Verklaring van reserve-kapitein A.G. Höpink

Verklaring afgelegd door den Reserve Kapitein A.G. HÖPINK van
1-IV Bataljon PAG in de vergadering van de Commissie
Militaire Onderscheidingen van 13 Februari 1947.
------------

1-IV Bataljon Pag was Divisie Pag en moest op 10 Mei 1940 's morgens naar Remmerden worden verplaatst voor bijzondere opdrachten. Ik heb op eigen initiatief den weg afgesloten en contrôle laten uitoefenen op alle vervoer komende van en gaande naar het front. Voorts moest ik van tijd tot tijd manschappen afstaan onder andere voor beveiliging van de 10 Veld.

Op Zondag 12 Mei 1940 kreeg ik opdracht van Commandant IVe Divisie mij te melden bij Overste HENNINK.
Op het moment dat wij ons met het stuk op weg begaven om de opgegeven opstelling in te nemen bleek, dat de infanteriestellingen onder aan den Grebbeberg verlaten waren. De Sergeant-capitulant TEEUWISSEN zou volgens verklaring van den Luitenant COSTER van VOORHOUT gezegd hebben, dat ze op duitschers gestooten waren.

Mijn compagnie was geformeerd op 30 Maart en was afkomstig van de recruten-depôts van 8, 11 en 19 R.I.
Aanvankelijk had ik geen vrachtauto's; ik heb 2 vrachtauto's in Amerongen gevorderd.

