af en toe ook het Paviljoen bestookte. Daar bij de laatste aanvallen het gebouwtje al haast gedeeltelijk instortte en even later in brand vloog, bleven ons twee wegen over: gevangen laten maken of vluchten. Over gevangen laten maken dachten wij geen van allen, hoewel het laatste ons hopeloos scheen, daar wij aan alle kanten onder vuur zaten. Toch besloot ik echter tot het laatste, gesterkt door het voorbeeld van onzen Bataljonscommandant, ons laatste goed te geven voor ons land en onze huid zoo duur mogelijk te verkopen.
De woorden die de soldaat uit Uw artikel over den Majoor uitte kan ik slechts ten volle onderstrepen en wij noemen hem daarom ook: De Held van den Grebbeberg. Voor zijn doodelijke verwonding had hij reeds een kleine wond aan zijn bovenbeen, doch volgens zijn zeggen niet noemenswaardig. Toen zijn we als renpaarden op 10 pas afstand van elkaar de achterdeur van het Paviljoen uitgevlogen en hoewel van alle kanten op ons gevuurd werd, ontsnapten we met zijn zessen uit. In het achter ons liggende Ouwehands Dierenpark stootten wij op een vijandelijke patrouille van 7 man, die door mijn onversaagde jongens in een tweestrijd met dolk en pistool werd gewonnen door ons. Hier hebben wij achter een der rotsen nog een goed half uur gevochten tegen diverse te hulp gesnelde patrouilles, waarbij mijn collega van Dalen sneuvelde, een soldaat een hevige verwonding onder de knie opliep, terwijl nog een tweede soldaat een hielwond kreeg. Zelf kwam ik er met een flinke knieblessuur en ontwrichting af door de val van een 3 meter hooge hek. Hoe wij in den strijd gespaard zijn gebleven is ons allen een raadsel en hiervan kan ik ook U geen uitleg geven. Door God's hand zijn wij zeker gespaard gebleven, anders kan het haast niet. Wij hadden de hoop voor ons leven allang opgegeven. Wij streden alleen tot het uiterste om het nog een poosje te rekken. Vanuit Ouwehands Dierenpark zijn wij zonder ongelukken dwars door een ons onbekend veld met landmijnen voor den overweg in Achterberg heengekomen, terwijl wij steeds onder vijandelijk artillerievuur en machinegeweervuur Remmerden bereikten. Hierna zijn wij buiten de groote weg om naar Utrecht getrokken. Onze groote terreinkennis heeft ons wellicht voor een al te spoedige dood bewaard.
Hier volgen nog enkele korte samenvattingen:
- In het Paviljoen: De Majoor licht gewond, 2 kapiteins gewond, 1 sergeant gedood, 2 sergeanten niet gewond en 2 soldaten gewond en 2 niet gewond.
- De Majoor gaf ons toestemming om te gaan, waaraan wij echter geen gevolg gaven, voordat de nood er ons toe dwong. De Majoor heeft echter zelf geen enkele poging gedaan om weg te komen.
- Ongeveer een uur na de ineenstorting van het Paviljoen moesten wij uit het Dierenpark vluchten, we hebben dus na het sneuvelen van den Majoor niet meer in het Paviljoen gevochten, doch nog een uur in het Dierenpark, waarna wij de strijd achter de Hollandsche Waterlinie dachten voort te zetten.
Met beleefde hoogachting,
Uw dienstwillige dienaar,
(get.) A. Dekker.
|
