Schrijven van vaandrig H.H. Elzas inzake onderscheidingen (vervolg)

HOOFDREGELINGSBUREAU
REGELINGSBUREAU LANDMACHT.
--------------------
Afdeling Ic.
No. 1481.
--------------------
Onderwerp:
Onderscheiding.
--------------------

 

's-Gravenhage, 14 Maart 1941.
Willem Lodewijklaan nr. 1


Voor een goede beoordeeling is het noodzakelijk, U naar aanleiding van Uw brief van 12 Maart jl. nadere inlichtingen te vragen, te meer, daar ik aan Uw oordeel waarde hecht.
Uit den aard der zaak is een juiste omschrijving van de feiten, die voor eene eervolle vermelding aanleiding kunnen vormen, niet te geven.
De eervolle vermelding is niet - zooals wel eens wordt gedacht - een soort "loopkruis", het is eene onderscheiding (het zogenaamde kroontje, wel bekend bij de Indische collega's) die verleend wordt niet wanneer iemand slechts zijn normale plicht deed, doch wanneer hij boven zijn omgeving uit stak door zijn optreden, houding, het voorbeeld, de leiding, welke hij gaf of nam en dergelijke. Het feit, dat iemand sneuvelt of gewond raakt, is daartoe op zichzelf geen motief.
Er zijn velen gesneuveld of gewond tijdens een niet heldhaftige vlucht. En juist, zooals U vermeldt omtrent Messing geeft zeker houvast. Eveneens wat sergeant Hulscher betreft, het (onder artillerievuur) in veiligheid brengen van munitie. Wat sergeant Boerkoel betreft, is een aanwijzing, dat hij vrijwillig als menagemeester troependienst is gaan doen, meer dan een aanwijzing omtrent zijn karakter is dit echter niet.
Indien de andere soldaten, die U noemde en de beide korporaals als het ware de rotsen waren, waarop de rest steunden, dan kan dat een aanleiding zijn voor ander / nader onderzoek.
De hooge waarden, welke de eervolle vermelding (en à fortiori de Militaire Willemsorde heeft), maakt het noodzakelijk dat men zich zeer goed rekenschap geeft van hetgeen is verricht voordat tot een voordracht wordt overgegaan. Daartegenover is het noodzakelijk dat de zeer goeden en dapperen naar voren worden gebracht.
In eene situatie waarin velen het hoofd verliezen en daarom hun uiterste plicht niet meer vervullen, is de man die daarin wel slaagt, natuurlijk even de goede, die uitblinkt boven de rest.
Ik zou het op prijs stellen, indien U de door U genoemde mannen (waaronder de sergeants) nogeens aan de hand van het vorenstaanden wilt beoordelen en zoo mogelijk een categorische omschrijving wilt trachten te geven van hun gedrag.
De Commissie, die de voordrachten beoordeelt, moet zich om die beoordeling een oordeel kunnen vormen over omstandigheden, indeling, optreden daarbij, enz. Een uitvoerige motivering van handeling en gedrag is dus bepaald noodzakelijk.
Hiervoor zeg ik U bij voorbaat dank,

De Luitenant-Kolonel van den Generalen Staf,
V.E. Nierstrasz.

Aan:
Vaandrig H.H. ELZAS
Weg naar Laren 17
ZUTPHEN.


==========================================================================

H.H. ELZAS
-----------
ZOOLLEDER - OVERLEDER
DRIJFRIEMEN

Zutphen, 15 Maart 1941
Weg naar Laren 17.


Den HoogEdel Gestrenge Heer
Overste V.E. Nierstrasz.
D E N  H A A G.


HoogEdel Gestrenge Heer,

In antwoord op Uw schrijven No. 1481, dd. 14 dezer, deel ik U het volgende mede:

Messing. De dienstplichtige Eysink heeft mij verteld, dat Messing bij den tegenstoot "erop" wilde en ging; dat hij verder, toen zij Maandagmorgen ontdekten, dat zij alleen waren in de stelling van 2-III, er tegen was, om terug te trekken of zich over te geven, doch wilde doorvechten. Ik geef U beleefd in overweging, zich te wenden tot J. Eysink, Beukenhorstweg te Winterswijk, teneinde van hem verdere feiten te verkrijgen; ik kan U hierover niet inlichten.

Hulscher. Over dezen weet ik geen verdere feiten. Leiding heeft hij in zijn groep zeer zeker gegeven, en zijn menschen zeer behoorlijk aangevuurd en aangevoerd. Het is mij ten eenenmale onmogelijk, over hem verdere concrete feiten naar voren te brengen.

Boerkoel. In het licht van Uw bovenaangehaald schrijven zie ik tot mijn spijt geen reden, wijlen sergeant Boerkoel aan te bevelen. Hij heeft zijn plicht gedaan, doch zeker niet meer, en hij blonk, in den tijd dat IK hem heb meegemaakt, niet uit. Wat er kort voor zijn verwonding is gebeurd is mij niet bekend, daar ik toen niet daar ter plaatse was; mogelijk ligt op dit tijdstip de reden van de voordracht door kapitein Hakkert.

Wat tenslotte den korporaal Giessen en de andere soldaten betreft, zoo is dit een zuivere gevoelszaak. Indien er tijdens de mobilisatie gelegenheid voor ware geweest, zou ik den korporaal Giessen zeer zeker aanbevolen hebben voor bevordering tot sergeant; hij stak huizenhoog boven zijn beide andere collega's uit. Speciale feiten weet ik evenwel niet te melden. De door mij genoemde soldaten waren tijdens de mobilisatie de "lastigen" van de sectie, waarmede ik geregeld op voet van gewapenden vrede stond. Zooals zij tòèn den toon in de sectie aangaven, zoo bleken zij het ook te doen toen er gevaar bij was: ZIJ gingen direct achter mij naar het munitiedepôt, en ZIJ bleven liggen onder het vuur tijdens den tegenstoot, haalden de mitrailleurs uit elkaar en waren dus practisch weerloos (zie gevechtsverslag), en wachtten, tot de kapitein zich bij ons had aangesloten, terwijl er anderen waren, wier namen ik absoluut vergeten ben, die voor dien tijd reeds waren verdwenen. Mijn algemeene indruk over deze menschen (de goeden) heb ik trouwens reeds in mijn gevechtsverslag verwerkt.

Ik moge hier nog aan toevoegen, dat ik deze ontboezeming slechts heb geschreven als reactie op het laatste gedeelte van Uw schrijven van 14 dezer, beginnende met: INDIEN. Vóór dien tijd beschouwde ik het slechts zoo, dat deze soldaten hun plicht hadden gedaan.

Ik vertrouw, dat het bovenstaande voor de commissie, die de voordrachten beoordeelt, voldoende zal zijn; ik kan mij tot mijn spijt niet duidelijker uitdrukken.

Hoogachtend!
(get.) H.H. Elzas.

Download brondocument in PDF-formaat Brondocument 1
(PDF, 794.90 KB)
Download brondocument in PDF-formaat Brondocument 2
(PDF, 995.08 KB)