Ik kreeg opdracht van Overste HENNINK om mijn compagnie op te lossen in twee deelen en elk gedeelte onder bevel van een officier te detacheeren bij het rechter en linker vak (ieder vak een gedeelte). De Luitenant van der KUIJP kreeg van mij opdracht zich met 3 stukken te melden bij Majoor LANDZAAT. De Luitenant KOSTER VAN VOORHOUT droeg ik op zich met 3 stukken te melden bij Majoor JACOMETTI. Eén stuk daarvan werd in reserve opgesteld bij den commandopost 8 R.I. ter afsluiting van de Leeuwendaalschen weg [Levendaalscheweg], de beide andere stukken werden gebracht naar de plaatsen, welke reeds lang van te voren waren verkend in verband met de algemeene opdracht - mij reeds in Maart verstrekt - eventueel het Pag-front in de stoplijn van 8 R.I. te versterken. Eén stuk hiervan stond ongeveer 50 meter achter 16 M.C. plm. 300 meter Oost van den commandopost van het IIe bataljon. Mijn tweede algemeene opdracht was de stoplijn van de Divisie (Westelijk van den spoorlijn) met pag. te versterken. Gedurende de oorlogsdagen is er van geen van beide opdrachten iets gekomen.
Achteraf is gebleken, dat het destijds door mij als getroffen gemelde stuk van sergeant-capitulant TEEUWISSEN (Zuidelijk stuk) niet getroffen is. Het stuk van Sergeant JASPERS, dat naar de Heimersteinsche laan moest, is aldaar niet aangekomen; Jaspers is in Rhenen gaan staan. Dit werd mij op een gegeven moment gemeld, waarop ik besloot met mijn sergeant-toegevoegd VISSER er achter aan te gaan.
Op weg daarheen ontmoette ik bij het viaduct den kapitein van BUREN van den Divisiestaf. Hij vroeg mij waar ik naar toe ging. Ik antwoordde dat ik een stuk wilde ophalen uit Rhenen. Hij droeg mij op een verdedigingsfront in te richten langs den spoorbaan. Ik heb het stuk opgesteld bij de brug en het voor die plaats bestemde stuk 6 Veld laten verplaatsen naar den spoorwegovergang bij den Rijn. In den middag van 12 Mei heb ik allerlei terugtrekkende militairen van verschillende regimenten een opstelling laten innemen in een lijn Westelijk van den spoorbaan. Daarna kwam III-11 R.I., die een tegenstoot ging uitvoeren. Later kwam een compagnie van het bataljon van majoor van APELDOORN de voorgeschreven opstelling innemen. Ik heb den daarbij aanwezigen Kapitein het bevel overgegeven en ben zelf met de beide stukken alsmede met de aanwezige munitie naar den commandopost van Overste HENNINK gegaan. Ik heb dit uit eigen initiatief gedaan. Den kapitein van BUREN heb ik hiermede in kennis gesteld. Van het stuk dat op de aangewezen plaats aan den straatweg Wageningen-Rhenen was aangekomen, was de Stukscommandant gewond.
Aangekomen bij Overste HENNINK heb ik dezen voorgesteld ruggespraak te houden met majoor LANDZAAT voor hergroepeering. Ik ben per motor naar den commandopost van majoor LANDZAAT gegaan. Bij de brug [viaduct] bij den Stoomhamer stond een compagnie van 24 R.I. Den commandant hiervan heb ik ingelicht en geadviseerd naar voren te gaan in verspreide orde. Bij hotel van Oort [Hotel De Grebbeberg] waren de resten van 11 R.I., waarbij Kapitein FRANSSEN, die erg zenuwachtig was. Hij riep mij toe: "HÖPINK, het is verschrikkelijk, ze zitten in de boomen".
Ik kwam bij Majoor LANDZAAT in de villa van Ouwehand, die ter verdediging was ingericht. De majoor had daar zijn commandopost gevestigd, omdat zijn oorspronkelijke commandopost in de loopgraaf door een voltreffer was getroffen. De majoor was in gesprek met kapitein GRETER. Tijdens mijn bespreking met majoor LANDZAAT kwam eerst de kapitein MAAS gewond binnen, alsmede 2 andere gewonden. In eens ging de roep dat de commandopost omsingeld was, waardoor ik besloot het daglicht af te wachten alvorens te vertrekken. De majoor LANDZAAT was erg vermoeid en begaf zich even ter ruste, nadat hij den Luitenant MOSKIE de opdracht had gegeven berichten te sturen naar Overste HENNINK.
Den volgenden morgen tegen 6.00 uur zouden we een verkenning doen. Ik kreeg een sector toegewezen in de richting van den straatweg. Met mijn sergeant-toegevoegd ben ik door een loopgraaf gegaan en kwam daarna via hotel van Oort in den tuin (aan den straatweg) van dit hotel. Uit de richting Wageningen kwam een soldaat (SCHOEMAKERS) van de 8e Batterij 6 Veld, die gewond was en door mij werd verbonden. Ik had een karabijn met munitie bij mij. Op een gegeven moment zagen wij aan de Zuidkant van den straatweg Rhenen-Wageningen twee soldaten met helm en wapens. Ik riep ze tot 2-maal toe om het teeken te geven, waarop ze het teeken gaven van den vorigen dag. Daarop zei Visser: "Kapitein, het zijn duitschers", waarop wij vuurden. Op hetzelfde moment ontdekten we op den straatweg naar schatting 30 à 40 duitschers, benevens een stuk infanteriegeschut, dat voorop marcheerde. Ik zag den kijker op de borst van den Commandant. De moffen schreeuwden iets, waarop het infanteriegeschut onmiddellijk vuurde. Wij lieten ons