Verslag van sergeant der S.R.O.I. J.P. van Franeker
Onderwerp:
Krijgsgeschiedenis.
Amsterdam, 21 October 1941.
Gevolggevende aan het gestelde in Uw schrijven d.d. 2 October 1941, nr. 1996 moge ik U het volgende mededelen.
Zaterdag, 11 Mei heeft een artillerie-beschieting van de stellingen in de omgeving plaats gehad. Hiervan heeft de boven het maaiveld opgetrokken, voor onze koepel (nr. 26) gelegen en zich over een grote breedte uitstrekkende stelling (voortaan aangeduid als de linie) haar deel te dragen gekregen. Herhaaldelijk konden daarin, of althans zeer in de nabijheid ervan treffers worden waargenomen. De koepel 26 is daarbij niet getroffen. Wel echter het noodbivak, een boerderij op enkele tientallen meters afstand ervan.
In de nacht van Zaterdag op Zondag werd door de Nederlandse artillerie een terreinstuk beschoten in het schootsvak van onze koepel. Van tijd tot tijd heeft koepel 26 zijn vuur daarbij gevoegd.
Zondag 12 Mei bracht hevig Duits artillerievuur, blijkbaar ter voorbereiding van de infanterie-aanval. Van een kapitein van het tweede bataljon kregen wij inlichtingen, tot waar de tegenpartij was opgerukt. Onmiddellijk heb ik het vuur naar de aangegeven plaats doen verleggen. Tegen de avond werd het evenwel duidelijk dat de voor ons liggende linie direct werd bedreigd. Onophoudelijk sloegen mitrailleurkogels in in onze opstelling. Daarop heeft koepel 26 vuur afgegeven, zo laag mogelijk over de rugweer van de linie heen, en over de gehele breedte toegelaten door de bol-affuit. Na enige tijd scheen de tegenstander echter het gedeelte van de linie, gelegen tussen de schootsvakken van onze koepel en de nevenliggende koepel van M.C. II-8 RI. murw gekregen te hebben. Verscheidene witte vlaggen verschenen daar op de borstwering, en even daarna begon men de linie overhaast te ontruimen. Even later ging ik de schuttersopstellingen controleren, en bevond dat de paniek zich ook reeds aan de manschappen van mijn stuk had medegedeeld: de grootste helft had de stelling verlaten en was met de stroom uit de linie meegegaan; de rest was volkomen uit het lood geslagen. Kort daarna kwamen er enige onderofficieren uit de linie bij koepel 26, en na kort overleg heb ik, met een van hen het vuur heropend. Dit hebben we volgehouden totdat onze stelling in de linkerflank door Duitse soldaten genaderd werd. Tegen deze konden we ons niet meer verdedigen: zij waren buiten de sector welke ons wapen bestreek, en over karabijnschutters beschikten we niet meer. Daar we ons niet gevangen wilden laten nemen hebben we daarop op eigen gezag de stelling verlaten.
Daar mij de situatie in de omgeving volkomen onbekend was, heb ik mij toevertrouwd aan den boven vermelden sergeant, en samen hebben wij het achter onze stelling liggende bos bereikt. Tenslotte zijn wij, langs een weg die ik onmogelijk zou kunnen recapituleren in de omgeving van Rhenen terechtgekomen, waar ik in een loodsje enkele uren heb geslapen.
Maandag 13 Mei heb ik nog getracht contact met eigen troepen te krijgen, maar werd daarbij van beide zijden beschoten. Uiteindelijk ben ik Woensdag 15 Mei, 's morgens vroeg, tezamen met een Pag-sergeant en enige van diens soldaten, krijgsgevangen gemaakt, en na te zijn ontwapend naar achteren gebracht. Vandaar zijn wij op transport gesteld naar Duitsland.
De commandant van koepel 26,
De Sergeant S.R.O.I.
(get.) Joh. P. van Franeker.
Aan:
het Hoofd van het Regelingsbureau
Landmacht. Afd. 1c.
|
