Begrippen en verklaringen

Op deze pagina worden verklarende teksten opgenomen voor militairtechnische termen en begrippen [vakjargon]. Zodoende wordt een beknopte uitleg gegeven bij vaktechnische termen en begrippen die veel voorkomen in de teksten op de site en in andere publicaties. Nadrukkelijk wordt erbij gemeld dat daar waar de tijdgeest een rol speelt bij de uitleg, de contemporaine uitleg is gebruikt.

Categorie Wapens

Klewang
De klewang was een licht gekromde lange sabel die de Nederlanders hadden gecopieerd van de Indische [Indonesische] cultuur. Het was een wapen dat door zijn aparte smeedproces bijzonder sterk en scherp was en bleef. Veel Nederlandse officieren, en sommige onderofficieren, waren standaard met dit wapen uitgerust. Ook de cavalerie maakte er gebruik van.

Lichte/zware mitrailleur
De lichte mitrailleur is jonger dan de zware mitrailleur. Daar komt de toevoeging "licht" dan ook vandaan, om aan te duiden dat het een aanzienlijk lichter en hanteerbaarder wapen is dan de mitrailleur die men gewend was in de stelling te zetten. De eerste mitrailleurs waren allen zeer zwaar. Met affuit al snel tussen de 25 en 40 kg. Dat was voor het dynamische gevecht niet handig, en daarom werden al spoedig tijdens WOI diverse lichtere versie ontworpen die door een man konden worden verplaatst.

De mooiste weergave van het verschil tussen lichte en zware mitrailleur was wel de Duitse MG.34. Op een simpel aan de loop bevestigde twee-beens spreidaffuit werd het aangeduid als lichte mitrailleur. Op de zwaardere drie-beens affuit werd het als zware mitrailleur aangeduid.

Later ontstond vooral onderscheid tussen lichte en zware mitrailleurs in twee opzichten. Kaliber en vuurintensiteit. Het eerste geldt vandaag de dag nog. Tegenwoordig hebben legers vooral lichte mitrailleurs en worden vaak slechts .50 mitrailleurs nog meegevoerd op voertuigen als zware mitrailleurs. Qua vuurintensiteit obntwikkelde de zware mitrailleur zich als een wapen dat langdurig en intensief vuursteun kon geven, terwijl de lichte mitrailleur vooral gebruikt werd om korte vuurstoten te geven en onderdrukkend vuur op kortere afstand te geven.

PAG
Nederlandse benaming voor Pantser Afweer Geschut. De Duitsers noemden dit PAK [Panzer Abwehr Kanone]. In mei 1940 was het de aanduiding voor de moderne anti-tank vuurmonden van het fabrikaat Böhler [47 mm].

Pistoolmitrailleur
De pistoolmitrailleur is de jongste telg in de mitrailleurfamilie, en de lichtste. In het Engels aangeduid als "sub-machinegun". Het was een Duitse uitvinding [MP.18] die reeds tijdens WOI zijn introductie had. De Geallieerden waren er zeer van onder de indruk. Het was een licht handvuurwapen dat met grote vuursnelheid salvo's kon afgeven. Ideaal voor de infanterie, in het bijzonder voor stoottroepen en straatgevechten. Bij aanvang van WOII waren er feitelijk maar twee pistoolmitrailleurs die echt succesvol waren. Dat waren de Duitse MP.38/MP.40 [ook wel Schmeisser genoemd], en de Amerikaanse Thompson pistoolmitrailleur [vooral bekend van de gangsterfilms].

Repeteergeweer
Een repeteergeweer is de aanduiding voor een geweer / karabijn waarbij na ieder schot een actieve - door de schutter gebezigde - herladingsactie noodzakelijk is voor opnieuw kan worden geschoten. In het Engels wordt dit een "bolt-action rifle" genoemd. De Nederlandse geweren en de Duitse geweren die in mei 1940 werden gebruikt waren allen repeteergeweren. Indien een geweer automatisch herlaad [zonder automatisch te kunnen vuren] dan heet dit een halfautomatisch geweer.

Stormdolk
De invoering van de stormdolk in het Nederlandse leger gebeurde aan de hand van de berichtgeving uit de loopgraven in Frankrijk tijdens WOI. Men constateerde dat veel man-tegen-man gevechten voorkwamen, en dan zou het lange geweer met bajonet wel eens onhandig kunnen zijn in de krappe loopgraven. Bovendien toonden de Duitsers een nieuw fenomeen op het slagveld, de stormtroeper. De combinatie van die twee gevallen noopte Nederland om in 1917 de stormdolk te introduceren voor eerstelijns troepen. In 1918 werd het wapen daadwerkelijk geintroduceerd bij de Stormtroepen, toen een apart onderdeel van ieder infanteriebataljon. Met streefde ernaar 200 dolken per bataljon te kunnen verdelen, op basis van het feit dat iedere compagnie ongeveer 40-50 stormtroepers kende. Later kreeg het gros van de officieren ook een stormdolk.

De stormdolk had een tweezijdig geslepen kling van maar liefst 21 cm, en een houten greep. In 1918 ingevoerd, werd het gros in 1924 al weer uit de bewapening gehaald, omdat de stormtroepafdelingen werden opgeheven. Slechts 384 per regiment bleven beschikbaar tot 1926.

In 1939 komt de stormdolk weer terug. Een voorraad van 25,000 stuks wordt beschikbaar gesteld aan het Veldleger. Er wordt bepaald dat alle onberedenen van infanterie, cavalerie, wielrijders en artillerie een stormdolk krijgen uitgereikt. Bovendien alle bereden officieren en onderofficieren. Bovendien mochten de autotroepen - daar waar relevant - hun klewang inleveren [die ernstig hinderlijk was in een voertuig - en inruilen voor een stormdolk.

Vechtwagen
Het thans heel bekende woord "tank" was in mei 1940 in Nederland nauwelijks bekend, hoewel het al wel werd gebruikt. Algemeen werd de tank in die tijd aangeduid met het begrip "vechtwagen". Hoewel vastgesteld kan worden dat soms pantserwagens abusievelijk als "vechtwagen" werden aangeduid in de meidagen, was het bedoeld om tanks mee aan te duiden: zwaarder gepantserde voertuigen, met [in de regel] zwaardere bewapening en voortbewegend op rupsbanden [tracks].

457