vallen; de lichtspoormunitie ging over ons heen. We zijn teruggerend in de loopgraaf, waar ik Visser naar majoor LANDZAAT zond om rapport uit te brengen. Zelf bleef ik een tijdje zitten om te zien wat de duitschers deden, doch ik zag verder niets meer. Toen ben ik ook naar villa Ouwehand gegaan om majoor LANDZAAT persoonlijk te rapporteeren. Deze was echter niet aanwezig. Ik ben nog in den kelder geweest (de ijzeren deur heb ik niet gezien), doch ook daar was de majoor niet. Tusschen de bedrijven door kreeg ik nog een telefoontje van Luitenant van den BOOM, die mededeelde veel last te hebben van afsluitingsvuur. Hij vroeg mij of ik dit wilde doorgeven, doch er was geen verbinding meer naar achteren. Een aanwezige sergeant adviseerde mij om nog eens bij de centrale - welke in den kelder van het paviljoen was gevestigd - te probeeren majoor LANDZAAT te pakken te krijgen, hetgeen gelukte. Ik deelde majoor LANDZAAT mede wat ik gezien had, waarop de majoor zei: "Kom mij helpen".
Op mijn weg naar het paviljoen zag ik een zware mitrailleur, welke opgesteld was op den weg voor het magazijn van Ouwehand, front Zuid. Doorloopende trof ik in het magazijn van Ouwehand een lichten mitrailleur die zoogenaamd zou weigeren. Met een paar druppels wapenolie over de patronen was het euvel verholpen. Ik heb dezen mitrailleur (met trommel) meegenomen naar het paviljoen. Door de achterdeur heb ik het paviljoen betreden. De kapitein FRANSSEN was reeds aanwezig. Hij stond zenuwachtig met zijn pistool te zwaaien, en was voor zoover ik weet toen nog niet gewond. Hij zakte later in elkaar toen er handgranaten vielen.
De mitrailleur werd in de gelagkamer op een tafel gezet. De onderkant van deze gelagkamer was van hout en verder met glas opgetrokken. De rest van het paviljoen was van steen. Het vuren met den mitrailleur ging erg lastig. De houding waarin men moest staan was zeer ongemakkelijk. In de gelagkamer lagen twee gesneuvelden. Aan de Zuid-Oostelijke zijde was het glas reeds stuk, de rest hebben we later met de kolf van den karabijn ingeslagen.
Een soldaat van de verbindingsafdeeling (VAN HALL?) heeft mij als schutter afgelost, waarbij ik hem op zijn verzoek de werking van het wapen uitlegde.
Op een gegeven moment brachten de duitschers een zware mitrailleur in stelling aan de Zuidzijde van den grooten weg. West daarvan liep een man met rookkaarsen. De majoor LANDZAAT, kapitein DALES en soldaat CHOTZEN (die juist met een mitrailleurschutter binnenkwam) schoten vanuit het paviljoen (gelagkamer) de 3 duitschers neer, zoodat de mitrailleur niet heeft gevuurd. De schutter, die met ChOTZEN meekwam heeft van HALL afgelost en zich kranig gedragen. We hebben verschillende duitschers neergelegd. Een sergeant-ziekenverpleger van 8 R.I. (W. BÖLKER) die door de duitschers was meegenomen om gewonden te verzorgen, verklaarde later, dat er veel duitschers met buikschoten geweest waren.
Aangezien het vijandelijk vuur heviger werd, oordeelde majoor LANDZAAT het na eenigen tijd noodig terug te trekken in het steenen gedeelte. Ik ging zitten op een stoel tussen het Noordelijke raam en de deur aan de Oostzijde. De Kapitein DALES zat achter mij. Eén soldaat zat bij het Noordelijke raam en één bij het Zuidelijke raam. Majoor LANDZAAT was ambulant. In de kamer stond een aantal soldaten niets te doen. Ik heb ze naar den kelder gestuurd om patroontrommels te vullen. De man bij het Zuidelijke raam voegde mij, toen ik zeide dat ze in de kelder moesten - toe: "En U dan Kapitein?". Ik antwoordde dat ik bleef zitten, waarop hij te kennen gaf ook te blijven.
Op een gegeven moment werd de handbeschermer van mijn karabijn afgeschoten, waarop CHOTZEN zeide: "Kapitein, U schiet beter dan ik, neem mijn geweer". CHOTZEN bleef toen patronen aangeven.
Later heeft majoor LANDZAAT den mitrailleur naar boven laten brengen en na verloop van tijd weer naar beneden. Ik ben niet naar boven geweest. De munitie raakte op en er waren beneden nog slechts over: Majoor LANDZAAT, Kapitein DALES, ondergeteekende, CHOTZEN en nog een soldaat. Toen begonnen de duitschers plotseling weer met handgranaten te gooien. De prikkeldraadversperring was 20 à 30 meter van het paviljoen af. Tenslotte had ik nog twee houders met munitie, waarvan ik er één aan Majoor LANDZAAT gaf met de woorden: "Majoor, het is gebeurd". De majoor, die toen bij het Zuidelijke raam stond bij een boekenkastje wilde zich echter niet overgeven. Hij zeide: "Mannen, jullie hebben als helden gestreden". Denkende aan mijn compagnie pag. stelde ik den majoor voor te trachten weg te komen. Op dat moment volgde er een hevige ontploffing, waarschijnlijk veroorzaakt door infanteriegeschut. Ik werd daardoor aan mijn knie gewond. We sprongen op, alles vloog uiteen. De mitrailleurschutter verliet het eerst het paviljoen. Daarna pakte ik CHOTZEN, die eenigszins versuft was, beet, waarna ook wij verdwenen. De anderen verdwenen in andere richtingen. Volgens mijn vaste overtuiging is toen majoor LANDZAAT gesneuveld. Dit heb ik gemeld aan Overste HENNINK, toen ik op zijn commandopost kwam. CHOTZEN en ik kwamen terecht ergens naast het magazijn, waar ik CHOTZEN heb verbonden met mijn zakdoek. Ik had nog slechts een karabijn, echter geen munitie meer. Noord van de villa zijn we door het prikkeldraad gekropen en langs den commandopost van II-8 R.I. naar den commandopost van Overste HENNINK gegaan.
Ik vroeg Overste HENNINK waar mijn compagnie was. Hij antwoordde "die is weg". Ik wilde er achter aan, doch de Overste verbood mij dit. Ik ben daarop naar een dokter gegaan in de verlaten commandopost van 8 R.A., waar ik mij heb laten verbinden. In de commandopost van Overste HENNINK kwamen geleidelijk veel manschappen aan, die van Overste HENNINK opdracht kregen tegen de borstwering stelling te nemen. Ik kreeg eerst toestemming een paar uur te gaan slapen. Daarna hebben wij den geheelen nacht gewaakt. Ik bevond mij in het uiterste Noordelijke punt van de stelling. Op dat punt was geen borstwering, wel schilden. In het akkermaalshout hoorden wij steeds knetteren. Het waren de aanslagen van eigen mitrailleurkogels. We lagen dus onder eigen vuur van de kant van den spoorbaan. Meerderen zijn daardoor gewond. Overste HENNINK had op een gegeven moment de beschikking gekregen over 3 of 4 lichte mitrailleurs. Ik kreeg er één van, waarmede ik het Noordelijk punt van de stelling afsloot. Noord-West van ons zat - aldus werd door een sergeant medegedeeld - een vijandelijke zware mitrailleur. Ik heb de plaats waar deze mitrailleur zou zitten onder vuur gehouden, terwijl de sergeant de bediening zou besluipen. Hij drong echter met zijn groep niet voldoende omtrekkend voorwaarts en riep mij plotseling toe: "Kapitein, vuren, er zijn 3 duitsche mitrailleurs met bediening", waarop de manschappen in de loopgraaf terug kwamen.
Dinsdagmorgen zijn we gebombardeerd door vliegtuigen. Meerdere soldaten onder andere RAAK werden daarbij gewond. Deze RAAK is tijdens de bezetting als illegaal werker door de duitschers gefusilleerd. De kapitein HULLEMAN van Verbindingsafdeeling 8 R.I. heeft de Zuidelijke zijde van den commandopost verdedigd. Hij heeft zich flink gedragen en is eveneens tijdens de bezetting gefusilleerd. Thans bereikte mij het bericht dat zulks niet vast staat.
Op een gegeven moment verplaatste de strijd zich in Westelijke richting. De waterleiding bij ons was stuk. Er moest echter water zijn voor de gewonden. Kapitein HULLEMAN heeft toen - terwijl wij het vuren staakten - uit de citerne buiten de loopgraaf water gehaald.
Later werd besloten over den Rijn terug te trekken om te trachten door de Betuwe weer bij eigen troepen te komen. Tegen schemer zijn we op weg gegaan. Voorop ging een sergeant van de Regimentspatrouille met ongeveer 8 man met geladen karabijnen. De rest had de magazijnen geledigd. Overste HENNINK beval mij met mijn menschen achteraan te marcheeren, omdat wij in het leder gekleed waren. We gingen in Zuid-Westelijke richting langs de stellingen van de artillerie. Bij van Oort zouden we den straatweg oversteken om naar de steenfabriek aan de Rijn te gaan. Bij kilometerpaal 25 lag een mijnenveld. Op den weg hoorden we plotseling het gieren van een duitsch motorrijwiel. Allen dekten zich, denkende dat het een granaat was. Hierdoor werd het verband verbroken. Ik bevond mij tengevolge daarvan op een gegeven moment met CHOTZEN en 12 man alleen. Op eigen initiatief ben ik met dit troepje verder voorwaarts gegaan. 400 meter Oostelijk van het viaduct was een controlepost van de duitschers. Daarom gingen we weer in Oostelijke richting en zijn twee huizen voor de meubelfabriek den weg overgestoken. Het was inmiddels middernacht geworden en de troep was zeer vermoeid. Daarom wilde ik probeeren in de huizen te kruipen om aldaar verder den nacht door te brengen. Aldus geschiedde. Den volgenden morgen - Woensdag 7.45 uur - kwamen echter de duitschers in het huis, die ons gevangen namen.

Ik weet niet, waarom majoor LANDZAAT van zijn commandopost naar het paviljoen is gegaan. De duitschers zijn langs den Heimersteinsche laan gekomen en toen den weg Rhenen-Wageningen opgegaan.

Hotel Grebbeberg was niet ter verdediging ingericht.

Toen we in het huis gevangen genomen werden, zijn we eerst vervoerd naar een compagniescommandopost welke ongeveer 30 meter van het huis af lag. Er werd onmiddellijk gevraagd of er gewonden waren en er kwam een dokter die ons bekeek. Daarna zijn we per auto vervoerd naar Hotel Wageningsche Berg, waar de duitschers tegen ons zeiden: "Ihre Königin ist mit dem Goldschatz ausgerückt", waarop CHOTZEN repliceerde: "Fijn".

's-Gravenhage, 13 Februari 1947,
(get.) A.G. Höpink

Opgen. M.
Typ. M.

Download brondocument in PDF-formaat Brondocument
(PDF, 3.03 MB)